PARASHAT JITRO

Jitro (Exodus 18:1 – 20:23)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P.67b

Bij het bespreken om het juiste moment te bepalen, dat iemand zijn handen verheft ter hoogte van iemands hoofd of daarboven, leert Rabbi Hezkiya, dat als een persoon dit niet doet in een staat van gebed, zijn tien vingers duiden naar een aanklacht tegen de krachten van de spirituele werelden. Echter, bij gepast gebruik heeft de positie van de handen in gebed, de potentie om de overvloedige G’ddelijke voeding te kanaliseren tot binnen deze Wereld.

Deze tien spirituele bevoegdheden worden verzocht om de zegeningen van Boven te mogen ontvangen en hen naar hier Beneden over te brengen om hij, die zegent, te zegenen.

Deze zegeningen, weergegeven door de tien vingers van de handen, zijn zoals de tien uitspraken bij welke de wereld werd gecreëerd.

Deze tien uitspraken worden eveneens weergegeven in de expansie van 10 letters G’D’s naam die samenkomen tot 45 en Zeir Anpin machtigen. Vanuit dit niveau wordt het vermogen overgedragen in de tien vingers van een persoon die zijn handen verheft in gebed.

Wanneer verheven in gebed, duiden de vingers deze keten van heilige kracht. Dan zijn alle sefirot van de kelipot, die zichzelf hebben gehecht aan de uiteinden van de vingers en dienstbaar gemaakt aan de Heilige Koning.

De plaats waar het lichaam de externe wereld van de kelipot ontmoet en het vaste bodem geeft, zijn de uiteinden van de vingers. De vingers en de tenen zijn de uiterste zetels van de ziel in het hart en hoofd van de mens. De vingernagels, de uiterste rand van onze eigen fysieke wereld, verzamelen het vuil van die wereld. De verbondenheid van dit vuil geeft het verlangen van het niet heilige weer voor het weghouden van het heilige in de spirituele dimensie.

Dit is de esoterische betekenis achter het buigen van de vingers richting de flakkerende vlam van de Havdela kaars bij de ceremonie, duidend het einde van Shabbat en het begin van de “seculaire” week. Op dat moment buigen we de vingernagels richting vlam en kijken naar de reflectie van de vlam op de vingernagels bij het zeggen van de zegen “Boré me’oré ha’ésh” [“Schepper van de lichtbronnen”]. Spiritueel representeert het licht van de kaars de Shechina, en de vingernagels de Kelipa. We kijken naar de vertegenwoordiging van deze krachten en zien de vlam van het heilige in hen gereflecteerd. We buigen deze krachten naar het Heilige, daarbij aangevend dat zij worden weggecijferd voor hun vermogen. We reciteren een zegen over het licht, welke reflecteert in hen en geven daarbij aan dat de mogendheid van het heilige in alles wordt weerspiegeld, zelfs in datgene wat ogenschijnlijk ver weg lijkt te zijn.

Het zelfde concept, dat de vingers de plaats zijn waar de onreine krachten zichzelf aan hechten, ligt achter het idee van het wassen van de handen wanneer men ochtends opstaat. De reinigende kracht van water wordt eerst uitgegoten vanuit de rechterhand over de linkerhand, representerend het vermogen van chesed over gevoera. Dit geeft de verwijdering aan van de overgebleven externe krachten die zichzelf manifesteerden tijdens onze slaap en droom toestand.

Het doordringt ook ons bewustzijn met het idee dat de handen een extensie zijn van onze Heilige Ziel en bereidt hen voor, om in zuiverheid te worden verheven in gebed en smeekbede. [Bewerkt vanuit de RaMaK en Mikdash Melech]

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie