PARASHAT ÉKEV

 

Als gevolg                Deuteronomium. 7:12 – 11:25

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Sefer HaLikoetiem en Likoetei Thora

 

Geschriften van de Ari

 

Volledig Gebod

In parashat Ékev draagt Mozes het Joodse Volk op, “Hun afgodsbeelden moet je in het vuur verbranden….Breng zoiets gruwelijks niet bij je in huis opdat je niet op de zelfde wijze een gruwel wordt. Beschouw het als iets afschuwelijks en als iets gruwelijks. Zorg ervoor dat jullie heel het gebod dat ik jullie heden opdraag nauwgezet nakomen opdat jullie zult leven, talrijk zult worden en het land zult kunnen binnentrekken en erven, dat de Eeuwige jullie voorouders onder ede heeft beloofd. Denk dan aan heel de weg die de Eeuwige, G’D, je deze afgelopen veertig jaar in de woestijn heeft laten gaan om, door je door ontberingen op de proef te stellen, te weten te komen of het wel je hartenwens is je aan Zijn geboden te houden of niet. Hij legde je ontberingen op door je te laten hongerlijden en gaf je het Manna te eten dat je niet kende en dat ook je voorouders niet gekend hebben, om je duidelijk te maken dat de mens niet alleen maar door brood in leven kan blijven, maar dat door elk woord dat voortkomt uit G’D’s mond de mens kan blijven leven……” (Deuteronomium. 7:25 – 8:3)

De Arizal merkt op dat de Schrift “Zorg ervoor dat jullie heel het gebod” zegt in het enkelvoud, in plaats van “al de geboden” zoals we zouden verwachten.

We kunnen [deze discrepantie] ook als volgt verklaren:

Alles in de wereld bezit een levenskracht en net zoals een mens is geschapen met een lichaam en ziel, zo ook alle andere dingen [bezitten een lichaam en een “ziel”, met andere woorden, levenskracht].

[In deze sfeer], bezit de Thora ook een lichaam en een ziel. Het lichaam [met andere woorden, het wettelijke aspect van de Thora] handelt als haar kledingstuk en er wordt door onze Wijzen aan gerefereerd als “de lichamen [de wetten] van de Thora”.

Er is ook een innerlijke dimensie van de Thora, die haar ziel is.

Dit is de reden waarom de engelen zeiden, “Plaats Uw glorie over de hemelen,”(Psalm 8:2) want [zoals Mozes argumenteerde], waarvoor hebben zij het lichaam van de Thora nodig? Zij kennen geen jaloezie of haat en de wetten “je zult niet moorden” en dergelijke zijn niet van toepassing op hen. Dus eisten zij [van G’D] de innerlijke dimensie, welke nooit was gekleed in dit lichaam en deze wetten. Want aangezien het hoger is [dan het lichaam van de Thora], heeft het geen behoefte om er in te worden gekleed.

Dit verwijst naar de Midrash beschrijving toen Mozes opsteeg naar de hemel om de Thora te ontvangen van G’D en de engelen protesteerden, door te zeggen, “Wat is de mens dat U aan hem zou denken of de zoon van de mens {Mozes] dat U Zich om hen bekommert?”(Ibid., v5) Betekenend, de Thora is zo subliem en spiritueel, waarom zou U het aan een sterveling geven? Liever, “Houd Uw Glorie [de Thora] in de hemel.” G’D wendde Zich tot Mozes, en zei tot hem dat hij de engelen moest antwoorden en Mozes reageerde met de opmerking dat de Thora vol is met geboden en morele instructies die niet van toepassing zijn op engelen.

Hier zegt de Arizal dat de engelen, om zo te zeggen, zich dit compleet bewust waren en het enige dat zij vroegen was dat de innerlijke dimensie van Thora, de Kabbala, in de hemel zou blijven, aangezien het de werking van hemel beschrijft en niet op een fysieke wijze kan worden begrepen. Laat de wetten van toepassing zijn op de mens, zeiden zij, gegeven aan de mens, maar laat de ziel van de Thora bij ons blijven.

Het feit dat Mozes hun argumentatie overtrof indiceert dat de mensheid de innerlijke dimensie ook nodig heeft om zijn fysieke aard te kunnen overwinnen.

Net zoals de ziel van een mens het nodig heeft om te worden gekleed in een fysiek lichaam enkel om in deze wereld te kunnen neerdalen, zo is het eveneens met de Thora.

De innerlijke spirituele dimensie van de Thora draagt de kleding van de wetten om toepasselijk te kunnen zijn voor Deze Wereld.

Evenzo, de geboden bezitten een lichaam die hun fysieke verschijningsvorm is en een ziel, de intenties [kavanot] waarmee iemand mediteert om die gepast uit voeren. Als de geboden [mitzwot] zijn uitgevoerd zonder de vereiste intentie, is het als een lichaam zonder ziel.

Daarom zegt [de Schrift], “Heel het gebod [enkelvoud] dat Ik jullie heden opdraag moeten jullie nauwgezetna komen,” betekenend: “doe heel het gebod”, inclusief zijn innerlijke intentie en levenskracht. [Het vers continueert:] “opdat je zult leven.” Dit is [een voorbeeld van G’D’s methode van compensatie] met andere woorden, wederkerige honorering: juist zoals jij een mitzwa uitvoert met zijn levenskracht en vitaliteit, zo zal je worden voorzien in Deze Wereld in de verdienste van zijn lichaam [met andere woorden, fysieke uitvoering en in de Komende wereld in de verdienste van zijn levenskracht [innerlijk intenties]. Je zult dus worden beloond met leven zowel in Deze Wereld als met leven in de Komende Wereld. Daarom is er geschreven, “opdat je zult leven” refererend aan compleet leven, in Deze Wereld en in de Komende Wereld.

De voeding die iemand tot zich neemt bezit ook een innerlijke levenskracht,

dat zijn de woorden die voortkomen vanuit G’D’s mond toen de wereld werd geschapen, toe Hij zei, “Laat de aarde zo en zo voortbrengen. “Adem” is een ware realiteit, net zoals wanneer iemand spreekt brengt hij lucht, adem voort van zijn mond en die adem is een deel van zijn levenskracht. Het bewijs is, dat  na de ziel het lichaam verlaten heeft [bij de dood], er geen adem, lucht noch spraak voortduurt. Dus de adem, lucht die voortkomt van zijn mond wanneer hij spreekt maakt deel uit van zijn ziel.

Als adem alleen maar fysiek zou zijn er geen reden waarom het niet zou voort bestaan in het lichaam na de dood.

Om die reden is ons opgelegd geen loze woorden te spreken, want door dit te doen verspilt iemand delen van zijn ziel. En zo heb ik gehoord van een wijze, Rabbi Shimon Turno, in gezegende nagedachtenis, in zijn leerrede op het vers, “Hij zal niet zijn woord profaneren [Hebreeuws, yacheil], hij zal niet handelen in overeenstemming met alles wat voortkomt uit zijn mond” (Numeri. 30:3): Iemand zal niet zijn spraak banaal maken,  [Hebreeuws, chulien] want overeenkomstig aan de dingen en zaken van zijn mond zo zal hij worden, voor zowel goed als slecht. Bovendien creëert hij beschermende of aanklagende engelen [door zijn spraak].

Het woord voor “profaan” in de zin van “schenden“, is gerelateerd aan het woord voor “banaal”. Beide delen het idee van “beroven van intrinsieke heiligheid”. Want het doel van de homilie, het woord voor “hij zal handelen” [Hebreeuws “ya’ase“] wordt gelezen als de passieve/lijdende vorm “hij zal worden” [“yei-ase].

Als dit het geval is met de adem van iemands spraak, zo veel te meer is het waar van de adem die voortkomt van de mond van G’d. In dit verband is geschreven, “En heel het Volk zag de stem”(Exodus. 20:15), zij zagen wat normaal werd gehoord. (Mechilta, Bachodesh 9) Zij zagen G’D’s spraak zoals het kwam en hen op de mond kuste en zei, “Accepteer Mij op je zelf.” Dus zagen zij G’D’s spraak min of meer in de verschijning van een engel.

Zo was het met betrekking tot G’D’s spraak toen de wereld werd geschapen: elke uiting die een entiteit binnentreedt [het creëert] om te dienen als een innerlijke levenskracht en het doet groeien.

Dus binnenin het voedsel dat een persoon eet, is zowel een onderdeel dat het lichaam voedt en de innerlijke levenskracht die een deel wordt van iemands ziel.

Dit brengt ons tot de volgende vraag:

Hoe is het mogelijk dat fysiek brood iemands ziel kan voeden, die spiritueel is?

Als iemand zich onthoudt van het eten van brood of enig ander voedsel voor enige dagen, zal hij sterven of verhongeren en zijn ziel zal hem verlaten, maar eet hij brood zal hij leven. Hoe kan het brood de spirituele ziel [in het lichaam] vasthouden?

Vanwege deze vraag, poneren bepaalde filosofen de stelling dat de ziel niet verder leeft [na de dood] en dat wanneer het lichaam sterft de ziel dat ook doet. [Zij argumenteren:] omdat het wordt gevoed door iets fysieks, moet het ook fysiek zijn.

Dit is niet het geval, G’D verhoede, want wat zij niet weten is, wat we [boven], hebben gezegd namelijk, dat er een levenskracht is binnenin het voedsel, die zijn spirituele dimensie is en dit spirituele aspect [van het voedsel] stimuleert het spirituele aspect, de levenskracht van de mens.

Dit is de betekenis van het vers: “en Hij gaf je het manna te eten…” spiritueel voedsel, …”om je te leren” dat het enige dat werkelijk [de ziel van] iemand voedt, is het spirituele aspect [van het voedsel]. Zoals het vers continueert: maar    ..” dat de mens niet alleen maar door brood in leven kan blijven, maar dat door elk woord dat voortkomt uit G’D’s mond de mens kan blijven leven…” Betekenend: de woorden die voortkomen uit de mond van G’D toen de wereld werd gecreëerd om alles voort te brengen van de aarde, maakt van elke vorm van voedsel deel uit en is wat iemand voedt en stimuleert [met andere woorden, zijn ziel].

Manna wordt als spiritueel voedsel beschouwd, alhoewel het wordt verondersteld fysiek te zijn, omdat het elke dag neerdaalde vanuit de hemel. De zegen die het Joodse Volk zei voor het eten was, “die brood voortbrengt vanuit de hemel.”

Dit is de reden waarom we zegeningen moeten reciteren voor het eten van voedsel, want door het reciteren activeren we de [spirituele] levenskracht [inherent in het voedsel].

Zo ook ten opzichte van het doen van mitzwot: de zegen die we zeggen voor het doen van een mitzwa dient om de levenskracht er in te activeren.

Vandaar dat in elk gebod gedachte, spraak en actie is. De intentie is de gedachte, de zegen de spraak en de actie [is de actie]. Daarom refereert de Schrift aan “heel het gebod”, betekenend, het volledige gebod, inclusief zijn intentie, zoals boven verklaard.

Teneinde een persoon niet zal denken dat iemand die niet de innerlijke intentie associeert met het gebod geen aandeel zal hebben in de Komende Wereld, stelt de Schrift daarom, “Denk er aan….[ Hij gaf je het manna te eten].” Gedenk het eten van manna, want Zijn intentie was om je te leren de refutatie van deze veronderstelling: juist zoals het manna spiritueel [voedsel] was, maar desondanks het lichaam kon voeden, die fysiek is, zo zal je weten dat fysiek [voedsel] de ziel kan voeden, omdat dit principe in beide richtingen werk.

Daarom staat er geschreven, “om je te leren dat een mens niet leeft van brood alleen”, dat is, zijn fysieke kant, die “mens” [Hebreeuws “adam”] wordt   genoemd, want de mens is gemaakt van de fysieke materie, van aarde [Hebreeuws, “adama´], “maar in hoge mate door elk woord dat voortkwam van G’D’s mond”, met andere woorden, het manna, wat in het geheel is, want het komt voort uit Zijn mond. Daardoor “zal de mens leven”, betekenend, zijn fysieke kant, zoals boven is verklaard.

Het tegenovergestelde is ook waar: wanneer een persoon eet zonder  eerst een zegen te zeggen en dus zonder het activeren van de [spirituele] levenskracht.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie