PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt (Deuteronomium 26:1 – 29:8)

De mitswa “volgens Zijn richtlijnen te gaan”, omvat alle andere mitswot in deze parasha. Aangezien de mens is geschapen naar het beeld van G’D, is het gepast dat hij tracht G’D te evenaren, naar al zijn kunnen.
Hij heeft er voor te zorgen dat zijn lichaam met alle ledematen, zich in perfecte conditie bevinden, want elk ledemaat is op een of andere manier betrokken in het uitvoeren van mitswot. Het zelfde geldt voor onze spirituele en emotionele vermogens. We weten dat G’D genadig en goedgunstig is; vandaar dat wij deze eigenschap ook moeten tentoonspreiden in de omgang met andere mensen. Onze wijzen, citerend G’D: “Zo lang als Mijn kinderen zich conformeren met deze orde ( van gebeden), zullen zij niet met lege handen weggaan.”{ Dit is een referentie naar het zeggen van de 13 eigenschappen van G’D welke Hij leerde aan Mozes, in antwoord op diens vraag hoe hij Zijn woede tot bedaren kon brengen.}
Wij allen weten dat hoeveel keer we de dertien eigenschappen van G’D ook zeggen, niets schijnt te gebeuren en dat onze zonden niet lijken te verdwijnen.
Dit komt door dat we niet genoeg aandacht besteden aan de formulering van de belofte. De wijzen spreken over dat G’D verlangt, dat we de dertien eigenschappen van G’D in praktijk brengen en niet alleen maar opzeggen in een confessionele zin. ( Alshiech en Tztor Hamor op Exodus 34,6 )
Het vervullen van dit Thoragedeelte, “en je zult in Zijn wegen gaan” is een blauwdruk voor onze relatie met G’D en zal ons kwalificeren tot een merkawa, een drager van G’D’s aanwezigheid in deze wereld. De Mens, zoals hij in origine was geschapen, was per slot van rekening een reflectie van G’D in deze wereld. Wie kon beter gekwalificeerd worden als de merkawa?

Het doel van de mens is om zijn gelijkenis met G’D te perfectioneren. Dit heeft als gevolg dat hij zelfs die aspecten van zijn lichaam welke van nature meer werelds zijn, moet verheffen naar een niveau van “profane aangelegenheden behandelen alsof restricties van heilige aangelegenheden op hen van toepassing zijn.” Dit houdt ook in, de handeling van seksuele harmonie met zijn vrouw. Op het eerste gezicht lijkt de drang naar geslachtsgemeenschap verlagend, een reflectie van de dominante fysieke impulsen over onze spirituele impulsen. Dit kan worden overwonnen wanneer de man voor het aangaan van de huwelijkse relatie met zijn vrouw, zichzelf heiligt. Wanneer hij dit doet, spiegelt hij zichzelf niet alleen aan het G’ddelijke, maar de kinderen die uit zo’n fysieke/spirituele harmonie geboren worden, reflecteren de démoet hashem, de gestalte van G’D in intensieve mate. We hebben al eerder in een andere passage opgemerkt dat er drie partners zijn betrokken in het scheppen van nieuw leven, G’D zei namelijk: “Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis” (Genesis. 1,26). Dit refereert naar G’d’s participatie in het scheppen van elk menselijk wezen, van de eerste af.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie