PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan, Exodus 13:17-17:16

“Toen Israël de grote hand van de Almachtige zag……vertrouwden ze de Almachtige en Zijn dienaar Mozes. Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de Almachtige” ( Ex. 14, 31-15, 1 ).

Het is niet altijd waar dat wie ziet, ook vertrouwt. Soms ziet iemand de meest wonderbaarlijke dingen en wordt hij er helemaal niet door bewogen. Het maakte deel uit van het wonder bij de doortocht door de Rode Zee dat de Israëlieten zagen wat er gebeurde en meteen door vertrouwen werden bewogen.

Dit spontane vertrouwen drukte zich uit in het verheven en onsterfelijke Lied van de Zee. Sedertdien zijn zang en lof de meest authentieke taal van vertrouwen. De meeste joodse gebeden zijn geen smeekgebeden of verzoeken, maar hymnen en lofprijzingen. Het lied van de Zee dat Mozes en de Israëlieten zongen maakt thans deel uit van de dagelijkse joodse liturgie.

Niet zingen tot de Almachtige heeft noodlottige gevolgen, maar als men zing tot de Almachtige is dat niet zonder beperkingen.

Bij het vers ” Heel de nacht kwam de een niet bij de ander” ( Ex. 14,20 ) legt Rabbi Jochanan ( Tiberias, derde eeuw ) uit dat toen de dienstengelen hymnen wilden zingen tijdens de door tocht door de zee, de Almachtige hen tot zwijgen bracht met de woorden: “Het werk van Mijn hand verdringt in de zee en jullie zouden liederen zingen?” ( Babylonische Talmoed, Megilla 10a ).

Dit commentaar van Rabbi Jochanan is vaak geciteerd als bewijs van de menselijkheid van de joodse houding ten aanzien van de ergste vijanden.

Toen de Egyptenaren de Israëlieten op de hielen zaten om hen in de zee te drijven, verrichtte de Almachtige een wonder. Hij liet de wielen van hun wagens scheeflopen, zodat ze in het water terecht kwamen, dat weldra wagens en ruiters bedekte. Zelfs toen dit gebeurde, reageerden de Israëlieten niet vanuit een houding van vendetta, maar bekeken ze met leedwezen de schade aan de vijand toegebracht.

Het meeleven met de in het nauw gebrachte vijand werd aangegeven als de reden om niet het volledige Hallel met al de lofprijzingen te zingen gedurende de eerste twee dagen van Pesach. Om dezelfde reden worden op Pesach enige druppels uit de overvolle beker wijn gemorst.

In menige toespraak, bijzonder van liberale en humanistische rabbijnen, wordt Rabbi Jochanan uitleg geprezen. Een andere rabbijn legde er de nadruk op dat de Almachtige geen protest aantekende toen Mozes en de Israëlieten begonnen te zingen bij het zien van de vijand die omkwam in de zee. De opluchting van hun gemoed en hun vreugde waren meer dan gerechtvaardigd en er was geen enkele reden om zich hierover schuldig te voelen. Niet Mozes en de Israëlieten, maar de dienstengelen las de almachtige de les toen dezen hymnen wilden aanheffen.

De dienstengelen hadden de hel van het lijden in Egypte niet meegemaakt. Ze bleven zelfs zingen gedurende al de jaren dat de Israëlieten onder lijden gebukt gingen. Nu de Israëlieten vrij waren en hun vijanden waren verpletterd, wilden de engelen zich bij de zingende Israëlieten voegen, waarop de Almachtige hen verwijtend toesprak: ” Het werk van Mijn hand verdringt in de zee en jullie zingen liederen?” De engelen hadden het recht niet om het lied te zingen, aangezien geen deel hadden aan de doodsangst en het lijden welke aan de doortocht voorafgingen.

De engelen werden derhalve bevolen om hun gezang in te houden.

In een ander geval wordt de afwezigheid van gezang echter sterk bekritiseerd.

Deze kritiek komt van Bar Kapara ( Tsippori, Galilea, derde eeuw ), een tijd en streekgenoot van Rabbi Jochanan. De Almachtige had de bedoeling, aldus Bar Kapara, om Koning Hisqiyahoe als de Meshiach, de uiteindelijke redder van Israël, aan te stellen. Er was echter een ernstige tekortkoming in het verleden van Koning Hisqiyahoe die verhinderde dat hij als Meshiach werd aangesteld.

Toen Koning Hisqiyahoe het grote wonder meemaakte waardoor Israël werd gered uit de hand van Sancheriv, liet hij het na om lofprijzingen en hymnen tot de Almachtige te richten ( Babylonische Talmoed, Sanhedrin 94a ).

Iemand die niet weet hoe hij moet zingen op een ogenblik als dit kan de Meshiach niet zijn.

Koning Hisqiyahoe was inderdaad een groot koning, een van de grootste van de Davidische dynastie. Hij voerde waardevolle religieuze hervormingen door en was een voorbeeldig man van gebed. Met dit alles echter bezat hij een onherstelbare zwakte. Hij kon zelf niet zingen en kon zijn volk in het zingen niet leiden.

De Talmoed ( Sanhedrin 94b ) heeft het over de uitmuntende prestaties van Koning Hisqiyahoe in het domein van de religieuze opvoeding: hij verordende de verplichte studie van de Thora. “Hij plantte een zwaard bij de ingang van het studie huis”, zo verhaalt de Talmoedische traditie, “en vaardigde uit dat een ieder die niet deelneemt aan de studie van de Thora, door een zwaard zal worden omgebracht.”

Koning Hisqiyahoe’s biografie bewijst dat geen enkele wet ter wereld, hoe dwingend ook, de verspreiding van de Thora en haar waarden onder het volk weet te verzekeren zolang als het aantrekkelijke gezang en de poëzie van de Thora afwezig zijn.

Onder de wetgeving van Koning Hisqiyahoe waren er velen die gedwongen werden om te studeren en de Thora te kennen. De Talmoed ( ibid.) vertelt ons dat een verslag uit die tijd aantoonde dat er geen jongen of meisje, man of vrouw van de noordgrens tot de zuidgrens en van de oostgrens tot de westgrens was, die een ignoramus was of die niet bekend was met de reinheidswetten en de wetten omtrent verontreiniging.

Niettegenstaande dit machtige netwerk van Thora was het effect van korte duur en het hele netwerk zelf verdween snel. Meer zelfs, Koning Hisqiyahoe, de grote wetgever die helaas de schoonheid van de Thora niet wist te bezingen, kon niet verzekeren dat zijn eigen zoon in zijn voetsporen zou treden.

Koning Menashe, de zoon van Koning Hisqiyahoe, staat bekend als de meest boosaardige onder de bijbelse koningen.

Geef een reactie