PARASHAT BEHÁR

Op De Berg (Leviticus: 25:1 – 26:2)

De schitterende gebeurtenis bij de berg Sinaï ligt achter ons. Het bijbelse verhaal beschreef sedertdien een lange en vermoeiende weg. Het tabernakel is gebouwd en ingewijd en velerlei wetten zijn in detail voorgesteld. Nu, heel onverwacht, wanneer we het vijfentwintigste hoofdstuk van Leviticus bereiken, brengt de Thora ons terug naar de berg Sinaï. “De Almachtige sprak tot Mozes op de Sinaï: zeg aan de Israëlieten, wanneer jullie in het land komen dat Ik jullie schenk, moet het land Shabbat houden ter ere van de Almachtige” (Lev. 25, 1-2). ” Ma inyan shmita etsel bar Sinai? “- wat doen de Shabbatwetten bij de berg Sinai? vragen de oude rabbijnen.

Een mogelijke verklaring is dat door de invoeging van de wet in verband met het land op dit ogenblik in de Schrift – door de invoeging van het Shabbatjaar en het jubeljaar – de nadruk wordt gelegd op het feit dat de openbaring bij de Sinaï, waar we de Thora en de geboden ontvingen, slechts een doel had: het uitbouwen van een modelgemeenschap door het volk Israël in een enig, werkelijk en soeverein land.

De verheven morele code van de berg Sinaï was niet bedoeld als een gids voor kosmopolitische individuen zonder wortel, maar voor een geheel volk levend en werkend in zijn land. Dat na een lange onderbreking de gebeurtenis bij de Sinaï en het leven van het land samen geplaatst zijn, scherpt ons tweeërlei zaken in. Ten eerste: de idealen van de Thora moeten niet in de verheven sfeer van het abstracte blijven, maar gerealiseerd worden op de bodem van het land zelf. En ten tweede: het land is meer dan een loutere geo-politieke of agro-economische entiteit, het is ook bekwaam om Shabbat te vieren en van het land wordt verwacht dat het Shabbat viert.

Zoals een mens een extra ziel bezit die zich manifesteert op Shabbat, zo heeft het land op eigen wijze recht op zijn Shabbat (verzen 2-6).

Deze Shabbat van het land, en het jubeljaar dat volgt in het spoor van het Shabbatjaar worden door vele denkers beschouwd als behorend tot de meest vooruitstrevende sociale omvormingen in de geschiedenis. Ze beschermen de gemeenschap tegen het kwaad van het feodalisme en het totalitarisme, en verzekeren een inherente ” vrijheid voor alle inwoners in het land” (v. 10) en het recht van elk individu om “terug te keren naar zijn huis en naar zijn familie”.

Deze omvormingen kunnen enkel uitgevoerd worden wanneer Thora en Land elkaar ontmoeten, wanneer “de kinderen van Israël komen naar het land dat Ik u geef “.

De keuze van de Haftara (de lezing van de Profeten) Jeremia, hoofdstuk 32 – welke deze Thora-afdeling vergezelt is niet minder veelzeggend omdat ze aantoont dat het land “laag bij de grond” als het is, bekwaam is om de meest belangrijke spirituele boodschappen te vervoeren.

Wanneer de Thora-lezing een boodschap van vrijheid en gelijkheid brengt, dan geeft de profetenlezing ons een boodschap van hoop die optreedt in de meest duistere momenten van wanhoop.

Jeruzalem was onder het beleg van de Babylonische legers voor het derde opeenvolgende jaar. De vijandelijke troepen bij de vestingwerken vielen de stad van alle kanten aan en binnen de stad heersten het zwaard, de honger en de plaag.

Jeremia de profeet was in de gevangenis geworpen door koning Tsidqia, die woedend was omwille van Jeremia’s publieke uitspraken dat de stad in de handen van de vijand zou vallen en de koning zelf in ballingschap zou worden gevoerd.

En dan, terwijl hij nog in de gevangenis is, verkondigt Jeremia dat ” het woord van de Almachtige” tot hem gericht werd. De Almachtige deelt hem mee dat zijn neef Chanamel zal komen om hem een veld te koop aan te bieden in Anatot (het huidige Anata buiten Jeruzalem bij Shoeafat).

Inderdaad, Chanamel komt en biedt het veld te koop aan. Jeremia, gewaarschuwd door de Almachtige, voltrekt de transactie door Chanamel zeventien zilveren shekel te betalen. De transactie wordt publiekelijk getekend voor de ogen van eenieder en openlijk neergelegd bij de secretaris van Jeremia, Baroech ben Neriyah.

Nadat hij alle aandacht op zich heeft gevestigd bij het aankopen van het veld, doet Jeremia de volgende publieke uitspraak: ” Want dit zegt de Almachtige van de heerscharen, Israëls God: men zal in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden kopen” ( Jer. 32, 15).

Jeremia bedroog zichzelf niet, en ook lag het niet in zijn bedoeling anderen te bedriegen omtrent de ernst van de situatie. Was hij niet degene die gevangen was gezet omwille van zijn pessimistische voorspellingen?

Toch wou Jeremia, in tegenstelling met sommige opiniemakers over de laatste dagen, met zijn volk niet enkel de werkelijkheid van de dreigende ondergang delen, maar ook de hoop op eventuele triomf.

Zeventien zilveren shekel (geschat op zeven ons of 200 gram zilver) was wellicht geen grote som in die tijd. Maar niet de grootte van de investering was belangrijk. Het was Jeremia’s bereidheid om te investeren in het land, in omstandigheden die maakten dat het land volkomen waardeloos scheen. De zeventien shekel waren een tastbare investering in de toekomst van het land en het volk.

Toch was niet Jeremia de held van de dag, maar zijn allesbehalve vergeten neef Chanamel. De Almachtige vertelde Jeremia hoe te handelen. Hij voerde slechts de bevelen van de Almachtige uit. Chanamel echter was geen profeet maar een eenvoudige burger, iemand uit de rang en de stand van het volk.

Dat hij bereid was om in dergelijke tijdsomstandigheden met zijn neef de profeet zaken te doen in onroerend goed, was een bewijs, zelfs voor Jeremia zelf, dat de strijd over het land niet verloren was. Toen Chanamel verscheen, zei Jeremia (vers 8): “Toen begreep ik dat dit de wens van de Almachtige was”.

Jeremia kon makkelijk zijn neef ervan verdacht hebben dat hij enkel op de zilveren shekels uit was. Hij verdacht hem echter niet en belasterde hem niet. In plaats daarvan maakte hij Chanamel tot een held, omdat hij in hem een waardige vertegenwoordiger van het volk zag, een die niet wanhoopt in de moeilijkste omstandigheden. Geïnspireerd door Chanamel, profeteert Jeremia omtrent de toekomst, tegelijk andere investeringen in het bedreigde land aanmoedigend:

” Huizen, velden en wijngaarden zullen weer worden gekocht in het land”.

Jeremia zelf werd geplaagd door twijfels die hij uitdrukte in zijn gebed met G’D (32, 11-25). Maar zijn twijfels werden tot zwijgen gebracht toen de Almachtige antwoordde: ” lk ben de Almachtige, de G’D van al wat leeft. Is er iets onmogelijk voor Mij?” (v. 27).

De weg van de Sinaï naar het Land kan lang en moeilijk zijn. Maar het is er een van vrijheid en gelijkheid, van geloof en hoop.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie