PARASHAT BECHOEKOTAI

In Mijn inzettingen.        Leviticus. 26:3 – 27:34

Likoetei Sichot, vol. 7, p. 233, vol. 19, pp 137-8

 

Zegeningen binnenin een Vervloeking

 

Chasidoet leert dat de meest sublieme geschenken van tijd tot tijd worden aangereikt in een verborgen vorm.

 

De passage Leviticus 26, 14:26 staan bekend als “de Waarschuwing”. G’D laat Israël er in weten wat de drastische consequenties zijn van het afwijken van de Thora. Traditioneel wordt dit gedeelte zeer snel en op lagere toon gelezen dan de rest  van de lezing. Niemand wordt opgeroepen voor dit gedeelte van de Thora. De lezer reciteert eenvoudig de zegeningen voor en na het lezen ervan, maar hij is niet “opgeroepen.”

 

Als kind, zou Rabbi DovBer van Lubavitch, samen met de rest van de congregatie, heel rustig geluisterd hebben naar deze wekelijkse Thoralezing voorgelezen door zijn vader Rabbi Schneur Zalman van Liadi. Echter in een bepaald jaar was zijn vader buiten de stad tijdens de Shabbat van Parashat KI Tavo, een parasha die een deel van de waarschuwing mede inhoudt. Na het horen van de Waarschuwing, gelezen door de plaatsvervangende Thoralezer, was het kind zo emotioneel van streek dat zelfs een maand later zijn vader onzeker was of zijn zoon in staat zou zijn te vasten op Jom Kippoer. Het kind werd later gevraagd, “Waarom was je deze keer niet verontrust toen de waarschuwing werd gelezen”? Het kind antwoordde, “Als mijn vader het leest, worden er geen vervloekingen gehoord.”

 

“In waarheid zijn zij niets anders dan zegeningen”, schrijft Rabbi Schneur Zalman van Laidi over de Waarschuwing. Hij citeert de Zohar, die spreekt van een verborgen en gereveleerde realiteit. G’D, Thora en de mensheid existeren op een bewust en onbewust niveau. Op het bewuste niveau, lijken deze verzen vervloekingen te zijn. Op het onbewuste niveau, het zielsniveau, zijn deze vervloekingen werkelijk zegeningen. Zij zijn geen pijnlijke ervaringen die we moeten doorstaan voor een groter goed, donkere wolken in gekleed in zilver, zij zijn echt zegeningen. Wanneer een vrome persoonlijkheid zoals Rabbi Schneur Zalman van Liadi deze verzen leest, hoort iemand hun onbewuste betekenis, waarin ze zegeningen zijn.

 

De meest sublieme zegeningen worden verwoord in de meest verschrikkelijke termen. Dit is omdat telkens als een zegen wordt verleend door de Hemel, het eerst het Hemelse Hof moet passeren, waar de toekomstige ontvanger wordt beoordeeld of hij de zegening wel of niet waardig is. Wanneer de zegen zich echter “voordoet” als een vloek, “omzeilt” het de krachten van strikt oordeel, en kan het zijn weg vinden rechtstreeks naar de ontvanger. In de Talmoed [Moed Katan 9b] wordt ons verteld dat Rabbi Shimon Bar Jochai (auteur van de Zohar) zijn zoon Rabbi Elazar zond om de zegeningen van verscheidene Geleerden te ontvangen. Ze werden zo aan hem uitgereikt als of het aanhoorde als een aan schakeling van vervloekingen: “Mag het de Wil van G’D zijn dat je zaait en niet oogst…laat je huis verwoest worden ….laat je tafel in beroering worden gebracht en mag je oog geen nieuw jaar zien.” Zijn vader, uitlegger van de ziel van de Thora, reveleerde aan hem de betekenis van hun “zegeningen”, de ziel van hun woorden.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

Geef een reactie