PARASHAT JITRO

Jitro             Exodus. 18:1 – 20:23

 

We zijn allemaal bekeerlingen

 

Het is passend dat de parasha, die spreekt van het Geven van de Thora op de Berg Sinaï, is genoemd naar Jitro, de schoonvader van Mozes, een bekeerling. Inderdaad, al,  die getuigen waren van het Geven van De Thora waren “bekeerlingen”. Dus, zoals becommentarieerd in Parashat Shemot, het Verbond op de Sinai werd vergezeld van drie componenten van bekering: besnijding (Rashi op Exodus. 12:6), rituele onderdompeling in de waters van het Mikwe (Exodus. 19:10) en brandoffers (Exodus. 24:5). Want voor G’D zijn wij allen bekeerlingen, Geriem, “inwoners” in een land en op deze wereld dat niet ons maar G’D’s eigendom is. We zijn allen hier en existeren alleen bij de gratie van G’D, volkomen afhankelijk van Zijn goedheid en begaanheid.

 

Dus niemand kan claimen dat de Thora aan hem behoort door recht van voorvader of andere verdienste. Er is geen ruimte voor hoogmoed, arrogantie of een exclusiviteit. 

 De Thora is geen kaste. Het behoort alleen toe aan degene die zich aan de Thora houdt. De Thora was gegeven in de wildernis, in niemandsland, op de laagste van alle bergen, de Sinaï, het eeuwige symbool van nederigheid. Want alleen door nederigheid kunnen we de Thora “ontvangen” en aanvaarden, die alleen G’D behoort. Het ontvangen van de Thora betekent het beschikken over de nederigheid om te accepteren zoals het is, zoals het neerwaarts is gekomen tot ons, zonder poging tot “afzwakking of wijziging” naar onze eigen ideeën en wensen.

 

En als we bereid zijn de Thora te accepteren en te volgen zoals het is, als we voldoen aan NA’ ASE VE’ NISHMA: we zullen (eerst) DOEN en (dan) HOREN (en het begrijpen)” (Exodus. 24:7), dan kunnen we tot het besef komen, hoe de Thora ons onttrekt aan de slavernij van aardse fysiekheid met zijn vele valse goden. Dan kunnen we de stem van verlossing horen die ons elke dag roept: “Ik ben de Eeuwige, je G’D, die je uit het land Egypte heeft uitgevoerd, uit het slavenhuis. (Exodus. 20:2).

 

Slavernij tot de idolen van deze wereld is onterend. Doch de Thora verleent de grootste eer aan diegenen die de vermetelheid hebben om deze onderworpenheid te verlaten en “uit te gaan in de wildernis” om G’D te zoeken, zoals Jitro. Volgens de traditie, had Jitro in elke voorstelbare wijze van interpretatie van leven in deze wereld geïnvesteerd, elke zienswijze en “levensstijl”. Alleen toen Jitro tot HaShem en Zijn Thora kwam besefte hij waarheid. “Nu weet ik dat HaShem groter en boven alle andere goden is” (Exodus. 18:11). De Zohar becommentarieert: “Toen Jitro kwam en zei,  “Nu weet ik dat HaShem groter en boven alle andere goden is” verkreeg de Suprême Naam glorie en werd verheven” (Zohar, Jitro, 69). Met andere woorden, de revelatie van G’D’s Licht en Kracht krijgt zijn ware grootsheid wanneer het vanuit duisternis en verhulling wordt geopenbaard. Alleen wanneer we duisternis hebben gezien en zijn kracht kennen kunnen we de grootsheid van G’D’s reddende hand zien. Alleen wanneer men een slaaf was begrijpt men wat het betekent om vrij te zijn. Dit is “de superioriteit van het Licht dat komt uit het duister” (Prediker. 2:13).

 

Dus Jitro de bekeerling werd de eer verleend om de parasha, die van het Geven van de Thora beschrijft naar hem te vernoemen, die bijdraagt aan het hiërarchische systeem van “ hoofden van duizenden, hoofden van honderden, hoofden van vijftig en hoofden van tien” door welk de Kinderen van Israël rechtskundig werden geleid. Jitro’s naam bevat en verwijst ook naar een andere bescheiden bekeerling die grote eer werd verleend: Ruth de Moabitische, die de grootmoeder was van Koning David, Melech HaMashiach.

 SHABBAT SHALOM   

 

 

 

 

 

Geef een reactie