PARASHAT ÉKEV

Als gevolg (Deuteronomium 7:12 – 11:25)

“Want de Almachtige is jullie G`D, dat is de G`D der goden en de Heer der heren, de grootste, de grote machtige, de ontzagwekkende G`D, die niemand naar de ogen ziet en die zich niet laat omkopen” (Deut. 10, 17). Onmiddellijk na deze schildering van G`D`s grootheid volgt echter (in v. 18) dat de Almachtige diegene is ,die recht doet aan weduwen en wezen en die aan vreemdelingen Zijn goedheid bewijst door hen voedsel en kleding te schenken”. De grote en machtige G`D is niet te groot en te druk om zich bezig te houden met de kleine mens, zelfs met de verschoppelingen en de marginalen van de maatschappij. Hij vraagt dat we hetzelfde zouden doen: “ook gij moet de vreemdeling uw liefde bewijzen, want zelf zijt ge vreemdelingen geweest in Egypte” (Deut. 10, 19).

Volgens de Talmoed (Baba Metsia 59b) komt het gebod om de vreemdeling lief te hebben en hem rechtvaardig en mededogend te behandelen niet minder voor dan zesendertig maal, sommigen zeggen twee en veertig maal. Het feit dat dit gebod zo vaak wordt herhaald, leert ons tweeërlei: ten eerste dat het van het opperste belang is vanuit bijbels perspectief en vervolgens dat het hoogstwaarschijnlijk gaat om een verwaarloosd gebied of iets dat men geneigd is te vergeten, over het hoofd te zien of er allerlei uitleggingen voor te vinden teneinde er niet op in te moeten gaan. De Thora herhaalt telkens en telkens weer: weet dat je de vreemdeling niet verkeerd mag behandelen binnen je poorten; je kan dit onderwerp niet zomaar opzij zetten.

De reden welke de Bijbel aanhaalt om de bijzondere bezorgdheid voor de vreemdeling te motiveren luidt: “Omdat jullie zelf vreemdelingen geweest zijn in Egypte”. Op welke wijze wordt iemand die zelf geleden heeft verplicht om anderen te ontzien in een dergelijke situatie? Wij weten integendeel dat lijden soms het omgekeerde effect heeft. Het kan iemand hard maken en gevoelloos voor het lijden van anderen.

Daarenboven is er nog het element van de slaaf die koning wordt, een van de meest misprezen personen in de Bijbel (Spr. 30, 22) en in het leven. Wat is dan de reden dat de Thora ons telkens weer waarschuwt om de vreemdeling goed te behandelen met het motief dat wij ook eens vreemdelingen waren?

Joodse commentaren door alle eeuwen bieden diverse antwoorden op bovengestelde vraag. Laten we sommige van deze antwoorden in ogenschouw nemen.

De Bijbel zelf biedt op sommige plaatsen een dieper inzicht in de reden dat we zelf vreemdelingen geweest zijn als reden om andere vreemdelingen goed te behandelen. Neem bijvoorbeeld Ex. 23,9: “Gij moet vreemdelingen niet slecht behandelen, ge weet immers hoe een vreemdeling zich voelt omdat ge zelf als vreemdelingen in Egypte gewoond hebt”. Wanneer de Thora hier waarschuwt tegen verdrukking van of het uitoefenen van druk op de vreemdeling, voegt ze naast het gewone argument “omdat ge zelf vreemdelingen waart” ook de woorden toe: “want ge weet hoe een vreemdeling zich voelt”. Je wordt verwacht om medelijden te tonen ten aanzien van de vreemdeling vanuit empathie die stamt uit je persoonlijke ervaring. Rashi (rabbi Shlomo Jitschak 1040-1105), de klassieke Thora-uitlegger, voegt er in zijn bekende bondige stijl aan toe: “Ge kent het hart van de vreemdeling – ge weet hoe moeilijk het voor hem is wanneer hij wordt verdrukt”. Het is uiteraard niet toegelaten om wie dan ook onder druk te zetten, maar uit eigen ervaring zou men moeten weten hoe hard het is voor de vreemdeling als hij onder druk wordt gezet. Wat voor anderen “normaal” zou kunnen zijn, schijnt de vreemdeling toe als verdrukkend en pijnlijk. Het is niet voldoende om de vreemdeling op dezelfde wijze te behandelen als andere burgers. Men moet terugblikken op het eigen verleden en bijzondere aandacht schenken aan de vreemdeling omdat hij gevoelig is en uiterst kwetsbaar.

Avraham Ibn Ezra (1093-1167), de bekende Hebreeuwse dichter en Bijbel-commentator, wijst erop dat de vreemdeling gewoonlijk verschijnt in gezelschap van de weduwe en de wees, als we worden gewaarschuwd tegen het verkeerd behandelen van hen die in de gemeenschap zonder hulp zijn, zonder verdediging en zonder stem. Vreemdeling, weduwe en wees vragen vaak om hulp, maar er is niemand die hen hoort. Zo lijkt het tenminste voor de buitenstaander. Hun stem gaat echter niet verloren. “Want als ge hen te kort doet, en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen”(Ex. 22, 22).

“Het is verkeerd te denken dat de in ellende verkerende mens alleen staat. Zijn kreet gaat niet verloren. Hij is niet alleen, want de Almachtige is met hem. De Almachtige hoort hem en antwoordt hem. Dit blijkt ook uit het vers Jullie waren vreemdelingen in het land Egypte. Jullie gingen niet verloren, want de Almachtige hoorde en redde jullie. Behandel dus de vreemdeling goed, want zijn stem wordt gehoord net zoals jullie stem werd gehoord. Ibn Ezra wijst ook op de stilistische verandering in het gebod tegen de verkeerde behandeling van machtelozen” (Ex. 22, 2); er is een overgang van enkelvoud naar meervoud. Dit leert ons dat wanneer iemand getuige is van de verdrukking van de vreemdeling of de arme, of wanneer hij ervan weet heeft en het stil houdt, hij dan door dat stilzwijgen medeplichtig wordt aan de misdaad, zelfs al helpt hij er niet actief aan mee. Ook deze persoon zal gestraft worden met de verdrukkers. Ibn Ezra is meer extreem dan de bekende moralist rabbi Avraham Jehoshoea Heschel wanneer hij zei “dat in een vrije gemeenschap sommigen schuldig zijn, maar allen verantwoordelijk”.Nachmanides (Ramban – rabbi Moshe ben Nachman, 1194-1270) heeft een eigen uitleg bij het argument “omdat jullie vreemdelingen waren in het land Egypte”. Waarom, aldus Ramban, denkt iemand dat hij de vreemdeling mag discrimineren of onderdrukken? Omdat hij weet dat hij over macht beschikt die de vreemdeling niet heeft. De Thora brengt ons in herinnering dat we in onze eigen geschiedenis meer dan eens meemaakten hoe situaties kunnen veranderen. Wie eens machteloos was, verkreeg plots macht. Bewijs: eens waren jullie vreemdelingen in Egypte en wie zijn jullie nu? Daarom is het niet enkel edel om de vreemdeling rechtvaardig te behandelen, het is ook wenselijk vanuit louter politiek-pragmatisch standpunt. De juiste behandeling van de vreemdeling waarover de Bijbel het heeft, blijft niet enkel in het domein van hoogverheven idealen of lippendienst aan de mensenrechten in het algemeen. In concrete bewoordingen wordt hier telkens en telkens weer over gesproken.

Het moet uitgedrukt worden in gelijkheid voor de wet (Lev. 24, 16), in gelijke werkvoorwaarden en gelijk loon voor arbeid (Deut. 24,14), in gelijk recht op steun (Lev. 25, 35), en voor alles in respekt en liefde. De laatste verplichting – de vreemdeling liefde toedragen – is de moeilijkste, daarom wordt ze ook verschillende malen herhaald, tot ze haar hoogtepunt bereikt in de heiligheidswet (Lev. 19,34): “Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren Israëliet. Gij moet hen liefhebben als uzelf want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Almachtige jullie G`D”. Heb hem lief zoals jezelf zou heel goed kunnen betekenen omdat hij is zoals wij. Hij is een menselijk wezen met gevoelens en het recht om waardig te leven. De slotzin “Ik ben de Almachtige jullie G`D” staat in het meervoud: ‘ANI HA-SHEM ‘ELOHEKHEM. Waarom? Rashi zegt: Ik ben jouw G`D Ik ben evengoed zijn G`D. In de woorden van Heschel: “De Almachtige is Vader van alle mensen of van niemand”.

SHABBAT SHALOM.

Geef een reactie