PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt   Numeri. 8:1 – 12:16

Rabbi Shimon bar Jochai

ZOHAR. P. 152a

Rabbi Shimon zegt: “Wee degene die zegt dat de Thora alleen in deze wereld is gekomen om instructies te geven en illustrerende verhalen en eenvoudige sprookjes te vertellen. Als dit waar zou zijn, zouden wij  in onze tijd in staat zijn om  “Thora” te maken met betere verhalen en lofspraak en met versieringen en verfraaiingen dan “de” Thora. Als de Thora alleen maar in deze wereld is gekomen om ons instructies te geven  en om de achtergronden van die wereld te vertellen, dan hebben zelfs de regeerders van de verschillende regeringen van deze wereld, belangrijkere en aangenamere verhalen, van waaruit men wijsheid en moreelgedrag kan leren.”

Als dat waar zou zijn, zouden zij ons voorbeeld zijn en zouden wij een Thora maken naar aanleiding van hun voorbeeld. Natuurlijk is dit niet het geval. Elk woord in de Thora reflecteert aan hogere wijsheden en hogere mysteries.

Kom en zie. De spirituele wereld en de fysieke wereld zijn met elkaar in evenwicht [omdat alles in de spirituele wereld zijn weerspiegeling heeft in deze wereld]. Dus Israël is Onder en de hemelse krachten zijn Boven. Er is geschreven ten aanzien van engelen: “Die Zijn engelen van het geestelijke maakt en Zijn dienstbaren van laaiend vuur.” (Psalm. 104:4) Wanneer nu deze spirituele krachten hun opwachting maken in Deze Wereld, zijn zij verplicht zich te kleden in het fysieke. Als zij niet in de gepaste vorm in Deze Wereld verschijnen, overleven zij dit niet, en Deze Wereld zou niet in staat zijn om hun heiligheid te ontvangen, en geen enkele verhouding is met hen mogelijk.

Nu kunnen we begrijpen waarom de vertelling van de Thora alleen maar de uiterlijke kleding van de Thora is. Wie denkt dat deze uiterlijke kleding de feitelijk Thora is, en dat er onder deze kleding niet een spirituele ondergrond is, heeft geen deel in de Komende Wereld. Zo was het dat Koning David smeekte, “Open mijn ogen, zodat ik de wonderbaarlijke dingen in Uw Thora mag zien.” (Psalm. 18:119)

Kom en zie. Bepaalde kleding staat  iedereen, en wanneer domme mensen iemand zien in mooie kleren, kijken zijn niet verder. Het lichaam is belangrijker dan de kleren en nog belangrijker dan het lichaam, is de ziel. Op de zelfde wijze is het gesteld met het “lichaam” van de Thora, deze zijn de opdrachten, die haar “lichaam” worden genoemd. Dit lichaam van de Thora is gekleed in verhalen van deze wereld. De dwazen van deze wereld kijken alleen naar deze uiterlijke kleding van deze verhalen. Op het onderliggende gaan zij niet dieper in. Degene die beter weten, kijken en onderzoeken het lichaam onder haar omhulsel.
De verstandige, dienaren van de Hoogste Koning, degenen die aan de Berg Sinaï stonden, zien door de ziel van de Thora haar ware essentie, en zullen in de toekomst deze essentie van de Thora grondig onderzoeken.

AHARON’S LIEFDE

De Parasha van deze week opent met de opdracht aan Aharon om de lampen te ontsteken van de Menora, de zevenarmige kandelaar die stond in het Heiligdom. Het symbool van de Menora, de handeling van het aansteken en de wijze waarop Aharon de dienst verrichtte, is het thema van de Parasha.

Aharon, wiens verplichtingen als Hoge Priester in deze week Parasha is beschreven, was bekend om zijn liefde voor ieder schepsel. Hillel zei over hem, in Pirké Awot ( 1. 1, 12 )” Weest van de leerlingen van Aharon, die van vrede hield en er moeite voor deed de vrede te bewaren, van de medeschepselen hield en ze dichter bij de Thora bracht.” Wat was het hoofdkenmerk van zijn manier van leven dat stond als een subliem voorbeeld voor de verspreiding van het spirituele licht van de Thora?

Het was dat hij niet wachtte op diegenen die in duisternis stonden tot zij in de cirkel van licht kwamen, maar dat hij uitging naar hen.

Hij ging, in de woorden van Hillel, naar zijn “mede schepselen”, wat woordelijk inhield dat de enige verdienste die zij hadden was, dat zij ook G’Ds schepselen waren ( Tanja, deel 1, Hfst.32 ). Hij “bracht” hen dichter tot de Thora, eerder dan de Thora naar hen te brengen.

Hij simplificeerde of compromitteerde de verordeningen van de Thora niet naar hun niveau, m.a.w. hij verlaagde de Thora niet, hij verhief hen.

HET AANSTEKEN VAN DE LAMPEN

Dit facet in Aharon’s leven is in deze Parasha aangegeven , welke opent met de opdracht ” Als je de lampen aansteekt ( letterlijk staat er, ‘verheft’ ), dan moeten die zeven lampen naar de voorkant van de kandelaar hun licht laten schijnen” ( Numeri 8,2 ).

De Menora in het Heiligdom is een symbool van de Joodse ziel, “De lamp van de Eeuwige is de ziel van de mens.” ( Spreuken 20,27 ) De zeven armen van de Menora, zijn de zeven types van de Joodse ziel.

De taak van Aharon was om elke ziel te verheffen m.a.w. het G’ddelijke in de Jood van zijn verhulling te ontdoen ( onderbewustzijn ) en het naar het bewustzijn te brengen.

De Rabbijnen zochten naar een verklaring voor het feit dat het woord ‘opheffen’ ( beha’alótcha ) ( van de Hebreeuwse stam ALÉ, wat o.a. wordt gebruikt bij emigratie naar Israel, zich spiritueel verheffen door naar het Heilige land te gaan ) is gebruikt, in plaats van het meer voor de hand liggende ‘verlichten’ of ‘aansteken. Zij concludeerden daarom dat het vers betekent dat Aharon hen zou ontsteken “totdat de vlam zichzelf verheft ( in de spirituele zin ) .” ( Sifra, Vajikra 24,2; Shabbat 21a; Rashi Bamidbar 8,2. )

Aharon’s spirituele volbrenging was niet alleen om de zielen van het Joodse volk te ontsteken, maar ook om hen te verheffen naar een niveau waarop zij zelf licht konden geven. Hij creëerde niet simpelweg discipelen, mensen die afhankelijk waren van zijn inspiratie. Hij bracht in hen te weeg een liefde voor G’d die zij konden dragen zonder zijn hulp.

DRIE REGELS

Er zijn drie regels met betrekking op de Menora in het Heiligdom en in de Tempel. ( Joma, 24b; Rambam, Hilchot Biat HaMikdash, hfst.. 9 ).

Als eerste, zelfs een persoon die geen priester is zou de lampen kunnen ontsteken.

Maar, als tweede, alleen een priester kon de lampen prepareren, plaatsing van lonten en olie.

En ten derde, de Menora kon alleen aangestoken worden in het Tempelheiligdom.

Deze regels zijn synoniem aan de condities in welke spirituele bewustwording kan plaatsvinden, het ontsteken van het licht in de ziel.

Het is niet een voorrecht van de priester alleen, of van een selecte groep, om het licht van de Thora te verspreiden. De taak behoort toe aan elke Jood, zowel als een privilege en als een verplichting.

Hillel’s woorden, “Weest van de leerlingen van Aharon” was gericht tot elk individu.

Maar alleen de priester kan de preparaties verrichten. Mogelijk kunnen wij in de verleiding komen om te denken in de uitvoering van ons streven om Joden nader tot Thora leven te brengen, het einddoel rechtvaardigt de intenties; dat concessies gemaakt kunnen door eigen initiatief, met als belang het winnen van betrokkenheid. Maar tegen dit alles is de waarschuwing dat niet iedereen in staat is om te beslissen over de geldigheid van interpretaties, lijnen of invloeden. Dit behoord aan de priester toe.

Wat is een priester? In de tijd van de Tempel, toen de Joden de eerste bezitters waren van hun land, bezaten de priesters geen territoriaal aandeel. Zij hadden geen aandeel in het land, hun aandeel was “G’D is hun aandeel,” hun enige bezit. Dit was hun heiliging. In de woorden van de Rambam,( Hilchot Smemitta Vejovel 13,13 ) “Niet alleen de stam van Levi, maar ieder mens waar dan ook wiens geest gewillig is…om zichzelf te separeren om G’D bij te staan en Hem te dienen,” hij en alleen hij is de mentor wiens voetstappen wij moeten volgen.

En het Heiligdom is de plaats waar de lampen moeten worden aanstoken. Daar zijn nuances en niveaus van heiligheid. Het Heiligdom is niet de enige heilige plaats. Maar deze specifieke taak, het ontsteken van de vlam, kon niet gedaan worden op een plaats van een lagere graad van heiligheid. We moeten onze geest en die van anderen van een zo hoog mogelijke graad van heiligheid bewust laten worden.

DE ZEVEN ARMEN

De Menora in het Heiligdom had zeven armen, zij representeerden de zeven types van de Joodse ziel. Sommigen dienen G’D door de dominante eigenschap van liefde en vriendelijkheid ( chesed ), sommigen met vrees en striktheid ( gevura ) en sommigen met de samenvoeging van de twee ( tiferet ). In totaal zijn er zeven algemene wegen om G’D te dienen, elke Jood heeft zijn eigen persoonlijke richting. Maar eigen aan allemaal is het feit dat zij ontsteken door de vlam van Thora; zij branden met liefde en zij verspreiden uit het licht van de waarheid binnenin het Heiligdom en van daaruit over de hele wereld. Een van de bijzonderheden van de Tempel was, dat zijn ramen ” wijd en versmallend “waren, (Koningen 1 6,4)

waarop de Rabbijnen becommentarieerden, ( Menachot, 86b; Wejikra Rabba 31,7) “zij waren breed aan de buitenkant en van binnen smal, want Ik G’D benodig geen licht.” In tegenstelling tot andere gebouwen wiens ramen zijn ontworpen om licht toe te laten, was de Tempel geconstrueerd om licht uit te spreiden over de hele wereld.

De bron van zijn licht waren de lampen van de Menora, de zielen van de Israëlieten. En ofschoon elk van hen uniek was, met hun eigen specifieke eigenschappen van werking, deelde zij het feit dat zij de bron waren van al het licht.

Dit is het gemeenschappelijke doel en inspanning van elke Jood, om licht te brengen in deze wereld. Hun benadering mag verschillend zijn , sommige door liefde en sommige door striktheid, maar diegene die kozen voor de weg van liefde, was het uiteindelijke en de betekenis het zelfde : het doel is licht en de weg is licht. Dit was Aharon’s weg, “liefelijke vrede en streven naar vrede, houdend van zijn mede schepselen en hen nader tot Thora brengen.”

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie