PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt    Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Rabbi Jitzchak Luria

Ta’amei HaMitzvot and Shaar HaPesukim

In dit Thoragedeelte wordt ons opgelegd om de eerste fruitvruchten (bikoeriem)  naar de Tempel te brengen. (Deuteronomium. 26:1-11) Het fruit moet gebracht worden in een rietenmand en het fruit met de mand moet aan een van de priesters van de Tempel worden gepresenteerd. “En de priester zal de mand uit je handen nemen, en het plaatsen voor het altaar van de Eeuwige, je G’D.” (Deuteronomium. 26:4) Het woord voor “mand” in deze passage is “tené“.

Zoals we eerder hebben besproken, telkens wanneer er een revelatie van G’ddelijke liefdadigheid is, is er het risico dat de kwade krachten zullen profiteren van de overvloed, met andere woorden, alles wat niet goed wordt geleid naar de juiste vaten. Een manier om dit risico te minimaliseren is veilig te stellen dan de vaten ruim genoeg zijn om welke G’ddelijke liefdadigheid dan ook die hun bereikt vast te houden. We volbrengen dit door het ordelijk grondvesten van gezonde mentale, emotionele en fysieke structuren en verbanden in ons leven waardoor we gemakkelijk en zeker, om het even wat, nieuwe inzichten, emoties en materiële rijkdom kunnen kanaliseren en welzijn komt op onze weg.

Een andere manier om dit risico te minimaliseren is door stappen te ondernemen om te verzekeren dat wat zou overlopen van wat is gegeven, wordt ingehouden. Rabbi Shneur Zalman van Liadi legt uit (Igeret HaKodesh 3 Tanya, p. 104a) om de G’ddelijke Liefdadigheid in welke vorm dan ook ordelijk in deze wereld binnen te halen, moet het grotendeels worden beperkt. Dit contractieproces is zoals de gaatjes in een sluier die een helder intens licht tegenhouden, alleen geringe straling van licht toestaat om het te penetreren en zichtbaar wordt van buiten. Wanneer eenmaal dit licht zijn bestemming heeft bereikt, moeten de gaatjes worden gesloten om te voorkomen dat het licht ergens anders schijnt. Als we allegorisch de sefirot als het “kledingstuk” beschouwen van de G’ddelijke vorm of lichaam, mag de sluier, tegenhoudend hun licht van de lagere werelden, worden opgevat als een beschermende mantel die vele gaatjes heeft om het licht door te laten. Deze gaatjes zijn bedekt met schubben om te voorkomen dat pijlen binnendringen, of in onze analogie, voorkomen dat het licht uitstroomt waar het niet wil en zo kracht verleent aan kwaad.

Rabbi Shneur Zalman verklaart dat deze preventieve kracht tot stand wordt gebracht door handelingen van tsedaka en goedhartigheid in deze wereld.

Vermoedelijk is het in dit licht dat we het effect moeten begrijpen van het geven van de eerste vruchten aan de Tempel. Het geven van het eerste fruit is een vorm van liefdadigheid, aangezien de priesters de gene zijn die in feite dit fruit eten en de mitswa onderwijst ons dat het eerste en beste fruit verkregen door onze inspanning wordt gegeven aan heilige doelen. Dit indiceert in feite dat al de vruchten van onze inspanning zullen worden aangewend voor heilige aangelegenheden, daar we zelfs ons wereldse leven in dienst stellen van het verspreiden van G’ddelijk bewustzijn in deze wereld.

Door te garanderen dat ons aardse leven wordt verbonden aan en georiënteerd is op G’ddelijke doelen, sluiten we de gaatjes in de G’ddelijke sluier en verhinderen daardoor dat G’D’s liefdadigheid op een dwaalspoor wordt gebracht, in kwade kanalen door het te misbruiken voor eigenbelang.

Zoals we eerder hebben gezien, de betrokkenheid in de materiële wereld is de vrouwelijke kant van onze persoonlijkheid. Het is dus het licht van het feminiene principe dat opwaarts moet worden geleid, naar de oorsprong van G’ddelijke liefdadigheid ( G’D’s chesed). Als het aan onze eigen neiging wordt overgelaten, zal het feminiene principe in ons zich obsessief richten op de materiële wereld, in het begin met het oogmerk de wereld in een verblijfplaats voor G’D te maken, maar uiteindelijk toch dit doel uit het oog verliezen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie