PARASHAT KEDOSHIEM

Heilig (Leviticus 19:1 – 20:27)

Het begin van dit Thoragedeelte gaat over het thema “kadoeshat hagoef”, het realiseren van de persoonlijke heiliging over het lichaam. Nachmanides (Chavel editie blz. 764), in tegenstelling tot Midrash Rabba, geciteerd door Rashi, ziet dit niet als een separate instructie, maar vat de betekenis zodanig op, dat mensen die voldoen aan de beschrijving van kedoshiem, degene zijn die zichzelf heiligen, niet door zich te onthouden van wat verboden is, maar door zich te onthouden van wat is geoorloofd, elk persoon volgens zijn eigen individuele impuls.
Onze wijzen noemden dit proces (Jevamot 20), “Heilig je zelf door geen aanspraak te maken op iets, waar je in feite recht op hebt.”
Van het bovenstaande kunnen we afleiden, tot een bepaalde extensie, dat elk afzonderlijk individu zijn eigen Thora heeft.
Bij veronderstelling dat elk persoon de zelfde natuurlijke tendens heeft, en dat elke dag of uur of jaar identiek is, zou de Thora in de uitvoering van legistiek, b.v. van wat niet en wat wel mag gegeten worden, hebben geschreven dat: “een bepaalde hoeveelheid van een bepaald voedsel mag geconsumeerd worden, en al het andere niet.” De Thora zou zich op zelfde wijze uitdrukken met betrekking tot wie en hoe vaak het iemand is toegestaan om seksuele omgang te hebben. De Thora zou zeker op de zelfde wijze de bewoordingen vinden van wat mag worden gezegd en van wat mag worden gedacht.
Aangezien het onmogelijk is om deze regulering op zo’n danige wijze vast te stellen, voorziet en houdt de Thora rekening met mogelijkheden van verschillen van karakters en naturen van verschillende mensen.
Elke afzonderlijke persoonlijkheid is uniek, in de dienst aan G’D.
Daarom draagt elke afzonderlijke persoonlijkheid in zich, de algemene instructie: “streef ernaar om heilig te worden!”(19,1).
De betekenis van deze instructie in de Talmoed, om je zelf te heiligen houdt het principe in, geen genoegdoening te hebben van de dingen die zijn toegestaan.
De Talmoed illustreert dit onderwerp door verschillende voorbeelden. In Baba Metzia 83, wordt ons verteld over werkers welke een vat met wijn vervoerden in opdracht van Rabbi bar Chana en dit blijkbaar met opzet hadden gebroken.
Daarop nam de Rabbi enkele kledingstukken als compensatie.
Toen de werkers zich klagend wendden tot Rav (de gezaghebbende autoriteit), verordende deze dat Rabbi bar Chana de kledingstukken moest teruggeven.
Toen Rabbi bar Chana vroeg of dit in overeenstemming was met de wet, antwoordde Rav bevestigend. Hij citeerde Spreuken. 2,20, “Opdat gij wandelt op den weg der goeden.” Toen de werkers opnieuw klaagden tot Rav dat gezien hun armoede zij zich niet het verlies van hun loon konden veroorloven, voor het transport van de vaten wijn, verordende Rav, Rabbi bar Channa om deze werkers hun volle loon uit te betalen. Toen Rabbi bar Chana opnieuw vroeg of dit legaal was, citeerde Rav het tweede gedeelte van het vers, “en houdt de paden der rechtvaardigen” als de bron van zijn uitspraak.
Het is uitermate interessant dat Rav zijn uitspraak niet rechtvaardigt door aan te halen om meer strengheid aan zichzelf op te leggen, dan de wet van je verlangt, maar hij maakt zeer duidelijk met betrekking tot Rabbi bar Chana dat zijn uitspaak het vereiste van de wet zelf was.
Hij beschouwde Rabbi bar Chana op een exceptioneel hoog spiritueel niveau; daarom interpreteerde hij de wet aan Rabbi bar Chana zoals het, ten aanzien van hem, van toepassing is.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie