PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt (Numeri. 8:1 – 12:16)

Door de verkregen inzichten over de bijzonderheid van de cijfers drie en vier, zullen wij de betekenis van de Midrash hane-elam op parashat Chayé Sara, waarin wordt verklaard dat het gebod is gebaseerd op de esoterische dimensie van tefillien, gebedsriemen, beter leren begrijpen. Rabbi Eliezer bericht in die Midrash dat hem is verteld dat G’D in Zijn grote liefde voor Israël van het Joodse Volk verlangt, Hem een verblijfplaats te bouwen die gelijk is aan de “wagen”, merkawa, [ Ezechiël’s visioen van de G’ddelijke wagen, wat de uiteindelijk onderwerping aan G’D’s wil representeert] in de Celestische Regionen, welke Zijn aanwezigheid ondersteunt, zodat Hij onder hen kan verblijven. Dit is de betekenis van we’asoe lie mikdash we’shachantie betochaam, Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat ik te midden van hen wonen kan. ( Exodus. 25,8 )
De inhoudende boodschap die dit vers bevat, onthult de metafysische bijzonderheid van het gebod van tefillien.
De vier geschreven paragraven van de Thora die de tefillien in zich draagt, corresponderen met de vier letters van de onuitsprekelijke Naam van G’D, zoals is verklaard in Tikkoené HaZohar.
De “dragers” van G’D’s glorie ontlenen aan deze vier letters in Zijn naam, de uitvloeiingen drie en vier, zoals we verder zullen uitleggen. Dit wordt duidelijk aangegeven door het feit dat aan een kant van de tefillien, de letter shin met drie “pootjes” staat geschreven en aan de tegenovergestelde kant met vier “pootjes.” De herkomst van deze toepassing komt van het vers Exodus 28,39:
We’shiebatsta haketonet shésh we’asieta mitsnèfet shésh”, “Het onderkleed moet je met ingeweven vakjes laten weven van fijn-linnen, ook de tulband moet je van fijn-linnen maken.” De Talmoed, Zevachiem 19, zegt, dat er een bepaalde plaats was op Aaron’s voorhoofd waar hij zijn tefillien aanlegde, tussen de mitsnéfet, tulband en de tziets, gouden plaat. (Exodus 28,36)
Het woord shésh verwijst naar de twee shins die op de tefillien staan.
Het feit dat het zelfde woord ook gebruikt wordt in verband met de tuniek, ketonet, m.a.w een kledingstuk om het lichaam te bedekken, moet worden begrepen zoals de Zohar het uitdrukt “hier in deze wereld zijn de tefillien gemaakt van een lichaamshuid, m.a.w or. Echter, in hun ultieme, opperste plaats, mekomam eljon, zijn zij gemaakt van licht, or. (Or, huid en or, licht, wordt in het hebreeuws niet exact het zelfde geschreven, maar wel het zelfde uitgesproken)
De teifillien van licht zijn, volgens onze geleerden, de teifillien die G’D bij Zichzelf aanlegt, aangezien de uitvloeiingen van tiferet optreden als een kroon, een tooi in de Celestische Regionen. Als Adam niet had gezondigd, of, als Israël niet daarna had gezondigd met het gouden kalf, konden ook zij tefillien aanleggen gemaakt van or, licht.
Na de zonde echter, was Israël alleen bevoegd voor tefillien shel or, gebedsriemen gemaakt van een (dierlijke) huid.
Dit betekent dat het oorspronkelijke licht, geschapen door G’D aan het begin van de schepping, een proces van samentrekking onderging, waardoor het meeste van zijn kracht verloren ging.
De Zohar gaat verder op dit thema met de connectie wa’ja’as hashem elokiem le’adam oelieshto katnot or wa’jalbieshem, En de Eeuwige G’D maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van huiden en kleedde hen. (Genesis 3,21)
Met als gevolg dat ketonet or = ketonet shésh, en de tefillien de instrumenten zijn die de mens in staat stellen om zich te rehabiliteren nadat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de zonde in de Tuin van Eden.
Op een vergelijkbare manier rehabiliteert Israël zichzelf na de zonde met het gouden kalf door de mishkan, het Tabernakel.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie