PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium. 32:1 – 32:52)

Rabbi Isaiah Horowitz

Shnei Loechot HaBriet

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “verborgene”, “sod“, is 70. Het verwijst naar de zeventig personen, welke de kern vormen van het Joodse Volk, die als eersten afdaalden naar Egypte. Omdat zij in het vers allen tezamen worden aangeduid als één enkel “persoon” (“Nefesh“), hebben zij allen aandeel in de Komende Wereld.

Het is bekend aan Kabbalisten dat de sefira van  bina de mystieke dimensie is van de Komende Wereld, een domein waar G’D en Zijn naam Één zijn en waar een verenigd Volk van Israël samen gehecht zijn aan Hem. Het is alleen het Joodse Volk waarnaar verwezen wordt met de titel “Adam” (“Mens”); bij beschrijving van het scheppen van Adam als G’D’s gelijkenis (Genesis. 1:26), simultaan verwijst de Thora naar het creëren van het Joodse Volk. Wanneer we de respectievelijke betekenis weergeven van de Hebreeuwse woorden “adam (“mens”) en “adama” (“aarde”), moeten wij beschouwen dat het de functie van deze “Adam” is om als voertuig, drager, of nog beter gezegd, als “adama” te dienen (m.a.w aardse manifestatie) van G’D’s Aanwezigheid.

G’D wordt gezien als zittend op een troon, deze troon staat op deze “adama“, m.a.w wordt ondersteund door Adam, het Joodse Volk.

Met als consequentie dat bij elk wangedrag van Israël in onze terrestriale sfeer, de “bodem” waarop de troon staat, wordt ondermijnd.

Op het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig, ken dan grootheid toe aan onze G’D” (Deuteronomium. 32:3) verklaart de Zohar (Sulam editie Ha-Azinoe P. 92):

Rabbi Abba verklaart het als volgt: De woorden “ken grootheid toe”refereert naar gedoela, of de sifira van chesed.
De woorden “De Rots, Zijn werk is volmaakt” (ibid. 32:4) zijn een verwijzing naar de sefira van gevoera. De woorden “want al Zijn wegen zijn Recht” (ibid) zijn een verwijzing naar de sefira van tiferet.
De woorden “Een betrouwbare G’D” (ibid) verwijzen naar de sefira vannetzach, aangezien de woorden “zonder onrecht” (ibid) verwijzen naar de sefira van hod.
De woorden “de Rechtvaardige” (ibid) verwijzen naar de sefira vanyasod, en de woorden “en eerlijk is Hij” verwijzen naar tzedek, een andere naam voor de sefira van malchoet.
Al deze uitdrukkingen tezamen combineren en vormen de naam van G’D. Om die rede zegt Mozes: “Ik zal de naam van G’D proclameren”.

Rabbi Chiya voegt er aan toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba heeft gezegd absoluut juist is. Het feit in ogenschouw nemend dat zo vele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen en kunnen denken in termen van een aantal verschillende machten. Om te voorkomen dat wij zulke fouten zullen maken, gebruikt de Thora kaarblijkbaar overbodige voornaamwoorden wanneer het schrijft “hoe” wat “Hij” betekent, aan het eind van vers vier. Dit voornaamwoord is om te accentueren, ondanks de verschillende eigenschappen, dat zij allen karakteristieken zijn van één en de zelfde G’D. Hij was, Hij is, en Hij zal er altijd zijn. Tot zover de Zohar.

De Thora continueert met het vers: “Tegen Hem misdreven hebben zij [corruptie is niet één van de eigenschapen van G’D], een verkeerd en verdraaid geslacht, in het verderf gestort, zodat ze niet meer Zijn kinderen zijn.” De Thora verklaart hoe Israël bevlekt raakt, juist omdat zij G’D zijn en G’D hen lief heeft. Het enige wat Hij in gedachte heeft is hun welzijn en de behoefte om Zijn goedheid aan hen te tonen, maar Hij wordt weerhouden door krom en afwijkend gedrag van een bepaalde generatie.

Resumerend, telkens wanneer Israël zichzelf gedraagt overeenkomstig de mitswot van G’D, voegen zij kracht en glorie toe aan Zijn gestalte in de Celestische Regionen.

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen omteshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.

“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon directbeïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.

Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, m.a.w deze wereld. (Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6)

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie