PARASHAT ÉKEV

Als gevolg (Deuteronomium 7:12 – 11:25)

De Zohar, op onze parasha, Sullam editie blz. 18, beschrijft de relatie tussen de tien voorschriften die bepalen op welke manier we onze maaltijden moeten consumeren als een zinspeling op de tien emanaties. De tien voorschriften [ gebaseerd op de avondmaaltijd van Shabbat ] bestaan uit: 1) het wassen van onze handen; 2) het bereiden van twee hele broden; 3) het eten van drie maaltijden; 4) het aansteken van een kaars op de tafel, symboliserend de kandelaar in de Tempel welke naast de tafel met de toonbroden stond; 5) de zegeningen van wajechaloe over wijn (Kidoesh); 6) het spreken over Thora tijdens de maaltijd; 7) het garanderen dat behoeftige mensen zijn geïnviteerd tijdens de maaltijd; 8) het wassen van iemands handen voorafgaand aan de dankzegging na de maaltijd; 9) de dankzegging na de maaltijd; 10) het drinken van de wijn waarover de dankzegging na de maaltijd is uitgesproken.
Het is belangrijk om te weten dat ons “eten” een vervanging is voor de offers, en onze “tafel” een vervanging voor het altaar. De bovenliggende gedachte is om te onthouden, dat de offerdienst een expressie was van ons ontzag en eerbied voor G’D.
De Zohar verklaart het wezen van jirat Hashem, ontzag, (godvrezend,) in zijn commentaar op Parashat Bereshiet (Sullam editie blz 185, volume 1).
Hij zegt dat het hoofdelement van jirá is, dat de mens de Schepper van het universum, die zijn Meester is, moet vrezen, waarbij vergeleken iedereen en alles geheel onbeduidend is. De mens moet zijn verlangen concentreren in een plaats genoemd jirat. Deze weinige woorden bevatten een diepe betekenis en vragen om analyse en opheldering. Het verwerven van waar ontzag en eerbied voor G’D is in direct ratio tot iemands absorberen van Thora, en iemands bewustwording van G’D’s grootheid, is het resultaat van het absorberen van de Thora op alle niveaus. Er is geen einddoel in het streven van ontzag en eerbied voor G’D. Wanneer een persoon gelooft, met betrekking tot anderen, dat hij veel inzicht heeft verworven, zowel in de kennis van het fysieke als ook in dat van het Celestische deel van het universum, komt hij tot het besef dat deze inzichten niets zijn in vergelijking met de grandeur van G’D Zelf. De uiteindelijke bron van alle wijsheid is G’D Zelf. Om die reden leert Koning Salomon ons in Spreuken. 22,4: “ekev jirat HaShem anawa” “Het gevolg van bescheidenheid is, vrees voor de Eeuwige.” Wat Koning Salomon bedoelt is, hoe meer vrees en ontzag men verwerft, des te nederiger en bescheiden men wordt. Anders uitgedrukt: Hoe meer inzicht men verwerft over de grootheid van G’D, hoe meer men zich bewust wordt van zijn eigen onbeduidendheid. Hoe geleerder de geleerde wordt, des te nederiger hij wordt.
De meest ultieme wijsheid die wij kunnen vergaren, is het besef dat we heel weinig weten.
We zullen dit later verklaren in relatie met de eigenschappen van G’D, zoals die zijn beschreven in Deut. Vers10,17 als, Ha’l hagadol hagibor wehanora, de grote machtige, ontzagwekkende G’D, eigenschappen die men zich alleen bewust kan worden door aan deze eigenschappen uiting te geven en door ze in acht te nemen.
In het zicht, wat we tot nu toe hebben behandeld, is het zeer begrijpelijk dat Mozes wordt beschreven als, de nederigste en meest bescheiden mens die ooit heeft geleefd, want hij had meer inzichten verworven van de werken van G’D en het universum, op alle niveaus, dan ooit iemand voor en na hem.
Een echt nederig en bescheiden persoon is een indicatie dat deze persoon een hoge mate van inzicht heeft van de grootheid van de Schepper.
Ieder die arrogantie ten toon spreidt, zich superieur opstelt, laat zien hoe oppervlakkig en leeg hij in wezen is.
Na deze uiteenzetting over de rechtschapenheid van nederigheid en bescheidenheid, kunnen we begrijpen waarom G’D, Zijn Aanwezigheid laat rusten op nederige en bescheiden, pretentieloze mensen. Het rust op hen omdat zij de grootst mogelijke kennis en inzicht hebben vergaard, een diepe bewustwording van Hem. Zelfs mensen die niet intellectueel zijn uitgerust om door hun studie bescheiden te worden, m.a.w door het zien van de kloof, tussen wat zij weten en wat zij niet weten, kunnen G’D’s Aanwezigheid ervaren. Als zij arm zijn, leed en verdriet hebben, moeten zij G’D hun vertrouwen schenken. Zij zijn bereidwillig dit te doen dan een rijk persoon, die gelooft dat hij G’D’s hulp niet nodig heeft.
Wanneer Rabbi Jochanan zegt in Megilla 31:” In elke plaats waar je bewijs aantreft van G’D’s grootheid, vind je ook bewijs van Zijn nederigheid,” haalt hij een schriftelijk bewijs aan van de Thora (10,17) en ook uit verzen uit de boeken der Profeten en Hagiografie.
De essentie van ontzag en vrees voor G’D is dus, een bewustzijn van Zijn grootheid.
Aanwijzingen van het begrip jirá vinden wij zowel aan het begin van onze parasha, als aan het einde van onze parasha. Aan het begin is het, het specifieke woord ekev welke hint naar de vrees voor G’D. In het midden van de parasha, (8,12), waarschuwt de Thora ons dat materieel succes in het Heilige Land niet het gevolg mag hebben dat we de Eeuwige, onze G’D vergeten, want Hij is de bron van al onze voorspoed en geluk. Aan het einde van onze parasha, spreekt de Thora over het onderwerp waarmee wij deze paragraaf zijn begonnen (10,12).

WELNU JISRAËL, WAT VRAAGT DE EEUWIGE, JE G’D, ANDERS VAN JE DAN ONTZAG TE HEBBEN VOOR DE EEUWIGE, JE G’D……

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie