PARASHAT BEHA’ALÓTECHA

Wanneer je ontsteekt (Numeri 8:1 – 12:16)

Moshé Rabbeinoe, ( Mozes, onze leraar ) de grootste man die ooit heeft geleefd, krijgt lofspraak in deze parasha: “De man Moshé was zeer bescheiden, meer dan enig ander mens op deze aardbodem” ( Numeri 12:3 ).

Deze verklaring getuigt niet alleen van Moshe’s grootheid, maar ook van zijn zeer belangrijke karaktereigenschap, nederigheid.

Van alle lofspraken die de Thora had kunnen vermelden, zijn piëteit, zijn rechtvaardigheid, zijn Thorakennis, acht de Thora zijn nederigheid als meest bijzonder.

Maar hoe moeten wij deze nederigheid van Moshé begrijpen?

Zou het zo kunnen zijn dat na het verslaan van de machtige Egyptenaren hij gezegd zou kunnen hebben “Nou, het was eigenlijk niets”? Is het denkbaar dat na het zijn op de berg Sinaï met HaShem, direct sprekend tot hem, hij zichzelf zou beschouwen als een iemand net zoals de rest van de mensenmenigte? De mogelijkheid dat zo’n man zijn eigen betekenis en wezen laakt is bijna niet in te denken.

Laten we daarom de eigenschap van nederigheid eens nader onderzoeken, misschien zullen we dan kunnen begrijpen hoe Moshé de verpersoonlijking is van deze karakteristiek.

De Mishna ( Mondelinge Thora ) zegt ons: “Rabbi Levitas uit Javne zegt: ‘Wees uitermate bescheiden, want wat een mens te verwachten heeft zijn wormen’.” ( Pirké Awot 4:4 )

De boodschap is om zo extreem mogelijk te zijn, “me’od me’od,” en de commentaren benadrukken dat deze eis enig en uniek tot nederigheid is. Want, met betrekking tot alle andere karaktertrekken, heeft de middenweg de meeste voorkeur. Iemand moet niet te droevig zijn, noch moet iemand niet te frivool zijn. Maar het gevaar en kwaad van arrogantie zijn zo groot dat de absolute capaciteit van nederigheid moet worden nagestreefd.

Hoe kan iemand dit bereiken? Één richtlijn is gegeven in de voorafgaande mishna 4:3: ” Ben Azzai zegt: ‘Veracht niemand en houdt niets voor onmogelijk, want er is geen mens voor wie het juiste uur niet slaat en er is niets dat niet plaats kan vinden.’”

Ieder persoon heeft een unieke rol in de ontwikkeling van de wereld. Ongezien wie hij is, ongezien wat hij doet, elk persoon heeft een unieke tikkoen, lett. verbetering, herstel, hervormen, een taak waarmee hij helpt de wereld tot perfectie te brengen. Natuurlijk, verschilt dit van persoon tot persoon. Iemand voelt zich sterk met de plicht in het worden van een opmerkelijke Thora geleerde en een kind geboren in een maffiafamilie kan de plicht voelen om de familieactiviteiten meer te sturen naar diefstal in plaats van moord. Wiens beloning is groter? Niemand zal dit ooit weten. Iedereen heeft zijn eigen gevecht te leveren tussen zijn goede en kwade neigingen. Niemand zal ooit weten waar iemand ander’s strijd ligt en hoe goed hij zijn strijd meent.

Als Moshé zich deze les volkomen had eigen gemaakt, dan is het een klein wonder dat hij was gekozen voor de job om het Joodse Volk te leiden. Een leider moet het beste uit zijn volk halen, om een natie te vormen die toegewijd is in het dienen van HaShem. Dit is onmogelijk als hij minachtend is over het volk en hun belangrijkheid kleineert. Hij heeft iedere bijdrage van elk individu afzonderlijk te waarderen, zodat hij het beste uit iedereen kan halen.

Moshé Rabbeinoe richtte zich op ieders bereik, hoe klein dit ook blijkt te zijn.

De essentie van nederigheid wordt schitterend weergegeven in de eerste mishna van hoofdstuk 4:1 in Pirké Awot.

” Ben Zoma zegt: Wie is wijs? Die van iedereen leert, want er is gezegd: ‘Van allen die mij geleerd hebben ben ik wijs geworden ( want Uw getuigenissen zijn voor mij onderwerp van gesprek )’[ps.119,99].

Wie is sterk? Die zijn hartstocht bedwingt, want er is gezegd: ‘Wie zijn geduld weet te bewaren is beter dan een held en die dat wat in hem omgaat weet te beheersen is beter dan wie een stad inneemt’ [Spr. 16, 32]

Wie is rijk? Die tevreden is met zijn deel, want er is gezegd: ‘Als je dan eet wat door eigen inspanning is verkregen, dan ben je gelukkig en gaat het je goed’[Ps. 128, 2 ]. Gelukkig in deze wereld en goed gaat het je in de wereld die komen zal.

Wie wordt geëerd? Hij die zijn medemensen eert, want er is gezegd: ‘Die Mij eren zal Ik eren en die Mij minachten zullen gering geacht worden’ [I Sam.2, 30]. ( Hetgeen in de aangehaalde tekst op G’D slaat wordt hier op de mens overgebracht ).”

Maar waarom zouden wij ook niet een briljante Thorageleerde wijs noemen? En waarom zouden wij een sterk en heldhaftige strijder ook niet machtig noemen? En men kan moeilijk een miljonair arm noemen.

De Maharal legt uit dat we deze termen bepalen als bewonderenswaardige kenmerken, eerder dan eenvoudige karaktereigenschappen. Er is geheel niets bewonderenswaardig, aan iemands mentale, fysieke of financiële gave, want dat is wat zij zijn , een geschenk. ( Iggeres HaRamban )

Wat een persoon heeft, doet er veel minder toe, dan wat hij is. De boodschap van deze Mishna is om te voorkomen dat mensen zich met elkaar vergelijken. Als men mensen vergelijkt met elkaar, zal men zich primair richten op wie heeft meer geld, wie heeft meer kennis. Maar als men zich continu realiseert dat elk persoon uniek is in het uitvoeren van zijn eigen rol in deze wereld en dat niemand in competitie is met iemand anders, dan kan men deze karaktereigenschappen waarderen en erkennen in vele mensen.

Er hoeft geen scheiding te zijn door rijkdom, want iedereen is in staat om gelukkig te zijn met zijn bestemming. Dit is de sleutel tot nederigheid, bescheidenheid. De bescheiden persoon vergelijkt zichzelf niet met andere mensen. Want niemand kan weten hoe en op welke gebied andere personen de dienst aan HaShem verrichten. De nederige`persoon meet zichzelf aan zichzelf. Reb Zoesha zei eens, “Wanneer ik in de hemel aankom, zal ik niet bang zijn als men mij vraagt waarom ik niet was zoals Avraham of als Moshé. Maar ik zal bang zijn voor de vraag waarom ik niet was wat Reb Zoesha had kunnen zijn .”

De nederige persoon laat geen hoogmoed toe in de grootheid die hij zou kunnen hebben. Maar dat betekent niet dat hij de existentie ervan ontkent. Hij ontkent, in plaats daarvan, de bijzonderheid.

Hij denkt voortdurend hoe veel verbetering er nog gedaan moet worden en hoe veel potentieel onvervuld blijft. Hij ziet geen ruimte voor trots en arrogantie. ( Orchot Tzaddikiem )

De nederige persoon vind het gemakkelijk om gelukkig te zijn met zijn bestemming. Hij zal niet kijken naar de rijkdom van anderen. Hij streeft niet naar glorie en succes. Scherp bewust van het feit dat het HaShem is die deze giften toewijst, hij weet dat aan hem exact het nodige is toebedeeld voor zijn doel in het leven.

De nederige`persoon zal zichzelf bovendien meten aan HaShem. Hij is zich voortdurend bewust van HaShem’s grootheid en realiseert zich hoe nietig hij is. Maar toch, ondanks zijn vrees, voelt hij een immense liefde voor de Koning der koningen.

Het gevolg is dat “hij nederwaarts kijkt [ in vrees en nederigheid ], en zijn hart omhoog rijst [ in verrukking ]” ( Iggeret HaRamban ).

Moshé had dit niveau bereikt. Hij koesterde iedereen van zijn volk en vergeleek zichzelf met niemand. Hij verlustigde zich niet aan zijn verrichtingen, maar zocht naar wat nog moest worden gedaan.

Hij was zich voortdurend bewust van HaShem’s aanwezigheid en was daardoor onderdanig. Het arrogante opgeblazen persoons ego, laat geen hechte naderbijkoming toe met HaShem. “Ik en hij kunnen niet in een wereld verblijven,” zegt HaShem. ( Sota 5a )

Maar de nederige`persoon cijfert zichzelf volledig weg tegenover zijn Schepper. Hij vernietigt zijn egoïstische gevoelens en stelt daardoor HaShem’s aanwezigheid toe. De naam Moshé was gegeven omdat, “min hamajiem meshitihoe” , hij was onttrokken aan het water ( Exodus 2:10 ). Dit betekent in de diepere zin, dat hij zichzelf onttrekt aan alles in deze wereld. Zijn naam drukt alleen uit wat hij niet was, hij was niet betrokken, begaand met zijn eigen leven in deze wereld. Moshé’s naam kenmerkt zijn hele essentie, een persoon die zich volledig wegcijfert om alleen voor HaShem te leven.

SHABBAT SHALOM

Bronnen:

Rambam, Pirké Awot 4:4; Bartenura ad loc.

Derech HaChaim, Awot 4:3.

Michtav Me-Elijahoe vol.I: Kuntrus HaBechirah.

Ohr Gedaljahoe, parashat Beshalach.

Geef een reactie