PARSHAT KI TAVÓ

Als je komt (Deuteronomium 26:1 – 29:8)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, parshat Vajechi 229b

Rebbe Chezkiya, Rebbe Jossi en Rebbe Jehoeda waren reizende en begonnen een Thora discussie.
Hier uit kunnen we de importantie van het discussiëren van Thora waar dan ook leren. De parasha van deze week bevat het fameuze vers: “En G’D heeft verklaard aan jou vandaag, om voor Hem een volk als speciaal bezit te zijn, zoals Hij het je gezegd heeft en dat jij al Zijn geboden zult nakomen.”(Deuteronomium.26:18)
Rebbe Jehoeda verbindt dit concept aan de manier waarop G’D over Israël oordeelt, een bijzonder onderwerp, speciaal in de tijd van de maand Elloel, de maand van teshoewa (inkeer, terugkeren) en selichot(smeekgebeden).

Rebbe Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers: “Gedenk onze vorige ongerechtigheden niet, haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen, wij zijn aan het einde van onze krachten.” (Psalm. 79:8) Kom en zie: Vanwege de grote liefde die Hij heeft voor Israël, welke Zijn aandeel en erfgenamen zijn in deze wereld, laat de Heilige, geprezen zij Hij geen enkel ander gerechtelijke macht over hen oordelen, dan uitgezonderd Hij alleen.

Het woord “erfgenamen” (in het Hebreeuws, “nachalato”) is afgeleid van het woord “nachal”, wat “stroom, uitvloeiing” betekent. De achterliggende gedachte is, dat Israël de manifestatie van G’D’s wil is in deze wereld.
Zoals een stroom altijd is verbonden met zijn bron en stroomt in een uitgezette lijn, zo ook is de geschiedenis van Israël “Zijn Verhaal”.
In de bloedbaan van erfgenamen stroomt hetzelfde DNA, en zijn daardoor met hun erfgenamen bij geboorte verbonden, niet door speciale inzet van hun kant.
Wegens deze gepredestineerde historische uitvloeiing, kan alleen G’D over Israël oordelen. En het is deze kennis welke Hem vervult met bijzondere barmhartigheid ten aanzien van Israël.

En wanneer Hij over hun handelingen oordeelt, is Hij vervuld van vergevensgezindheid, omdat Hij is zoals een goedhartige vader tegenover Zijn kinderen. Zoals in het vers: “Zoals een vader zich over zijn kinderen erbarmt, erbarmt zich de Eeuwige over hen, die Hem vrezen. Want Hij kent onze makelij, gedachtig, dat wij stof zijn.” (Psalm, 103:13-14)
En wanneer Hij zonden bij hen aantreft, laat Hij hen één voor één passeren (in het Hebreeuws, “meavier”) tot zij allen aan Hem voorbij zijn gegaan [in de zin van negeren].

De stam van het woord “meavier” is “A V R”, dat betekent, van het één naar het andere, “verleden tijd”, “naar de andere kant”. Dus het hele idee is passeren, het voorbij gaan van een zonde, maar dat het niettemin een zonde blijft. De importantie van deze keuze zal in het volgende duidelijk worden.

En omdat zij geheel aan Hem zijn voorbij gegaan, m.a.w in aangezicht zijn gepasseerd, worden deze zonden niet doorgegeven aan een autoriteit van streng oordeel om over te beslissen. Maar als hij terug valt [in zijn slechte gewoontes] en zondigt voor Hem als voordien, worden deze vorige zonden alsnog tegen hem in rekening gebracht. Om die reden staat er geschreven [aangehaald hier boven en ook in de selichot en viduigebeden: “Herroep niet onze vorige ongerechtigheden tegen ons.”

We vragen dat deze eerste zonden, die waren gepasseerd en overgegaan in vergeving ( maar alleen de straf was gesuspendeerd) niet aan ons zullen worden aangerekend, ondanks het feit dat wij dezelfde ongerechtigheid hebben herhaald, zie Talmoed Rosh Hashana17a.

“Laat Uw vergevensgezindheid snel ons tegemoet komen” want als de eigenschap van barmhartigheid niet snel optreedt voor Israël, zijn zij niet in staat om in deze wereld te overleven. Dit is omdat de menigte tegen hen is.
Was het niet dat de Heilige, geprezen zij Hij eerst optreedt met medelijden over Israël, zou Israël niet in staan zijn om hun existentie in deze wereld te continueren. Dat is de reden dat wij vragen voor snelle barmhartigheid, want “wij raken uitgeput”.

Kom en zie. Indien Israël gepast gedrag zou verwerven voor de Heilige, geprezen zij Hij, zouden de naties van de wereld niet in staat zijn tegen hen op te staan met het doel om hen leed te veroorzaken.

Omdat Israël geen Thoragericht leven leidt, veroorzaakt zijn zonden het wegvallen van bepaalde G’ddelijk overvloed, waardoor sommige van deze overvloed in handen valt van de andere naties van de wereld. Deze evenwichtsverandering veroorlooft Israëls vijanden, in het zoeken neer meer macht en rijkdom voor zichzelf, Israël te verwijten en te beschuldigen van allerlei wandaden.

Hier verklaart de Zohar de achterliggende gedachte. De Joden, als zij vastberaden staan in het volgen van Thora en mitzwot, waardoor de G’ddelijke overvloed door hen gekanaliseerd wordt, worden alle argumenten van hun vijanden weggenomen.
Israëls vijanden zullen zich dan realiseren dat hun kracht afhankelijk is van Israëls zwakten, waardoor zij dus constant zullen proberen om Israël onvolledig af te schilderen om hun eigen rechtvaardigheid te ondersteunen. De manier om dit recht te zetten is, de terugkeer [teshoewa] naar G’D en Zijn instellingen. Deze mogelijkheid is voor elke individuele Jood weggelegd, omdat de status waarvan hij deel uitmaakt, het Joodse Volk, een volk is, dat zeer bijzonder is voor G’D.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie