PARASHAT BALAK

NUMERI 22:2 – 25:9

Shabbat 7 juli / 16 Tammoez 

Een vaak geciteerde talmoedische traditie i.v.m. de kanonisering van de Bijbel (Baba Batra 14b) bevat de volgende merkwaardige uitspraak: “Mozes begon zijn eigen boek te schrijven. Het Boek van Bil’am en het Boek van job”. Het feit dat deze twee ,boeken” aan Mozes werden toegeschreven naast zijn eigen vijf boeken, de Tora, heeft menig kommentator zowel in het verleden als nu voor een probleem gesteld.
De verhalen van Job en Bil’am hebben gemeenschappelijk dat de protagonist een buitenstaander, een niet-jood is. Ze helpen ons om meer te begrijpen van de leringen van de Tora als het hoofddeel van de joodse wet en de joodse godsdienst. Wanneer we stellen dat niemand anders dan Mozes de verhalen van Bil’am en Job schreef, krijgen we een aantal nieuwe inzichten in de wetten van Mozes.
Job is de meest tragische figuur uit de bijbelse literatuur. Hij verloor kinderen, en kende pijn en ontgoocheling, meer dan om het even welke andere figuur uit de Bijbel. Het verhaal van de wisselvalligheden en de innerlijke strijd van een dergelijke persoon moet wel de schepping zijn van dezelfde man die ook een Thora van eeuwige wetten voor het menselijke gedrag neerschreef.
Kan iemand de volledige betekenis van de wet begrijpen als hij is afgesneden van alle menselijke lijden, en ver afstaat van alle menselijke twijfel en volslagen wanhoop? Opdat de wetten niet zonder medelijden zouden zijn voor de menselijke wezens met al hun pijnlijke tekortkomingen, moet Mozes wel de man zijn die verantwoordelijk is voor het boek, dat de wet weerspiegelt, en het boek job, dat het leven weerspiegelt.
Rabbi Yitschak Loeria (1540-1572), bekend als de Ari Ha-Kadosh (,,de heilige leeuw”) en de grootste van de joodse mystiekers, bracht zijn jeugd in Cairo door. Elke morgen bij zonsopgang, zo gaat het verhaal, wandelde de Ari rustig langs het riet op de oever van de Nijl.
“Om te graven naar de werkelijke betekenis van de wetten van de Tora”, zo placht hij te zeggen, ,probeer ik te luisteren naar het wenen van het kind Mozes, die hier tussen het riet werd geworpen als een verloren, hulpeloos menselijk wezen dat aan de vervolging ontsnapte. Alleen hij die het wenen van het kind Mozes kan horen”, zo besloot de Ari, “is in staat om de woorden van Mozes de wetgever te begrijpen”.

Als religieuze wetten los komen te staan van de menselijke situatie, dan houden ze op een uitdrukking te zijn van de wil van de Almachtige, die om mensen geeft. Mozes spoorde de Israelieten voortdurend aan om hun gedrag te verbeteren. Hij werd overweldigd door hun opstandige stemmingen en hun ondankbaarheid. Om opnieuw de grootheid van zijn volk te ontdekken moest hij over hen van buitenaf horen spreken. Daarom moest hij ook het boek Bil’am schrijven.
Balak, de koning van het machtige Mo’av, was de eerste die er zich van bewust werd – zelfs voordat de Israelleten zichzelf zo beschouwden – dat ,,een volk naar boven was gekomen uit Egypte”. En Mo’av “was zeer bevreesd”. Bil’am werd gedwongen om de lof van Israel te bezingen zoals geen andere profeet, zeker niet de profeten van Israel, de lof van Israel zou bezingen. Hij’ vertegenwoordigt een passend tegenwicht voor Mozes die de Israelieten telkens weer op hun fouten wees.
Voor Balak was Bil’am machtig, zowel in zijn zegeningen als in zijn vervloekingen (Num. 22, 6). Waarom vroeg hij Bil’am dan niet om zijn eigen volk te zegenen eerder dan Israel te vervloeken? Zoals altlijd verkozen de vijanden van Israel de vernietiging van Israel, zelfs ten koste van hun eigen volkeren, boven konstruktieve bijdragen, waaruit zowel zijzelf als hun buren profijt zouden kunnen trekken.
Bil’am kwam om te vervloeken en werd gedwongen om zijn ver-vloekingen in zegeningen te veranderen. Tot op de dag van vandaag opent het joodse dagelijks gebed (evenals de dagelijkse radio-uitzending van Israel 1 met de woorden van de niet joodse Bil’am: “Hoe goed zijn uw tenten, Jakob, uw verblijfplaatsen, Israel”.
De fundamentele en unieke situatie van Israel onder de volkeren is echter niet veranderd. In de woorden van Bil’am (Num. 23, 9) wordt Israel beschreven als “een volk dat alleen woont”.

Geef een reactie