PARASHAT BALÁK

Balak (Numeri 22:2 – 25:9)

De parasha van deze week bevat de fameuze zegen “ma- towoe ohalècha ja’akov mishkenotècha jisraël, Hoe goed zijn uw tenten, Ja’akov, uw woningen, Jisraël.” (25,5) Onze geleerden zeggen dat de uitdrukking “uw tenten,” verwijst naar perioden als Israël in vrede is met zijn thuisland, terwijl daarentegen het woord “uw woningen” verwijst naar de perioden wanneer Land en Tempel in een staat van verwoesting zijn. Rashi verklaart dat het woord mishkan, woning, ook “onderpand, een garantie, betekent, dat zelfs als er geen “tempel” is, de verwoesting een onderpand is voor Israël om vergoeding te verkrijgen. Hij citeert Eecha Rabba op Klaagliederen 4,11 als ondersteuning.

De Talmoed in Baba Metzia 68, in de poging om het begrip hypotheek te definiëren, wat in het Aramees mashkanta wordt genoemd, een woord welk gelijk is aan het Hebreeuwse Mishkan, woning, beschrijft dat het veld voortdurend “verblijft” bij de eigenaar welke de lening is aangegaan.
Het constante bewustzijn van afhankelijkheid fungeert als een aanmoediging om zich te ontdoen van z’n verplichting. De verbanningservaring van het Joodse Volk heeft de zelfde betekenis, om ons te doordringen van het urgente verlangen om alles te doen wat in ons vermogen ligt, om waardig te zijn voor verlossing. Dan zal G’D’s belofte worden vervuld “wenaatatie mishkanie betochchem…….., Midden onder jullie plaats Ik Mijn woning”.(Leviticus. 26,11)

De verwoesting van de Tempel en de Joodse Staat was een noodzakelijke inleiding voor een opbouw van een betere Joodse Natie. Dit is de betekenis van de profetie “werérd mi’ja’akov wehè’èwietshariet mé’ier, uit Ja’akov staat een heerser op, die de vluchtelingen uit de stad vernietigt.” (Numeri. 24,19)
Bil’am zag een visioen van de verhevenheid van Mashiach, iemand die meer verheven was dan hij zelf. Bil’am vervolgt met het Thema van verlossing wanneer hij zegt: “ik zie het…maar niet nu, ik aanschouw het …..maar niet van nabij.” (Numeri. 24,17) Hij schijnt zichzelf te herhalen. Een andere moeilijkheid in Bil’am’s woorden is het feit dat zij zich tegenspreken. Eerst zegt hij: “ik zie het,” suggererend een heldervisioen, onmiddellijk daarna, beschrijft hij dit als een verre toekomst, m.a.w zijnde niet zo helder. Wat bedoeld wordt is, dat elke dag die komt elementen bevat van de uiteindelijke verlossing. Dit realiseert Bil’am zich volkomen en duidelijk. Wat hij niet duidelijk ziet is de datering waarop dit proces zal worden gecompleteerd.
Onze Rabbijnen hebben dit proces beschreven als een “schaap wonend onder zeventig wolven.” Deze wolven ondernemen dagelijks de poging om het schaap te verzwelgen, maar de Almachtige houdt hen uit hun greep, zoals in Pessikta Rabba 9,2. Het ongelofelijke feit dat de Joodse Natie blijft existeren is een gedeeltelijk bewijs dat de Verlossing een voortdurend proces is. Daarom zegt Bil’am: “ik zie het,” m.a.w als een voortdurend proces, “maar niet nu,” m.a.w de ware Verlossing, de komst van Mashiach, heeft nog niet plaatsgevonden.
Vervolgens, geeft Bil’am een wending aan het Verlossingsvisioen, door te zeggen: “ik zie het, maar niet in de nabije toekomst.”
Hij openbaart dat er een vastgestelde datum is bepaald door G’D, daarentegen, als het volk het zou verdienen kon deze datum worden vervroegd. Dit is parallel aan de verklaring van onze wijzen op de ogenschijnlijke paradox in Jesaja 60,22, “te zijner tijd, zal Ik, de Eeuwige, dit bespoedigen.”
Moge de komst van Mashiach worden bespoedigd tot in onze dagen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie