PARASHAT BEHÁR

PARASHAT BEHÁR

Op de berg (Leviticus 25:1 – 26:2)

Je zelf wegcijferen voor Hem

“En G’D sprak tot Mozes op de Berg Sinaï ” (Leviticus 25:1)

Wat leert de bovenstaande zin ons ten aanzien van onze dienst aan G’D?

De Lubavitcher Rebbe schrijft dat in alle opzichten van Jodendom verlangd wordt van iemand, vastberaden te zijn zoals een berg die niet verplaatst kan worden, ongeaffecteerd door alle problemen rondom. Deze uitspraak is verwant aan die van Rabbi Dov Ber van Lubavitch: “De ziel ging nimmer in verbanning”.

Een deel van onszelf is nooit, en zal nooit echt ongeaffecteerd door deze wereld. Bovendien, zegt de Talmoed, “De dienaar van een koning is van zichzelf een koning” (Shavoe’ot 47). Elke Jood is een dienaar van G’D. Daarom is het verboden om afstand te doen van onze eigen eer, niet omdat we belang hebben bij onze prestige, maar eerder omdat we verantwoordelijk zijn voor de eer van de Koning der Koningen, De Heilige, geprezen zij Hij.

Ons wekelijks Thoragedeelte behandelt de wetten van shemita, het vrijgeven of het laten rusten. Juist zoals we een wekelijkse Shabbatdag houden, zo ook is er, eens in de zeven jaar, een shabbatjaar voor het land, genaamd “shemita”, wanneer het wordt bevrijd van alle activiteit. Rashi stelt de vraag, waarom wordt shemita als eerste behandeld na de woorden “…op de Berg Sinaï”? Hij antwoordt dat dit is, om ons duidelijk te maken dat juist zoals de details van de mitzwa van Shemita, welke hier zijn beschreven, in zijn totaliteit zijn gegeven op de Berg Sinaï, zoals eveneens de details van alle andere wetten van de Thora, zelfs de niet geschrevene, werden daar in z’n geheel gegeven.

Rabbi Eliezer Lipman, in het boek Otzar Maimariem, becommentarieert hoofdstuk 32 van de Tanya, waar het concept van het liefhebben van je naaste wordt besproken.

De Tanya legt uit dat de sleutel om de Thora in zijn geheel te verwezenlijken is, het verheffen van de ziel over het lichaam. Anderen liefhebben en G’D liefhebben is alleen mogelijk wanneer wij de bedrieglijke verdeeldheid negeren, gecreëerd door ons werelds bewustzijn en ons richten op de ware spirituele eenheid van onze ziel. Diegenen die hun lichaam primair maken en hun ziel secondair, zijn niet in staat om lief te hebben. Rabbi Lipman legt uit, dat we van deze les leren, dat het onmogelijk is om op een of andere manier, oprecht een mitzwa kunnen uitvoeren, tenzij iemand eerst het niveau heeft bereikt van ”het liefhebben van je naaste”. Zonder anderen lief te hebben, kunnen wij G’D niet oprecht liefhebben, het fundamentele grondprincipe voor het doen van alle geboden en verboden, de Mitzwot. Dit is de boodschap van Rashi’s eerste commentaar op parashat Bahar. Zoals de wetten van shemita, volledig waren gegeven op De Berg Sinaï, zo zijn ook alle wetten van de Thora daar volledig gegeven. De enige manier om de mitzwot te doen is “van de Sinaï”. Toen de Joden waren verzameld aan de Sinaï, hadden zij een niveau van ware eenheid bereikt, een werkelijke liefde voor elkaar. Zo ook in onze generatie, als we beginnen bij het liefhebben van onze naasten, zijn we ook in staat om G’D lief te hebben, en elke mitzwot is makkelijk.

De Thora voorspelt de reacties van de Joden ten aanzien van het shemitajaar: “Wat zullen we eten in het zevende jaar?” G’D antwoordde dat Hij de opbrengst van het zesde jaar drievoudig zou zegenen (een voor het zesde jaar, een voor het shemitajaar, en een voor het achtste jaar wanneer de boeren de groeiende oogst afwachtten). Ondanks dit, waarom zou er twijfel aan G’D’s zegen zijn, vond het niet een paar jaar eerder ook plaats? De Lubavitcher Rebbe verklaart dat elke landbouwer weet dat bij elk voorbijgaand seizoen, een veld minder vruchtbaar wordt. Bij het zesde jaar zal het punt bereikt worden waarboven geen groei of verhoging meer mogelijk is. Wat zijn de kansen van dit veld dat het weer een normaal opbrengst heeft, in geen geval, driemaal zoveel? Ongetwijfeld gaat deze wonderbaarlijke gebeurtenis alle natuurlijke logica te boven. Wanneer iets boven onze logica uitstijgt, rest ons alleen de vraag, “Wat zullen we eten in het zevende jaar?” De wetten van Shemita leert ons om onze logica en persoonlijke verwachtingen los te laten en ons te verlaten op G’D en Zijn mitzwot. Wij cijferen ons weg voor Hem. Niettemin, een deel van onze “ik” kan niet worden weggecijferd. Daarom, telkens wanneer een nieuw shemitajaar aanbreekt, ontstaat nieuwe twijfel. Dit betekent niet, dat wij elke keer in ons leven, wanneer wij aarzelen of reageren ten aanzien van een bepaalde uitdaging, geen vooruitgang hebben geboekt. Integendeel, het betekent dat we hardnekkig moeten volharden en vooruit moeten gaan!!

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie