PARASHAT KEDOSHIEM

Heilig (Leviticus 19:1 – 20:27)

Een van de meest bekende en meest aangehaalde verzen uit de Bijbel luidt: “Bemin je naaste als jezelf” (Lev. 19, 18). Doorgaans wordt het vers uit zijn context gelicht. Het is ook niet zonder problemen wanneer je het van naderbij bekijkt.

Toen tweeduizend jaar geleden een niet-jood bij de Jeruzalemse Rabbijn Hillel kwam, en hem vroeg om hem te onderrichten in het jodendom “staande op één voet” – (naar mijn weten deed hij niet aan acrobatie; hij wilde hoogst waarschijnlijk onderricht worden in het hele jodendom, staande “op één voet”, d.i. op basis van het ene verenigende principe) – gaf Hillel als antwoord het liefdesgebod, negatief geformuleerd: “doe niet aan anderen wat gij niet wilt dat aan uzelf wordt aangedaan” (Babylonische Talmoed, shabbat 31a). Waarom veranderde de grote rabbijn het gebod van het positieve in het negatieve? Was het zijn bedoeling om de problematiek van het boven aangehaalde vers te behandelen, wat de Rabbijnen en commentatoren door de eeuwen heen probeerden te doen?

Ongeveer honderd jaar na Hillel gaf Rabbi Akiva, wellicht de grootste rabbijn van alle generaties, een echo van de woorden van Hillel, toen hij stelde (ditmaal niet voor een ongeduldige buitenstaander maar voor intern gebruik) dat “heb je naaste lief als jezelf” de “grootste regel” is, “het alomvattende principe”, of als je wil “de totaliteit” (klal gadol) van de hele Thora (Jeruzalemse Talmoed, Nedariem 9, 4).

Een andere Rabbijn, Ben Azai, een tijdgenoot van Rabbi Akiva, argumenteerde dat er een ander Bijbels gezegde was dat dat van Akiva overtrof. In Ben Azai's opvatting ligt de “grote regel” in de verzen “Dit is het boek van de generaties van Adam: In de tijd dat God Adam schiep maakte Hij hem in de beeltenis van God, man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 5, 1-2a). Was Ben Azai het oneens met Rabbi Akiva of wou hij enkel de uitspraak van zijn collega aanvullen of ondersteunen? Zeker is dat Ben Azai het door Rabbi Akiva geciteerde vers niet voldoende bevredigend vond. Waarom?

Dit brengt ons weer tot de problematiek die eigen is aan wat oppervlakkig gezien een heldere uitspraak is. Deze problematiek ligt in de inhoud evenals in de verwoording van de grote regel van de liefde zoals die verschijnt in Thora.

In zijn context maakt de regel deel uit van de vereisten voor de vervulling van het gebod dat hoofdstuk 19 van Leviticus opent: “Gij zult heilig zijn, omdat Ik, de Almachtige uw God, heilig ben”. Heiligheid wordt zoals liefde naar voren gebracht niet als slogan of verheven aspiratie, maar als leidraad voor het dagelijks leven.

Het gebod van de liefde verschijnt achttien verzen na de eerste opdracht bij het begin van het hoofdstuk.

Liefde is niet de aanvang of het onmiddellijke resultaat van het verlangen om heilig te zijn, maar het culminatiepunt volgend op een lange reeks van geboden die in de praktijk van het dagelijkse leven moeten worden uitgevoerd en waardoor liefde mogelijk en werkelijk wordt gemaakt.

Het is inderdaad veel makkelijker om “de hele wereld lief te hebben” dan je buur van-naast-de-deur lief te hebben, waarmee je dagelijks hebt samen te leven. Wanneer liefde verstaan wordt als een diepe emotie zoals het in de Bijbel wordt opgevat (“met heel je hart, met heel je ziel, met al je krachten”, Deut. 5, 5, of “liefde is sterk als de dood; vele wateren kunnen de liefde niet doven”, Hooglied 8, 6-7), hoe kan ze dan via wetgeving geboden worden? Kan het individu controle uitoefenen over zijn emoties? Kan hij ze aanzetten of afsluiten wanneer hij wil?

Deze en dergelijke vragen geven aanleiding tot talrijke interpretaties van de tekst die het grote gebod van de liefde formuleert. Hillels uitleg bij het vers in het negatieve voorschrift om niet te doen aan anderen wat je niet wilt dat men aan jou aandoet is een van die interpretaties die de moeilijkheden van tekst en inhoud in beschouwing neemt. Liefde wordt niet enkel emotioneel uitgedrukt, maar ook in het gedrag. “Zoals jezelf”, zoals je niet gekwetst wil worden door wat anderen je aandoen (en jij kan precies vertellen wat dat is) zo moet je ook niet hetzelfde aan anderen aandoen.

Voor Rabbi Akiva is het “heb je naaste lief” de “grote regel” van de hele Thora, namelijk de bron en het kwalificerende criterium voor alle andere geboden. (Een bekende middeleeuwse autoriteit toont in ziin boek Shni Loechot Ha-Briet – SHILA – meesterlijk aan hoe alle 613 geboden onmiddellijk afgeleid zijn van deze regel.)

Akiva's collega, Ben Azai, is niet tevreden met het kamocha, “als jezelf”: als iemand zichzelf niet liefheeft, moet hij daarom dan ook de anderen niet lieflebben? Hij verkiest een ander vers, waardoor hij de liefde voor de andere baseert op het feit dat alle menselijke wezens geschapen zijn naar het ,”beeld van God”. Liefde voor de ander vindt zijn grond in het feit dat de Almachtige aan elke mens een kostbare uniciteit verleende. “Heb je naaste (of beter, je medemens) lief als jezelf”, omdat hij als jezelf is, geschapen door de Almachtige. Niemand heeft meer “rechten” of privileges dan zijn naaste, benadrukt Ben Azai – of in onderscheid met Rabbi Akiva, wiens “grote regel” slechts van toepassing is op iemands buur of clan, of de reden aangevend van Rabbi Akiva's uitspraak over de liefde voor de medemens als de totaliteit van Thora.

Zelfbehoud en zelfzucht is de natuurlijke neiging van elk levend wezen, mensen inbegrepen. Wie hoorde van het liefhebben van anderen om onbaatzuchtige redenen voordat de Bijbel kwam en ons het gebod van de niet-utilitaire liefde voorhield: liefde voor de Almachtige, de naaste en de vreemde? Altruïstische liefde is een “uitvinding” van Thora.

De reden om onze medemens lief te hebben is niet opdat we bemind zouden worden, maar omwille van het “Ik ben de Almachtige!” De Almachtige zelf is de liefde en mensen verdienen bemind te worden omdat ze geschapen zijn naar Zijn beeltenis; omdat elk menselijk wezen kamocha is, net als jij.Een mens, geen nummer. Een origineel, geen kopie.

Hoe kan liefde geboden worden? Vele commentatoren noteren dat de passage niet verwijst naar emoties. Ze wijzen erop dat in de liefde voor de naaste de grammaticale vorm niet is ve-'ahavta 'et (zoals het is voor de liefde tot de Almachtige), “ge zult Hem liefhebben”, maar ve-'ahavta le-re’acha, wat kan vertaald worden met “Je zal liefdevol zijn tegenover je medemens”, met aandacht voor daden en gedrag eerder dan voor gevoelens. Hillels negatieve formulering wordt in Maimonides' Codex positief geformuleerd: doe aan anderen wat ge wilt dat men jou doet!

De Rabbijnen van de Mishna (de joodse wetscodex) schrijven: laat de bezittingen van anderen even kostbaar zijn voor je als je eigen bezittingen. Zoals je jouw bezittingen niet wil verspild zien, zo moet je andermans goed niet verspillen. Tast de eer van de andere niet aan, wat je ook voor jezelf niet wenst. Pleeg geen inbreuk op de waardigheid van anderen, of op hun recht om er een eigen opinie op na te houden.

Dit is de Thora-bron voor pluralisme welke een fundamenteel Joods concept is.

De mystici van de kabbala die in de zestiende eeuw in Tsfat (Galilea) hun centrum stichtten, voerden een bijzondere meditatie in welke voor elk gebed moest worden gezegd: “Zie ik ben klaar en bereid om het gebod van het liefhebben van je medemens als jezelf te vervullen”.

Pas dan werd men waardig geacht om voor de Almachtige te bidden. Het uit de kabbala ontstane chassidisme, stak de banier van de liefde voor de naaste nog hoger omhoog en maakte het vers tot een van haar voornaamste themata. De Ba'al-Shem-Tov, stichter van het chassidisme, zei: “Ik wou dat ik de vroomste mens kon liefhebben zoals de Almachtige de slechtste mens liefheeft”. Het vergt niet veel inspanning om goede en aardige mensen lief te hebben. De test vo
or de vervulling van het gebod ligt in het liefhebben van hen die in onze ogen niet zo goed en liefhebbenswaardig zijn. “Heb je medemens lief als jezelf”, zoals je jezelf aanvaardt met al je fouten en tekortkomingen, zo moet je ook anderen aanvaarden.

Ietwat humoristisch interpreteert een moderne Rabbijn de passage als volgt: “Heb je medemens lief als jezelf”, dit is als jezelf, in hetzelfde beroep of in dezelfde zaak. Het is makkelijk voor een Rabbijn om een dokter lief te hebben, voor een advocaat om een timmerman lief te hebben. Wat Thora ons meedeelt, is dat we anderen moeten lief hebben die “als ons zelf” zijn, werkend in hetzelfde beroep: een Rabbijn zal een andere Rabbijn liefhebben, een advocaat een andere advocaat, enz. Dit komt niet vanzelf. Hiervoor moet er een gebod zijn, en wij moeten ons inspannen om het te vervullen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie