PARASHAT BAMIDBÁR

In de woestijn (Numeri 1:1 – 4:20)

De twee siderot, Bamidbar en Nasso, handelen o.a. over de Mishkan ( het Heiligdom, het Tabernakel ) in de woestijn en de verdeling van taken met betrekking tot het verplaatsen van het Heiligdom.

Dit benadrukt nogmaals, dat zelfs in de woestijn, Joden de mogelijkheid hebben om, een plaats van heiligheid ( een Mishkan ) te vestigen voor de Shechina ( G’ddelijke aanwezigheid ) om onder hen te verblijven en in het bijzonder, in elke Jood afzonderlijk. ( zie Exodus 25:8 )

Juist zoals er een fysieke woestijn is, een wildernis geregeerd door een extreem klimaat met allerlei gevaren, zo is er ook een spirituele woestijn welke geregeerd wordt door de meest schadelijke denkbeelden, zelfs in een land van fysiek schoonheid.

Dus leert onze heilige Thora ons, dat, als we onszelf in een spirituele woestijn bevinden, wij een heiligdom kunnen en moeten stichten. Bovendien, kunnen en dus moeten wij het voorwaarts dragen, lopend in de voetstappen, als het ware, van de Shechina, ( zie Exodus 13:21 ) tot wij het G’ddelijk gezegende Heilige Land hebben bereikt, m.a.w. de ware en uiteindelijk verlossing door de rechtschapen Mashiach.

Dit is een les voor alle Joden, en in het bijzonder voor Joodse vrouwen. Want de vrouwen waren de allereersten die gehoor gaven aan de oproep voor het bouwen van de Mishkan. (Midrash HaGadol en Ramban op Exodus 35:22 )

In een spirituele woestenij, geregeerd door vernietiging en leegheid, hebben vrouwen ten aanzien van Jiddishkeit, een grote en permanente traditie, één van de eersten te zijn in het vestigen een Mishkan voor de G’ddelijke aanwezigheid.

Parashat Bamidbar verhaalt ook de telling van het Joodse Volk.

De telling was voor iedereen gelijk, van de meest belangrijke tot de meest eenvoudigen. Deze telling diende eveneens als voorbereiding op Matan Thora, het geven van de Thora. Daarom zeggen onze Wijzen, ( Mechilta Jitro ) als er één minder was dan 600.000, dan, G’D behoede, zou de Thora niet zijn gegeven, zelfs niet aan Mozes.

Dit idee is gerelateerd aan het concept van de integrale eenvoud van de ziel, dat alle Joden gemeenschappelijk gelijk zijn.

Daarom zeggen de Baal Shem Tov, de Alter Rebbe, en alle andere Rebbes, dat de integrale eenvoud van de Ultieme Essentie nauw verbonden is met de integrale eenvoud van een Jood. ( Likkoetei Diboeriem, vol III, p491b. )

Dus iedereen werd als een gelijke geteld. Alleen diegene onder het Joodse Volk van twintig jaar en ouder werden geteld.

De leden van de stam Levie daarentegen, werden geteld vanaf één maand en ouder: Kinderen van één maand oud stonden gelijk aan de ouderen. ( Numeri 3, 6:15 )

De stam Levie, zoals is verklaard in het Schrift, is dienstig aan G’D. ( ibid) Aldus stelt de Rambam ( Maimonides ) dat “elk persoon wiens geest de drang heeft om G’D te dienen” is zoals de stam Levi. ( Rambam, Hilchot Smemitha Vejowel 13:13 )

Dienst doen aan G’D impliceert niet alleen het doen van Thorastudie en gebed, maar, ” In al uw wegen, ken Hem.”

( Spreuken. 3,6 ) ( alle mondaine preoccupaties zoals eten, slapen, zaken doen enz. ) ( zie Hilchot Dé ot 3:2-3 ).

Er is dus geen onderscheid tussen diegenen die zichzelf geheel wijden aan de dienst van G’D. Zelfs een kind van één maand oud heeft de zelfde numerieke waarde als ouderen.

Van de Levieten is gezegd ( Numeri 8:16 ): “Want volkomen ter beschikking zijn ze Mij gesteld midden uit de Kinderen van Israël.” Dus de stam Levie representeerde en deed dienst voor heel Israël.

De referentie naar “separatie” van de Levieten ( Numeri 8:14 ) betekende niet dat zij gescheiden en verwijderd waren van de overige Joden. Hun onderscheiden avodah ( werk, dienst ) had een effect en beïnvloedde alle Joden.

Een scheiding is niet mogelijk omdat de manifestatie van de integrale eenvoud van de ziel gelijk gedeeld wordt, door alle Joden.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie