PARASHAT HA’AZÍNOE

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

Bij de ingang van Jad va-Shem, de gedenkplaats in Jeruzalem ter herinnering aan de Sho’a, is een gezegde te Iezen van de grote chassidische leermeester Nachman van Bratslav: ,Het geheim van de verlossing ligt in de herinnering”. Thora, in het bijzonder het boek Deuteronomium, waarschuwt ons telkens weer om te herinneren, om niet te vergeten. Ook in zijn laatste woorden, in de poëtische formulering van zijn afscheidsrede, spoort Mozes het volk aan (Deut. 32,7): “Gedenk de dagen van weleer: begrijp de jaren van vervlogen geslachten. Vraag uw vader en hij zal u vertellen, uw ouderen [de grootvaders] en zij zullen u uitleggen”.

Hier komt tot uitdrukking dat het “herinneren” van historische feiten niet voldoende is. Men moet er ook over nadenken om de betekenis ervan te “begrijpen”.

Thora is het niet noodzakelijk eens met de wijsheid van Plutarchus dat “geschiedenis zichzelf herhaalt”. De geschiedenis herhaalt zichzelf niet. Alleen wij herhalen de fouten en verwezenlijkingen van de geschiedenis. Het verleden in herinnering brengen en begrijpen helpt ons om gebeurtenissen op hun eigen betekenis te doorgronden. AI denken we over onszelf als wijze mensen, vindingrijk en technologisch ver gevorderd, toch moeten we ons ervan bewust blijven dat we veel van onze ouders te leren hebben en dat er bij onze grootouders heel wat is dat de moeite waard is om door ons gedeeld te worden.

Lang voordat Alex Haley erin slaagde om de aandacht te vestigen op de “wortels”, waren joden zich scherp bewust van de constructieve fierheid die ze kunnen halen uit de kennis van hun wortels. Deze trots is niet bedoeld om zichzelf belangrijk te weten of om een gevoel van verwaandheid voedsel te geven. Evenmin is deze fierheid bedoeld om meer privileges te krijgen of om de status van de elite van het “blauwe bloed” hoog te houden. Het is integendeel een reden om zich meer verplichtingen en beperkingen op te leggen. Er is een korte, maar zeer betekenisvolle Jiddische uitdrukking die wordt aangehaald bij dergelijke gelegenheden: ’s past nisht, het staat niet voor een persoon van geachte afstamming. “Een afstammeling van x doet iets dergelijks niet”.

De joodse traditie waardeerde een indrukwekkende afstamming, de jichoes, maar was zich tevens bewust van de daaraan verbonden gevaren: van noblesse oblige komt gemakkelijk snoblesse oblige. Dit gebeurt wanneer we vergeten dat wat we doen belangrijker is dan wie we zijn.

Onze voorouders die ons leerden fier te zijn op onze familiale afstamming, herinnerden er ons voortdurend aan dat het beter is de ,eerste te zijn dan de ,laatste” van een geëerde genealogische stamboom. Ouders en grootouders laten ons trots zijn niet alleen doordat we hun portretten aan de muur hangen. We zullen erop toezien dat we hun leiding en waarden in ons opnemen om onze levens beter te maken.

De moderne tijden verhinderen heel wat mensen om nauwe relaties met hun ouders te onderhouden. Wij zijn getuigen van meer dan één verloren generatie in de keten van de traditie. Vraag uw vader en hij zal u vertellen; uw grootouders en zij zullen u “uitleggen”. Als we doen wat Thora ons aanraadt, namelijk “Vraag uw vader”, dan vinden we nogal eens dat wat “hij u zal vertellen” datgene is wat “uw grootvader u zal uitleggen”. Vader kent het joodse leven van grootvaders huis, maar hij heeft niet langer de vereiste know-how om ons uitleg te verschaffen. Daarvoor moeten we ons tot grootvader richten. Men zal echter de gelegenheid scheppen om van “grootvader” te leren, omdat we zelf eens grootvaders zullen zijn. Wat zullen we onze kleinkinderen vertellen en hoe zullen we het hen uitleggen?

Trots zijn en de wortels van je cultuur kennen is niet slechts een hobby of vrijetijdsbesteding, maar een delicate en gesofistikeerde aangelegenheid. Muki Tsur, de kibboets-opvoeder, vertelt ons over een persoon die het belang van de wortels bestudeerde: elke morgen onderzocht deze persoon het plantje, dat hij had geplant, op zijn wortels. Uiteraard groeide het plantje nooit uit tot een boom. Benjamin Disraeli, graaf van Beaconsfield (1804-1881), was een geboren jood en bleef trots op zijn joodse afstamming, al assimileerde zijn familie later. “Ja, ik ben jood”, zei hij honderdvijftig jaar geleden toen een politieke tegenstander hem zijn jood-zijn verweet, “en wanneer de voorouders van de geachte heer brutale wilden waren op een onbekend eiland, waren mijn voorouders priesters in de tempel van Salomon”. Disraeli was niet de enige in zijn tijd om zijn jood-zijn te verdedigen. In zijn Reminiscenses of sixty Years in the National Metropolis (1886) citeert Ben Perley Poore deze repliek van de Amerikaanse senator Yehuda P. Benjamin (1811-1884) op een senator van Duitse afkomst die hem beschimpte jood te zijn: “Mijnheer zal zich herinneren dat, wanneer zijn half-geciviliseerde voorouders in de wouden van Silezië op de wilde beer joegen, mijn voorouders prinsen van de aarde waren.”

Dichter bij onze tijd is het verhaal dat verteld wordt omtrent de bekende Rabbijn Stephan Wise, die op een galadiner naast een pompeuze high-society dame zat die niet lang wachtte om haar buur aan te kondigen dat haar voorouders “de oceaan hadden overgestoken en dat ze landden te Plymouth Rock”. Wise drukte beleefd zijn bewondering uit voor de afstamming van de dame, en voegde er kalm aan toe: “En mijn voorouders, beste mevrouw, trokken de Rode Zee door en landden bij de berg Sinaï.”

Het is de grootste tragedie, zo zegt de chassidische meester Aharon van Karlin, wanneer de prins vergeet dat hij prins is. Fier zijn op zijn wortels is een tweesnijdend zwaard. Wanneer we er ons enkel op beroemen, wordt het contraproductief. Thora spoort ons aan niet enkel de wortels van het verleden te “herinneren”, maar – en dat is belangrijker – deze wortels te “begrijpen”.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie