PARASHAT BO

Kom (Exodus 10:1 – 13:16)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar II 34a

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling met te zeggen: “Nu is de tijd gekomen om de geheimen te openbaren, die hierboven en hieronder verbinden [de tien Sefirot, de kelipot].

Deze kelipot (letterlijk, schillen, aangevend kwaad en onzuiverheid) hebben hoofdzakelijk hun oorsprong in de heilige realen en komen neer door de werelden van Beriya, Yetzira, en Asiya tot zij het niveau van Farao hebben bereikt. De Hebreeuwse letterspelling van het woord “Pharaoh” kan na herschikking gelezen worden als “Po ra”, wat “Hier is slecht” betekent.

Waarom zegt het vers: ‘Kom naar Farao’ in plaats van “Ga naar Farao?” G’D nam [Mozes] naar kamers waarin zich andere kamers bevonden [door verschillende niveaus van “externe” krachten] tot zij een hemelse krokodil bereikten, vanwaar vele verschillende onzuivere niveaus neerkomen. Wat is dit? De geheimen van de Grote Krokodil.

De Hebreeuwse beschrijving van het woord onzuiver of onrein is “toema”, het drukt het concept uit van “afgesloten zijn”. Dit afgesloten zijn is ongetwijfeld het afgesloten zijn van relatie met de zuivere en heilige bron van het G’ddelijke. Dit niveau van onreinheid is de spirituele bron van de kelipot, wiens rol afsluiten is, zoals een omhulsel of zoals een schil een vrucht afscheidt van de buitenwereld. Mozes was huiverig om besmet te worden door dit niveau van onreinheid. Hij wilde niet direct naderen, dan door de zijrivier van de Nijl, welke een lager spiritueel niveau dan de Nijl zelf had en waar de Grote Krokodil op de loer lag [de Nijl was een Egyptische godheid, zoals Farao]. Hij was bang dicht bij te komen, omdat hij de oorsprong van de hogere bron van spirituele onreinheid kon zien.

Toen de Heilige, Geprezen zij Hij, zag dat Mozes bang was, en dat andere spirituele niveaus werden opgewekt, zei Hij: “Zie Ik kom op je af, Farao, koning van Egypte, jij, Grote Krokodil die daar huist in zijn rivieren, ja, die durft te zeggen: “Mijn rivier is mijn Nijl en ik heb het voor mijzelf gemaakt.” (Ezechiël. 29:3)
De Heilige Geprezene, was genoodzaakt om zelf tot oorlog over te gaan, en geen ander.

Farao als “koning” representeert de bron van spirituele onzuiverheid en als zodanig kon alleen G’D hem bestrijden en overwinnen. Om die reden trof G’D de eerstgeborenen van de Egyptenaren zelf. Hij en niet een engel, Hij en niet een boodschapper.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie