PARASHAT BEHÁR

Op de berg (Leviticus 25:1 – 26:2)

BECHOEKOTAI
In Mijn Inzettingen, Leviticus: 26:3 – 27:34

Eén enkel woord, zo beweert men, heeft soms een rijk gewonnen of doen verliezen. Er is één enkel woord in de Thora, dat een volledig nieuwe wereld van morele en religieuze gedachten in het leven heeft geroepen. Het is een kort woord, bestaande uit drie letters, het woordje “als”.

,,Als” leidt de verbondsvoorwaarde in, welke een onvermijdelijke wederzijdse afhankelijkheid aangeeft tussen Israëls moreel gedrag en zijn lotsbestemming.

Niettegenstaande de langdurige bijzondere relatie tussen de Almachtige en Zijn uitverkoren volk, geniet Israël geen bijzondere rechten. Geen protectia. De zegeningen die voor Israël in het vooruit-zicht worden gesteld zijn voorwaardelijk.

,,Als ge Mijn wetten volgt en nauwgezet Mijn geboden volbrengt dan zal Ik u regen brengen op de juiste tijd”, en al de andere zegeningen die volgen (Lev. 26, 3-13). ,Maar als ge Mij niet gehoorzaamt… en als ge Mijn wetten verwerpt… weet dan wat Ik met u ga doen”, en een lange lijst van vervloekingen volgt (ibid., 14-39).

Het lotsbestemmende “als” staat steeds tussen Israël en het verlangen naar macht en voorspoed dat het met andere naties deelt. Dit is echter slechts één aspect van de aard van het verbond tussen de Almachtige en Zijn volk. Een ander aspect volgt. Volgens de G’ddelijke belofte immers wordt het volk Israël nooit volledig in de steek gelaten door de Almachtige, hoe ver het ook moge verstrooid worden en hoe overweldigend het lijden ook moge zijn. Weliswaar moet een verzoening tot stand komen tussen de Almachtige en Zijn volk. Maar, niettegenstaande dit. . . ,zal Ik in Mijn verachting en afschuw tegenover hen niet zo ver gaan dat Ik een einde aan hen maak; dan zou Ik ontrouw zijn aan Mijn verbond met hen. Ik ben de Almachtige, uw God” (vers 44).

Deze troostende noot op het einde van de lange, dreigende lijst van vervloekingen heeft menig Thora-commentator door de eeuwen heen ertoe geleid om tussen de lijnen van de vervloekingen, verwijzingen naar troost en belofte te vinden. De vervloekingen werden geïnterpreteerd als vermomde zegeningen.

Eén van de meest schokkende van deze vervloekingen is de bedreiging dat het land verwoest zal liggen en dat dit zo zal blijven, zelfs nadat de vijanden er bezit van genomen hebben, waarbij zelfs ,de vijanden die er wonen verbijsterd staan” (Lev. 26, 32). Israël werd weliswaar uit het land gedreven, maar geen enkel ander volk zou er ooit wortel schieten, wat ,nieuwe feiten” had kunnen scheppen waardoor Israëls terugkeer naar het land verhinderd had kunnen worden. Het is een historisch, empirisch feit – zo stelt rabbi Mozes ben Nachman (Nachmanides) na zijn emigratie naar Palestina in de twaalfde eeuw – dat geen andere natie er ooit in geslaagd is om het land tot zijn vroegere bloei terug te brengen. Het is alsof het land erop stond om te wachten tot zijn rechtmatige eigenaars terugkeerden.

Dit bleef ook waar voor de volgende zeven eeuwen. Veroveraars kwamen en gingen. Geen van hen veroverde blijvend het verwoeste land. Zijn dorre heuvels en van moerassen doortrokken valleien kwamen slechts opnieuw tot bloei met de joodse terugkeer slechts honderd jaar geleden, met de vroege kolonisatie-inspanningen van de Yishuv, en met de zionistische bewegingen.

Een andere vermomde zegening werd gevonden door een heden-daagse rabbijn, die een van de meest vreselijke en schrikwekkende vervloekingen omkeerde naar zijn lichtere en meer vrolijke zijde.

Het vers luidt ,Ge zult het vlees van uw zonen en het vlees van uw dochters eten” (Lev. 26, 29). Ook deze vloek kon geïnterpreteerd worden als een vermomde zegening, als zouden namelijk traditiegetrouwe ouders thans hun zonen en dochters kunnen bezoeken en in hun huizen vlees tot zich nemen, zonder zich te moeten bekommeren of het voedsel wel kosher is…

De gedetailleerde aspecten van de vervloekingen zijn beschreven in vijfentwintig verzen (14-39), terwijl de zegeningen zijn samengebracht in slechts elf verzen (3-13). Het is evenwel duidelijk dat het gewicht en de belofte van de zegeningen overheersend zijn. Het is niet nodig details op een rij te zetten wanneer men het uiteindelijke goed beschrijft waarnaar een natie moet streven.

De Thora geeft deze volgorde aan van elementen die tezamen het goede leven uitmaken:

1) economische voorspoed, die voortkomt uit een land dat niet afhankelijk is van import;

2) veiligheid, zonder vrees

3) vrede in het land;

4) sterkte en moed in het weerstaan van de vijand;

5) numerieke aangroei van de bevolking door een hoog geboortecijfer en aliya; en eindelijk als toppunt van alle verlangens: de aanwezigheid van de Almachtige onder Zijn volk.

De volgorde van de prioriteiten stemt enigszins tot verwondering,aangezien de zegening van de vrede op de verkeerde plaats lijkt te staan.

De klassieke Thora-verklaarder Rashi (1040-1105) stelt dat met opzet de vrede in het centrum werd geplaatst om ons te leren dat economische voorspoed en zelfs gegarandeerde veilige grenzen waardeloos zijn zonder vrede. “Waar er vrede is, is er alles; zonder vrede, niets”. Met deze uitleg evenwel lost Rashi het raadsel nog niet op waarom sterkte en de bekwaamheid om de vijanden te verjagen slechts na veiligheid en vrede komen en niet omgekeerd, zoals men logisch zou verwachten.

Ibn Ezra (1093-1167) schijnt op deze vraag te antwoorden door één woord toe te voegen aan de zin,,Ik zal vrede schenken”. Dat woord is: beinekkem, onder u. Er komt slechts sterkte om uw vijand te verjagen als eerst vrede en eenheid onder jullie heersen.

Anderen vinden in de volgorde van de componenten van het goede leven zoals de Thora die aangeeft, inzichten in de betekenis van de vrede. Uiteraard is iedereen voor de vrede. Niet iedereen echter weet hoe tot vrede te komen of hoe te verzekeren dat de vrede blijvend is. Om blijvende vrede te verzekeren moet een natie zich ervan vergewissen dat haar vijanden haar verlangen naar vrede niet verkeerd interpreteren als een teken van zwakte. Vrede is permanent verzekerd als de vijand weet dat de natie wel degelijk is voorbereid op oorlog en in staat is om elke mogelijke aanvaller af te weren. , Ik zal vrede brengen in het land en ge zult neerliggen zonder dat iemand u opschrikt” (Lev. 26, 6). Wanneer? Als uw vijanden ervan overtuigd zijn (verzen 7 en 8) dat vijf van u honderd van hen kunnen verjagen en honderd van u tienduizend van hen. Hetzelfde gevoel wordt ook uitgedrukt in de Psalmen:

De Almachtige geeft kracht aan Zijn volk; de Almachtige zegent Zijn volk met vrede” (Ps. 29, 11).

Ook de psalmist begreep dat sterkte een voorwaarde is voor vrede.

Waar er geen sterkte is, is vrede niet blijvend.

Vrede en sterkte gaan samen.

LAG BA`OMER: De 33e dag van de omertelling in de periode tussen Pesach en Shavoe`ot Ijar 18. Dinsdag 30 April 2002

LAG BA`OMER, herinnert ons aan gebeurtenis die de duizenden studenten van de grote geleerde Rabbi Akiva overkwam.

Zij werden getroffen door een epidemie als gevolg van respectloos gedrag onder elkaar. De epidemie stopte op Lag Ba`Omer. Daarom weten wij van Lag Ba`Omer dat het bestuderen van de Heilige Thora in goede kameraadschap, liefde en respect voor elkaar moet zijn.

Lag `Ba Omer

herdenkt de beëindiging van de plaag onder de studenten van Rabbi Akiva; het wordt evenzo gehouden uit bijzonder respect en waardering (vooral onder chassidiem) als jaartijd, de gedenkdag van het heengaan van Rabbi Shimon Bar Yochai, die leefde in de tijd van de Romeinse overheersing van Israël en een eminent student van Rabbi Akiva was.

Hij gaf de leer van de esoterische aspecten van de Thora over aan een selecte groep studenten en was de auteur van de Zohar (Het Boek van Uitstraling).

De Zohar werd het basiswerk van Kabbala en de basis voor de filosofie en Chassidische leer in het algemeen, gefundeerd door de Baal Shem Tov (1668-1760) evenzo als Chabad Chassidisme uiteengezet door Rabbi Schneur Zalman van Laidi (1745-1813).

Geef een reactie