PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

De Zohar op 32,3 ( Sullam editie Ha-azinoe pagina 92 ) geeft aan: Wat is de betekenis van het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig?”
Rabbi Shimon antwoordt: “geef glorie aan onze G’D!” Rabbi Abba geeft commentaar (op het vers 32,4) als volgt:
De woorden: “geef glorie” zijn een verwijzing naar gedoela, of de sefira chesed. De woorden: “hatzoer tamiem pa’alo”, “De Rots, Zijn werk volmaakt is,” zijn een verwijzing naar de sefira gewoera.
De woorden: “kie kol derachav mishpat,” “want al Zijn wegen zijn Recht” zijn een verwijzing naar de sefira tiferet.
De woorden: “el emoena,” “een betrouwbare G’D,” verwijst naar de sefira netzach.
De woorden: “één awel,” “zonder onrecht,” verwijst naar de sefira hod.
Het woord: “tzadiek,” “rechtvaardig,” verwijst naar de sefira jasod.
Het woord: “wejashar,” “eerlijk,” verwijst naar tsedek, een andere naam voor de sefira malchoet.
Al deze uitdrukkingen verenigd, vormen de naam van G’D. Dit is waarom Mozes zei: “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig.”

Rabbi Chiya voegt toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba had gezegd zeer passend was.
Gezien het feit dat zovele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen, waardoor men zou kunnen denken in termen van verschillende machten. Om te voorkomen, dat wij zo’n fout zouden kunnen begaan, gebruikt de Thora het ogenschijnlijk oppervlakkige voornaamwoord hoe, aan het eind van vers 4. Dit voornaamwoord is er om te benadrukken dat, ondanks de verschillende eigenschappen, zij allen eigenschappen zijn van één en dezelfde G’D. Hij is, en Hij zal zijn, voor altijd. Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie