PARASHAT BESHALÁCH

En hij had laten gaan (Exodus 13:17 – 17:16)

De Thora (Exodus. 14,15) citeert G’D, die zegt tot Mozes, voor de doortocht van de zee: “mà titsak eelai dabeer el-bené jisraël wejisaoe” “Wat roep je Mij aan, spreek de Kinderen van Jisraël toe, dat ze optrekken !!”
Rashi zegt, (Rabbi Solomon ben Izaak, 1040-1105) een oude bron citerend, dat dit vers leert dat G’D zo sprak tot hem, omdat Mozes zich bezig hield met een lang intensief gebed. G’D verweet Mozes alle tijd te verkwisten aan gebed, op een moment dat het Joodse Volk in zware nood en gevaar verkeerde.
Dit lijkt uitermate vreemd. De Psalmist vertelt ons in 86,7 “bejom tzaratie èkraècha kie taànénie” “Op de dag dat ik in nood ben roep ik U aan, want U antwoordt mij.”
Had het Rashi’s commentaar niet gegeven op 14,15, zouden we geen enkel probleem hebben ondervonden. We zouden eenvoudig hebben begrepen dat G’D tegen Mozes zei, dat er geen noodzaak was voor een gebed, aangezien G’D reeds eerder Israël had verzekerd van Zijn hulp toen Hij zei in 14,4 “Ik zal onverbiddelijk handelen ten opzichte van Farao en heel zijn leger.”
Het enige wat Mozes had moeten vragen, was de beste manier om Farao te verslaan. Nachmanides (Rabbi Mosje ben Nachman) volgt deze benadering in zijn commentaar.
We moeten echter aannemen, dat het woord waar Rashi problemen mee had in het vers, het woord ”eelai” , “Mij aan!!” was. Tegen wie anders zou Mozes zich hebben moeten uitroepen? Waarom voegde G’D dit woord toe? Richtte Mozes zich tot de engelen Michaël en Gabriël? Absoluut niet!!
Een ander probleem, is het impliciete antwoord van G’D. Hoe kon G’D tegen Mozes zeggen dat het Joodse Volk zou of moest optrekken, terwijl de zee waarvoor zij stonden, dit onmogelijk maakte? Begrijpelijker zou zijn geweest als G’D had gezegd: “Zeg het Joodse Volk, als zij optrekken, dat Ik de zee voor hen zal splijten”!
Zij wisten op dat moment niet dat G’D de zee zou gaan splijten, hen zou redden, en dat het Egyptische leger zou verdrinken. Met het gevolg dat zij werden overvallen door twijfel, was het nu G’D of Mozes die de Exodus had georkestreerd. Zij dachten dat G’D misschien hen alleen een driedaagse reis wilde laten maken, waarna zij zouden terugkeren naar Egypte, hoewel niet als slaven. Zij geloofden dat Mozes zijn autoriteit had overschreden en op eigen initiatief had besloten, dat Israël niet zou terugkeren naar Egypte Zij geloofden dat Mozes dit had gedaan omdat G’D de wensen van Zijn profeten vervult.
Daarom schreeuwden zij het uit tot G’D om aan te geven dat Hij een levende G’D in hun midden was zoals Hij had gedaan in de situatie van het slaan van de eerstgeborenen. (Exodus 14,10-11-12)
Zij waren kwaad op Mozes zij beschuldigden hem hen voor te gaan in de wildernis om daar te sterven.
Toen G’D Mozes bekritiseerde voor het aanroepen van Hem, in die specifieke situatie, bedoelde Hij dat, wat hij deed het wantrouwen van het Volk alleen maar versterkte, dat hij eigenhandig en zonder overleg met G”d had gehandeld, en dat hij nu G’D smeekte om hem te assisteren.
Indien Hij nu Zelf de Israëlieten zou zeggen dat zij moesten optrekken, zouden zij zich realiseren en geloven, dat alles wat Mozes had gedaan in overeenstemming was met G’D’s opdracht, en dat G’D persoonlijk de eerstgeborenen dodelijk had getroffen en niet een intermediair.
Dit was de inhoudelijke boodschap van de instructie: “dat ze optrekken”.
G’D verspilde met opzet geen tijd om uit te leggen dat Hij de zee zou gaan splijten.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie