PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan Exodus. 13:17 – 17:16

Rabbi Jitzchak Luria

De geschriften van de Ari, Sefer HaLikoetiem

Toen de Egyptenaren zich realiseerden dat zij werden aangevallen door een bovennatuurlijke kracht aan de Rode zee, zeiden zij, “Vluchten wil ik voor Israël, want G’D [Havayah] strijdt met hen tegen Egypte.” (Exodus.14:25)

Zoals jullie weten ontleent Pharao levensenergie, aan onontwikkelde goddelijk bewustzijn [mochin de’katnoet], hetgeen aangeduid wordt met het woord “Eind”

De woorden, gewoonlijk vertaald als “Rode Zee” (Hebreeuws, “Yam Suf ”), betekenen in feite “Riet Zee”, en kunnen ook gelezen worden, als zij worden gevocaliseerd als “Yam Sof”, wat “Zee van het Einde” betekent. Het “eind” is de laatste sefira, malchoet, welke afdaalt in de lagere werelden, met andere woorden de lagere niveaus van goddelijk bewustzijn. Ten opzichte van zijn plaatselijke omgeving, zijn deze lagere niveaus van bewustzijn “onvolwassen” of “beperkt”.

Dit is de significantie van het feit dat de slang zijn staart in zijn mond stopt.

Pharao is de personificatie van de fundamentele oerslang.

De mond van een persoon zal gepaste woorden van goddelijke wijsheid uiten. Maar wanneer de staart, het laagste niveau van het lichaam, in de mond is geplaatst, wordt de mond misbruikt om woorden van “onvolwassen” en beperkt bewustzijn te uiten, met andere woorden, besef van goddelijkheid alleen zoals het is verwoord in de Schepping en natuur.

Deze verheffing van materieel bewustzijn naar een status die eigenlijk is voorbestemd voor waarachtig goddelijk bewustzijn, met andere woorden, besef van G’D buiten en niet gebonden door de wetten en limitaties van de natuur, is de essentie van de fundamentele oerslang.

In de Zohar III. 205b, wordt de beeldspraak van de slang door het plaatsen van zijn staart in zijn de mond gebruikt om de zonde van “de kwade tong” te illustreren, met andere woorden, laster en roddelpraat, een grof misbruik van de kracht van het spreken. Mensen begaan deze zonde wanneer materieelbewustzijn hen domineert. Zoals wordt uitgelegd in de Tanja (hfst. 32), hen die hun lichamen superioriteit geven over hun zielen, zien alleen de buitenkant van zijn medemens, welke uiterlijke differentiaties zijn en zich niet bewust zijn van innerlijke zielen. Dus vervallen zij tot de daad van afkeer, welke leidt naar lasterpraat.

In dit geval was Pharao beide, een hoofd en een staart, in de idiomatische uitdrukking van het vers, “G’D zal beide, het hoofd en de staart van Israël afsnijden….op één dag.”(Jesaja. 9:14)

Pharao geeft hier in het algemeen, de kwade inclinatie aan, handelend als een staart, het laagste bewustzijn van de mens, als het hoofd, met andere woorden, de staart verheffend en zich toe-eigenend de rol van het hoofd, het gepast goddelijke bewustzijn.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie