PARASHAT BO

Kom (Exodus 10:1 – 13:16)

Na zeven plagen en met de achtste op komst, geeft Farao toe aan de druk van zijn hovelingen. Deze hovelingen stellen alles in het werk om toch maar niet bij te dragen aan Mozes' imago. Ze tonen niet de geringste bewondering voor zijn daden. Wanneer ze op Farao een beroep doen om ,iets te doen” vooraleer het te laat is en heel Egypte wordt vernietigd, letten ze er goed op dat ze de naam Mozes niet vermelden.

“Hoe lang moet die man nog een struikelblok voor ons zijn?”, zo zeggen ze voor de monarch (Ex. 10, 7). Uiteraard suggereren ze met dat “die man”, Mozes, politieke en militaire betekenis heeft gekregen. Hij is slechts “een struikelblok”, maar anderzijds waarschuwen ze Farao: “of wilt u Egypte helemaal zien ten onder gaan?”

Farao nodigt Mozes en Aharon uit om tot een overeenkomst te komen. Hij is nu ,in principe” bereid om de Israëlieten de nodige uitreisvisa te geven. Jullie kunnen gaan” zegt hij. “Maar”, zo vraagt hij, “wie gaan er mee?” (Ex. 10, 8).

Hij is bereid om de “boelmakers” te laten gaan, maar ontkent dat er enig ,joods probleem” in Egypte zou bestaan. Farao insinueert dat slechts weinigen van deze historische gelegenheid gebruik zullen maken om voor goed weg te trekken. Wanneer het tijdstip is aangebroken om uit Egypte te trekken – “wie zal er dan meegaan?”

Een andere interpretatie houdt het erop dat het Farao's bedoeling was om Mozes zijn versie van de uittocht voor te leggen.

“Maar wie gaan er mee?” – Ramban (Nachmanides, 1194-1270) legt uit dat volgens Farao de eredienst van de Almachtige een gebeuren is waaraan enkel belangrijke personen deelnemen. Mozes zou dus een lijst moeten opstellen van al de VIP's onder de Israelieten en hij zou er op moeten toezien dat enkel zij tot het gebeuren worden toegelaten die in het bezit zijn van een uitnodiging zoals gebruikelijk was in Egypte bij dergelijke gelegenheden. Door zijn antwoord op de beide bovenvermelde suggesties zet Mozes Farao op zijn plaats: “Wij zullen gaan”, zo antwoordt hij, “met onze kinderen en grijsaards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen, want het is feest van de Almachtige voor ons” (Ex. 10, 9). Deelnemen aan de verering van de God van Israël is niet beperkt tot een uitverkoren elite. Het hele Volk heeft er deel aan. Bij allen leeft het verlangen om uit Egypte weg te trekken.

“Wij gaan met onze kinderen en onze grijsaards, met onze zonen en dochters”. “Met onze kinderen” staat voorop, zelfs voor, onze grijsaards”. Het was blijkbaar Mozes' bedoeling om aan Farao te vertellen “over onze zonen en dochters”, de prachtige jeugd die op wonderbaarlijke wijze was opgegroeid gedurende de jaren van slavernij.

Maar Farao denkt helemaal anders over een religieuze viering. “Neen”, zo zegt hij, “alleen de mannen mogen de Almachtige gaan vereren, daar is het u toch om begonnen?” (v. 11). Hij wil zijn eigen visie opdringen aan de Israëlieten die hij “genadig” toestaat om hun godsdienst te belijden.

“Alleen de mannen mogen gaan!” Farao is de eerste religieuze mannelijke chauvinist (maar niet de laatste!). In zijn macho-visie is er geen plaats voor vrouwen en wellicht ook niet voor bejaarden die thuis moeten blijven. Mozes denkt er helemaal anders over: “wij gaan met onze kinderen en grijsaards, met onze zonen en dochters”.

De onderhandelingen breken af. Farao verhardt in zijn houding. Mozes en Aharon die aanvankelijk waren uitgenodigd voor een verzoenend gesprek, worden nu “uit Farao's tegenwoordigheid verwijderd” (vs. 11).

Dit is echter niet het einde. Na twee plagen worden de onderhandelingen weer hervat (Ex. 10, 24). Farao ontbiedt Mozes en Aharon en zegt: “Trek weg om de Almachtige te vereren. Zelfs uw kinderen moogt ge meenemen. Slechts uw kleinvee en runderen moet ge hier laten”. Mozes wil echter hiervan niet horen: “Ook ons vee moet mee, geen hoef mag hier blijven. Wat wij de Almachtige onze God gaan aanbieden moet uit ons eigen bezit komen en voor wij ter plaatse zijn, weten wij niet hoe we de Almachtige moeten vereren” (v. 26).

Deze laatste woorden die worden geciteerd als een uitspraak van Mozes in een diplomatiek gesprek, brengen terzelfdertijd een diepe theologische waarheid tot uitdrukking. Ze leren ons dat wanneer het gaat om de goddelijke eredienst, we geen pasklare formules moeten verwachten. Waarachtige eredienst voor de Almachtige vereist telkens weer verwondering en ontdekking via pijnlijk falen en lukken, steeds nieuwe beslissingen en geloofssprongen. “We weten niet hoe we de Almachtige zullen vereren, tot we daar zijn aangekomen”.

Rabbi Chaïm van Sandz, een van de grote chassidische meesters, had de gewoonte om zijn leerlingen te oefenen in de wegen van de verering van de Almachtige.

Eens keek hij door het raam van het studiehuis terwijl zijn leerlingen voorbijgingen. “Kom hier”, zo riep hij een van hen, “vertel me, als je bij toeval op Shabbat een buidel vol geld zou aantreffen wat zou je dan doen? Zou je die oprapen?”. “Natuurlijk niet”, haastte de jonge chassied zich om te antwoorden. “Jij dwaas”, sprak de meester en riep meteen een andere leerling: “En jij, wat zou jij doen? Zou jij de buidel oprapen en meenemen?”. “Ja”, antwoordde de jonge chassied, nadat hij de woorden van zijn meester aan zijn vriend had gehoord. “Zondaar!” riep de meester uit en hij riep een derde chassied. “Wat zou jij doen?” vroeg hij.

De derde chassied, die alles had gehoord wat zijn meester aan de twee vorigen had gezegd, antwoordde aarzelend: “lk weet het niet. Wanneer ik de geldbuidel zou vinden, zou ik met mezelf in tweestrijd zijn of ik de buidel zou nemen of niet. Ik hoop dat ik in staat ben om de juiste beslissing te nemen”.

“Eindelijk hebben we het juiste antwoord”, zo richtte Reb Chaím zich tot zijn leerlingen. “Werkelijk, wij weten niet hoe we de Almachtige vereren, tot wij aangekomen zijn.”

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie