PARASHAT DEVARIEM

Woorden (Deuteronomium 1:1 – 3:22)

De Thora bespreekt disputen van financiële aard, niet alleen zeer complexe, maar ook procedures van simpele aard. De Thora verlangt dat eerlijke rechters worden benoemd, dat een rechter zichzelf kan beheersen en niet onbesuisd te werk gaat.
In zaken betreffende de doodstraf staat de Thora niet toe dat één enkele persoon, die een getuigenverklaring aflegt, ook functioneert als rechter, zoals we kunnen afleiden uit Numeri. 35,30.
De reden is dat mensen niet moeten denken dat een rechter een persoonlijk belang kan hebben in de uitkomst van het oordeel van een bepaalde zaak.
Alleen de Eeuwige zelf, die heerst over leven en dood, kan fungeren als getuige en rechter. Deze regel is niet van toepassing op financiële zaken. Alle zaken die betrekking hebben op misdaden waar de doodstraf op staat moeten met uiterste nauwkeurigheid worden behandeld. Het rechtscollege moet uit meer dan twintig rechters bestaan om te kunnen oordelen als “een quorum van tien rechters die “schuldig”stemmen en als een quorum van tien rechters die “onschuldig” stemmen.”
Dit is om de beschuldigde te voorzien van zo veel mogelijk bewijs in zijn voordeel.
De formulering van de Thora geeft aan dat geen oordeel kan worden geveld zolang niet is bewezen dat alle bewijzen, in het voordeel van de beschuldigde, grondig en volledig zijn onderzocht.

De Parashot Matot, Masee en Devariem worden altijd gelezen in de drie weken van rouw culminerend in de vastendag van de Negende Av, de datum van de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel.
De reden dat we de Tempel hebben verloren en in verbanning zijn gestuurd, is, omdat we ons schuldig hebben gemaakt in het overtreden van de Thorawetten die zijn geconstrueerd om onze ziel, lichaam en financiële handelingen te perfectioneren.
Onze geleerden hebben gezegd dat gedurende de eerste Tempelperiode, Israël zondigde door zich in te laten met afgoderij, seksuele losbandigheid en moord. (Jeruzalem Talmoed joma. 1,1)
Sinds de destructie van de Eerste Tempel, is de gedane schade, begaan door deze zonden niet hersteld, zelfs niet door de bouw van de Tweede Tempel.
Daarom zijn vijf zeer belangrijke manifestaties van G’D’s aanwezigheid in de Eerste Tempel [bewijs van een hoogstaand niveau van het Joodse Volk] niet meer aanwezig gedurende de jaren dat de Tweede Tempel functioneerde.
Onze geleerden vonden deze aanwijzing in de onvolledige spelling van het woord “we’achawat” “Ga op de berg, neem hout en bouw opnieuw het Huis; dan zal Ik het bekijken met gunst en Ik zal glorieus zijn” aldus zegt de Eeuwige. Chagia. 1,8 Door het ontbreken van de letter in de spelling van het woord, vertelde de profeet aan Israël dat de Tweede Tempel inferieur zou zijn aan de Eerste Tempel in vijf aspecten (Joma 21). [de letter is ook het cijfer vijf]
De zonde van afgoderij is in wezen een zonde van de ziel; de gedachte dat er andere goden zijn naast G’D, is verboden. Seksuele losbandigheid en perversie zijn uiteraard zonden van het lichaam. In geen enkele andere zonde zijn zo veel ledematen en organen tegelijk betrokken, als bij geslachtsverkeer.
Bij moord zijn ook alle delen van het lichaam betrokken; alle organen en ledematen van het slachtoffer worden onbruikbaar gemaakt. Jeruzalem heeft zich ook daaraan schuldig gemaakt, aangezien de handen van Jeruzalemieten worden beschreven als “ gevuld met bloed “ Jesaja. 1,15.
Deze zelfde generatie heeft zich ook schuldig gemaakt aan monetaire malversaties, zoals Jesaja. 1,23 beschrijft: “ Je leiders zijn opstandelingen, diefjesmaat, allemaal gek op steekpenningen en belust op beloning. “
Het maken van een eed, of het verzaken en het niet respecteren van een eed, heeft ook betrekking op iemands ziel.
De directe oorzaak van Nebuchadnezzar’s aanval op Jeruzalem was, omdat Koning Zedekia zijn plechtige eed had gebroken aan de Koning van Babylonië, om niet te rebelleren tegen zijn heerschappij (Koningen II 25,1).
Daarom wordt weergegeven, over de Oudsten van Zion, dat zij hun hoofden verlaagden tot dicht bij de grond en bestrooiden met stof (Klaagliederen. 2,10).
Eecha Rabba. 2,14 brengt in verband hier mee, dat de leden van het Hoge Gerechtshof in de tijd van Koning Zedekia geëxecuteerd werden als straf voor het overtreden van de door hen gedane eed. Volgens de Midrash werd de eed van loyaliteit afgenomen van het Gouden altaar, m.a.w van het Heiligdom.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie