PARASHAT ÉKEV

Als gevolg (Deuteronomium 7:12 – 11:25)

Kan de mens G’D zegenen?

In Deut. 8:10 ontmoeten we voor het eerst de verplichting van de mens G’D te zegenen. Tot dusver was het alleen G’D die zegende: de mens, de Shabbat, de Aartsvaders, het Volk. Velen achten het ongerijmd dat de mens G’D zegenen kan en vertalen de woorden waarmee de berachot beginnen met ‘Gezegend Gij’, Heer onze G’D’, maar met ‘geloofd’, of ‘geprezen’, ook al wordt daarbij’ hetzelfde werkwoord gebezigd. Rabbijn S. R. Hirsch zaliger acht dit een overdreven bescheidenheid: ‘Wanneer G’D de vervulling van Zijn wil afhankelijk stelt van de vrije keuze van de mens, zegt Hij in feite: Zegen Me, bevorder Mijn bedoelingen, vervul Mijn wensen, realiseer Mijn plan, zegen Mijn werk, waarvan ik de voltooiing op aarde in jullie handen heb gelegd. En wanneer Joden zeggen baroech ata [‘gezegend Gij’] geven ze Hem te kennen al hun krachten te willen wijden aan de vervulling van Zijn plan. Zo bezien drukt baroech ata de grondgedachte uit die in het Joodse leven tot werkelijkheid moet worden gebracht’ De hele Thora leert ons niet anders dan dát we Hem kunnen zegenen en hóe we dat moeten doen. De vertaling ‘geloofd’ of ‘gedankt’ verduistert de werkelijke bedoeling.’ In het Nederlands kunnen we de bedoeling van het woord ‘zegenen’ weergeven met ‘beamen’: G’D en mens beamen elkaar; ouders die hun kinderen zegenen, beamen hun betekenis en hun onmisbaarheid.

De mens moet G’D evenzeer zegenen voor het goede als voor het slechte. Want er staat (Deut. 6:4): ‘Je moet liefhebben de Eeuwige je G’D met heel je hart, heel je ziel en heel je vermogen’. Met heel je hart wil zeggen: met beide aandriften [zowel de op de hemel gerichte aandrift, als de op aardse zaken gerichte aandrift; men ontleent dit aan het feit dat het woord hart – hebr. lev – hier met dubbele v wordt gespeld: levav]. De gemara in de Talmoed Jeroesjalmi gaat in op het feit dat er niet alleen staat je moet de Eeuwige liefhebben, maar ook Hem te vrezen (bv. 10:12): Hoe kan dit? Handel hetzij uit liefde, hetzij uit vrees. Handel je uit liefde en je komt er toe te haten, herinner je dan dat je Hem liefhebt, en wie liefheeft kan niet haten. Handel je uit vrees, en je komt ertoe in opstand te komen, herinner je dan dat je Hem vreest, en wie Hem vreest komt niet in opstand. (-) Een wijze kan vrezen als Job en liefhebben als Awraham, maar het dierbaarst van allen is de wijze die liefheeft als Awraham, want Awraham maakte zijn op de aarde gerichte aandrift tot een op de hemel gerichte aandrift.

Hoewel in deze tekst de liefde en de vrees voor G’D aanvankelijk als twee kanten van dezelfde zaak worden gezien (zoals ook de Thora ze ziet, evenals Ben Sira en de literatuur tot de 2e eeuw) blijkt uit de laatste zin- een lichte voorkeur voor de liefde. In de Talmoedische literatuur vinden we deze voorkeur op tal van plaatsen.

Ter afsluiting de uitspraak ‘Wie van deze wereld iets geniet zonder een beracha te zeggen, is als iemand die geniet wat hem niet toekomt’. In Talmoed Bavli Berachot 35a (onderaan) preciseert Rabbi Jehoeda: Hij eet van wat alleen de Eeuwige toekomt, zoals er staat (Ps. 24:1): Aan de Eeuwige hoort de aarde, en al haar volheid. Waarbij Rabbi Levi aantekent: ‘Er staat inderdaad Aan de Eeuwige hoort de aarde en al haar volheid, maar er staat ook (Ps. 115:16): De hemel is de hemel van de Eeuwige, maar de mensenkinderen gaf Hij de aarde. De eerste zin geldt vóór de beracha is gezegd, de tweede nadát ze is gezegd.’ Dank zij de beracha heeft de mens deel aan de aarde, zonder zijn band met de hemel te verliezen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie