PARASHAT ACHARÉ MOT

Na de dood (Leviticus 16:1 – 18:30)

De inwijding van het tabernakel. – Wat een opwindende gebeurtenis. Slechts korte tijd geleden waren ze nog slaven en nu is er deze kleurrijke en uitgewerkte structuur, ingewijd in een pakkende ceremonie, tot in het laatste detail gepland door Mozes, de bevrijder en leraar. De inwijdingsceremonie werd uitgevoerd door een prachtig uitgedoste Aharon en zijn mooie, jonge zonen. Een zielsverrukkend schouwspel.

“Van de Almachtige ging een vuur uit dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en wierp zich ter aarde.” (Lev. 9, 24). Ze voelden de Shechina, de aanwezigheid van de Almachtige, onder hen.

En toen sloeg het onheil toe. Nadab en Abihoe, de twee jonge priesterlijke prinsen, die nog net tevoren zo prachtig hun vader assisteerden in het toewijdingsritueel worden uit het heiligdom gedragen, dood.

Aharon, hun vader, stond er verbijsterd bij. Mozes, de oom van de jongens, was eveneens pijnlijk getroffen bij het zicht van de dode knapen. Hij verklaart dat de levens van de jonge prinsen zijn weggenomen omwille van hun verkeerde daden. Hij verordent dat de inwijdingsplechtigheden moeten doorgaan en vaardigt de jongere broers van de overledenen, Eleazar en Itamar, af om de plechtigheden te voltooien.

Komende generaties zullen blijven discussiëren over wat nu eigenlijk de zonde was die Nadab en Abihoe begingen en waarvoor ze met hun leven boetten.

Zijn ze het heiligdom binnengegaan toen ze dronken waren – een zware overtreding in het Israëlitische heiligdom? Dit was een wezenlijk verschilpunt tussen de Israëlitische en de heidense plaatsen van eredienst waar immers dronkenschap en echtbreuk vaak deel uitmaakten van het ritueel. Of waren ze delen van het heiligdom binnengetrokken die voor hen verboden waren, hadden ze het heilige der heiligen betreden?

Sommige wijzen in de Midrash hebben gesuggereerd dat Nadab en Abihoe gestorven zijn niet omwille van een of ander verkeerd gedrag op die dag, maar omwille van hun houding ten aanzien van de hoge positie die ze bekleedden.

Aan het hoofd van de processie die leidde naar het tabernakel stonden Mozes en Aharon, onmiddellijk gevolgd door Nadab en Abihoe, en slechts daarna door de andere priesters en Levieten, gevolgd door de rest van de Israëlieten. Toen de jonge mannen dit zagen maakte de verwaandheid en ambitie zich waarschijnlijk van hen meester. Ze zeiden tot elkaar (een rabbijn zegt dat ze dit slechts in hun hart dachten): “Weldra zullen deze twee oude mannen dood zijn en zullen wij hun plaats overnemen”. Ze waren zo ongeduldig dat ze bun beurt zelfs niet konden afwachten en ze lieten dat ook zien. De Almachtige zei tot hen: ,Roem niet op de dag van morgen” (Spr. 27, 1).

Rabbi Levi, een Palestijnse wijze uit de derde eeuw, zegt dat ze stierven omwille van de pijn die ze veroorzaakten bij de meisjes die hen wilden huwen. Met hun opgeblazen ego’s verkozen Nadab en Abihoe het vrijgezellenschap boven mooie, verkiesbare meisjes. Ze zeiden: “Kijk naar ons. Onze oom is van vaderszijde koning en van moederszijde hoofd van zijn stam (Nahshon); onze vader is hogepriester en wijzelf zijn de hooggeachte afgevaardigden van de hogepriester. Waar is er ergens een jonge vrouw die het verdient om met ons te huwen?”

Waartoe leidde hun arrogantie? Het antwoord is te vinden in het boek van de Psalmen: “Vuur verteerde jonge mannen, [waarom? omdat:] hun meisjes hadden geen bruidslied” (Ps. 78, 63).

Ondanks de dood van Nadab en Abihoe gingen de inwijding van het tabernakel en het leven verder, maar zeker niet op dezelfde wijze. De catastrofe liet sporen na op de toekomstige gebeurtenissen. Men kon niet zonder meer voorbijgaan aan het feit dat er een vuur was geweest op de dag van de toewijding van het heiligdom. Het leven ging inderdaad verder zelfs na het vuur, na de holocaust. Maar het was nooit meer terug hetzelfde leven. De zaken inderdaad, maar niet als naar gewoonte. Een les die jammer genoeg heel wat joodse ideologieën en organisaties niet hebben geleerd, zelfs na de holocaust die ons volk in onze dagen overviel.

“De Almachtige sprak tot Mozes na de dood van de twee zonen van Aharon, toen ze de Almachtige naderden en stierven” (Lev. 16, 1).

“Na de dood van de twee zonen van Aharon” werd niet enkel geschreven om de tijd aan te duiden toen de Almachtige tot Mozes sprak. Het markeerde de waterscheiding tussen het “voor” en het “na” van het vreselijke gebeuren. Hun dood en de dood van elk mens die ons dierbaar is, mag ons niet ongevoelig laten. We moeten niet proberen om er snel aan koud en voorbij te gaan of het te onderdrukken. De Thora en de halachische wetten van de rouw leren ons dat de dood realistisch moet worden genomen zonder zelfbedrog of verheerlijking, dat we niet enkel moeten leren ermee te leven maar dat we er ook van moeten leren wat we kunnen.

Geconfronteerd met de dood, moeten we niet zodanig geschokt zijn dat we onszelf gaan beklagen of ons overgeven aan nutteloze woede, maar ons zelf wat Rav Soloveitchik noemt ,de halachische vraag” stellen. Nu het gebeurd is – het is een feit, hoe duister dat feit ook moge zijn – waarheen ga ik van hieruit? Wat ben ik verondersteld nu te doen?

“Na de dood van de zonen van Aharon” komt een lange lijst van “besluiten” (Lev. 16 e.vv.). Deze besluiten omvatten het verbod van dronkenschap tijdens de verering van God, een gedetailleerde morele code in seksuele zaken en een voorschrift van een leven in heiligheid, wat betekenis geeft aan de jaren die we op deze aarde doorbrengen.

De Thora-afdeling die opent met de dood van de zonen van Aharon wordt genoemd,,Na de dood” en omvat de waarschuwing of, zo men wil, de belofte: “Daarom zult ge mijn bepalingen en verordeningen houden en als iemand deze houdt, zal hij er in leven” (Lev. 18, 5). De zin ve-chai bahem, “hij zal er in leven” is tot de hoeksteen geworden in de ontwikkeling van het halachische principe (pikoeach néfésh) dat de wetten van de Thora leven-gevend moeten zijn en moeten opzij gezet worden wanneer ze in het omgekeerde resulteren of wanneer ze het leven in gevaar brengen.

De bijbelse held Job, die onheil en dood voor ogen ziet, zegt: ,Naakt kwam ik uit mijn moederschoot, en naakt zal ik er naar terugkeren. De Almachtige gaf en de Almachtige heeft genomen, gezegend zij de naam van de Almachtige” Job 1, 21).

Is de mens in staat God te zegenen gelijkelijk voor wat Hij geeft en voor wat Hij neemt? Mijn grote leraar Jehoeda Ibn Shmoe’el, een diepe en aan inzichten rijke geleerde en in zijn persoonlijke leven een ware Job in Jeruzalem, gaf de volgende Iezing van dit vers van Job: ,De Almachtige gaf, de Almachtige heeft genomen: gezegend zij de Naam van de Almachtige voor de jaren tussen het geven en het nemen.” Het leven krijgt een andere betekenis, als een gezegende gave, wanneer het gezien wordt vanuit dit positieve standpunt.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie