PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt         Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Rabbi Jitzchak Luria

Uitvloeiingen van het kwaad

Van “de geschriften van de Ari”.

Aan het begin van parasha Re’ée wordt het Joodse Volk opgedragen om “de zegen te plaatsen op de Berg Geriziem en de vloek op de Berg Ewal” op het tijdstip dat zij de Rivier de Jordaan oversteken en het Land van Israël binnengaan. (Deuteronomium. 11:29)

 De discussie hoe dit moet gebeuren neemt wordt niet weergegeven in die passage, maar is opgenomen in het gedeelte van de Thoralezing van deze week, wanneer het Joodse Volk wordt opgedragen:

Wanneer jullie de Jordaan oversteken moeten de volgende (stammen) op de Berg Geriziem gaan staan tijdens het zegenen van het Volk: Lévi, Juda Issachar, Joséf en Benjamin. En de volgende (stammen)  moeten op de Berg Ewal staan tijdens het vervloeken: Reuben, Gad, Ashér, Zewoeloen, Dan en Nafthalie.” (Ibid, 27:12-13).

Dan volgt een lijst van elf vervloekingen die worden verkondigd door de Levieten. De zegeningen worden niet expliciet genoemd, maar volgens de Geleerden waren zij gewoonweg het tegengestelde van de vervloekingen.

Ik heb jullie  eerder onderwezen over de elf ingrediënten van de wierrook, de elf bedekkingen van geitenwol [van het Tabernakel] en de elf vervloekingen van parasha Ki Tavo.

Wat hier opvallend is, is het getal elf. Aangezien de G’ddelijke energie welke de wereld creëert en instant houd, georganiseerd is in een structuur van tien sefirot (Sefer Yetzirah is zeer precies over dit cijfer: ” tien en niet elf; tien en niet negen” ), omdat tien als cijfer het complete en het standvastige aangeeft, een heilige orde van vermogens. Het cijfer elf daartegen, wordt gezien als een indicatie van destructieve overmaat, een egotistische tendens om beter te zijn dan het G’ddelijke systeem. In de woorden van  de Geleerden: ” al wie toevoegt verminderd” (Sanhedrin 29a). Daarom geeft het kwaad en vervloeking aan.

Het tabernakel was overtrokken met drie gordijnen: één, gemaakt van tien aan elkaar vastgemaakte gordijnen, elk geweven van een mengsel van verschillende materialen; één, gemaakt van elf geitenvellen aan elkaar vastgemaakt en één van tachash vellen ( de tachash was een kleurrijk dier welke in onze dagen niet meer bestaat).

Hun significatie is, dat net als er tien heilige sefirot zijn, er tien sefirot van het kwaad zijn.

Aangezien kwaad een ontaarding is van Heiligheid, heeft dat als gevolg, dat voor elke schaduw van heiligheid (weergegeven in de tien sefirot), er een corresponderende schaduw is van kwaad.

Bovendien, is er in [de tien heilige sefirot] een vonk van heiligheid dat hun draagt. Dit is de mystieke betekenis van het vers “en Zijn Koningschap heerst over alles” (Psalm 103:19).

Het gemeenschappelijke kenmerk van  alle sefirot is dat zij een expressie zijn van G’D’s soevereiniteit over de Schepping. Dit is de basis voor hun wederzijdse onderlinge insluiting en harmonieus functioneren.

[Hetzelfde is waar betreffende de tien sefirot], met het volgende verschil: De tien heilige Sefirot  zijn opgebouwd uit “essentie” en “vaten”.

De essentie van een sefira is de G’ddelijke aandrijving van energie; het vat van een sefira  is haar identiteit, of het gedetailleerde G’ddelijke vermogen welke het manifesteert. De meer familiaire terminologie  voor “essentie” in deze context is “licht”. Hier wordt het licht de “essentie” genoemd, aangezien natuurlijk het G’ddelijke vermogen de sefira tot een instrument maakt of anders gezegd, een “nuttig” werktuig in de handen van G’D; het vat of de gedetailleerde identiteit van het vermogen wat wordt gemanifesteerd, is in verhouding een bijkomstigheid.

De essentie nu [ingeval van de tien heilige sefirot], welke de levenskracht zijn die de sefirot dragen, is opgenomen en verborgen in hen. Dus is er geschreven in de Zohar, “Hij en dat welk Hij tot leven wekt [dat wil zeggen het “licht”] zijn één; Hij en hetgeen Hij veroorzaakt [dat wil zeggen de “vaten”] zijn één”. (Tikoenei Zohar, introductie, 3b) Dit is de reden dat hun aantal tien zijn; zij zijn de tien overhangende gordijnen van het Tabernakel.

Heiligheid wordt gekarakteriseerd door onderwerping aan G’D’s wil, en onderworpenheid aan G’D’s wil stelt een entiteit in staat om te coëxisteren met zijn tegenovergestelde (als het G’D’s wil is dat dit gebeurt). Ofschoon hier essentie en expressie van nature tegenovergesteld zijn, kan licht en vaten samen coëxisteren, zolang beide zich onderwerpen aan het G’ddelijke schema. Deze onderwerping aan de G’ddelijke wil wordt weergegeven door te bestaan uit tien sefirot, het cijfer voor evenwicht en beperking van krachten. De tien gordijnen die de innerlijke bedekking vormen van het tabernakel, dicht bij de heiligheid van de ark en de andere voorwerpen, benadrukken deze de onderwerping.

Maar in het geval van de tien kwade sefirot,  kan de heilige levenskracht niet in hen worden geabsorbeerd, want het heilige laat zich niet vermengen met het profane. Het hangt boven hen en stimuleert hen van verre.

Want de kwade sefirot benadrukken rebellie tegen de G’ddelijke wil, er kan geen verzoening zijn tussen essentie en expressie. Bovendien, de essentie kan niet het vat binnendringen, want de essentie gehoorzaamd G’D’s wil (want het is alleen door de goedheid van G’D’s wil dat het kwaad kan existeren of enig vermogen bezit) terwijl de vaten niet kunnen coëxisteren met de essentie, omdat zij zich niet onderwerpen aan de G’ddelijke wil ( zoals we hebben gezegd, de vaten zijn een uitdrukking van rebellie tegen G’D’s wil).

Om die reden dus kan de levenskracht (de “essentie” of “licht”) niet worden gerekend als een aspect van de tien sefirot, maar als een entiteit op zichzelf. En daarom bestaat het kwade uit elf: tien kwade sefirot en de levenskracht.

SHABBAT SHALOM             

,

    

Geef een reactie