Notities “Mozes Maimonides”

Deze studieverhandeling werd mogelijk gemaakt door MEINEMA SLEUTELTEKSTEN en DR. A VAN DER HEIDE

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, de studie “Introductie tot de Talmoed” te volgen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en het Archief.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Noten:

Bij Deel 1.

1. Niet de omkeer in berouw is het eigenlijke bijbelse Gebod, maar de belijdenis van schuld, zoals beneden in I, 1`wordt afgeleid uit Num. 5, 6, 7.

2.Iqqarim, ook de naam die Maimonides gaf aan de grondslagen van het joodse geloof in zijn inleidende beschouwingen in het Mishnacommentaar op Sanhedrin X; zie beneden IV, 6 e.v., en Inleiding. pp. 36-37.

3. Bij het ritueel van de Grote Verzoendag.

4. Mitat Bet Din; zie Inleiding, p. 44

Bij Deel 2.

5. Karet; zie beneden VIII, 1 [21 en Inleiding, p. 44.

6. Teshuva; voor de verschillende betekenisnuances zie Inleiding, p. 35.

7. De rest van dit Hoofdstuk, over de zgn. Vier Wijzen van Verzoening (Arba’a chaluke kappara) is ontleend aan Tosefta Kippurim IV, 6-8; Joma 86a, beneden; etc.

8. Zie Shabbat 151b.

9. Zie Joma 87b.

10. In de gebedenboeken staat de schuldbelijdenis van de Grote Verzoendag steeds na het Achttiengebed. De tekst van Maimonides vertoont enige verschillen met de gangbare; zie zijn versie van de liturgie opgenomen aan het eind van Boek 11 (Ahava) van de Mishne Tora.

11. Joma VIII, 7

12. Het woord jad heeft in het Hebreeuws de getalswaarde 14, het aantal boeken van de Mishne Tora.

Bij Deel 3.

13. Het woord jad heeft in het Hebreeuws de getalswaarde 14, het aantal boeken van de Mishne Tora.

Bij Deel 5.

1. Vgl. bv. Deut. 28, 9: ‘En gij zult in Zijn wegen gaan’, de zgn. Imitatio Dei, nader uitgelegd beneden I, 5-7.

2. Afgeleid uit teksten als Deut. 10, 20; 11, 22: ‘En Hem zult gij aankleven..’. Maar God, die een verterend vuur is, kan men niet in directe zin aankleven en daarom wordt dit gebod in de rabbijnse teksten opgevat als het verkeren in het gezelschap van de geleerden, de Talmide Chacharnim, dat zijn degenen ‘die Hem kennen’; zie beneden VI, 2.

3. Ley. 19, 18: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelve’; zie beneden VI,

4. Deut. 1 0, 1 1: ‘De vreemdeling zult gij liefhebben’. De tekst heeft hier ger, dat in het latere Jodendom proseliet betekent; zie VI, 4.

5. Lev. 19, 17: ‘Gij zult uw broeder in uw hart niet haten’; zie VI,5.

6. Ibid.: ‘Uw volksgenoot zult gij zeker vermanen’; zie VI, 6-7.

7. Letterlijk: Geen aangezicht bleek maken. Vgl. Lev. 19, 17: ‘En gij zult tegen hem geen zonde opwerpen’; Sifre: Zodat hij van schaamte bleek wordt; zie VI, 8-9.

8. Ex. 22, 12: ‘Geen enkele weduwe of wees zult gij onderdrukken’. Weduwen en wezen gelden als prototypes van allen die een onherstelbare maatschappelijke achterstand hebben.

9. Lev. 19, 16: ‘Gij zult niet kwaadsprekend rondgaan onder uw volk’; zie VII, 1-6.

10. Lev. 19, 18: ‘Gij zult geen wraak nemen of wrok koesteren’; zie VII, 7-8.

11. Over de term de’ot, die men zowel met ‘eigenschapen’ als met ‘gedrag’ kan weergeven.

12. In de rabbijnse bron waarop Maimonides hier waarschijnlijk zinspeelt (de woorden van Rabbi Jozua ben Levi in Sota 5b, met verwijzing naar Ps. 50, 23), ontbreekt de idee van het ‘midden’.

13. Letterlijk: binnen de lijn van het recht. De uitdrukking lifnim mi-shurat ha-din wordt gebruikt wanneer vonnissen niet naar de strikte letter van het recht, maar met menselijkheid en mededogen worden uitgevoerd.

14. Sifre, Ekev, par. 49 (p. 114).

Bij Deel 6.

1. Vgl. bv. Deut. 28, 9: ‘En gij zult in Zijn wegen gaan’, de zgn. Imitatio Dei, nader uitgelegd beneden I, 5-7.

2. Afgeleid uit teksten als Deut. 10, 20; 11, 22: ‘En Hem zult gij aankleven..’. Maar God, die een verterend vuur is, kan men niet in directe zin aankleven en daarom wordt dit gebod in de rabbijnse teksten opgevat als het verkeren in het gezelschap van de geleerden, de Talmide Chacharnim, dat zijn degenen ‘die Hem kennen’; zie beneden VI, 2.

3. Ley. 19, 18: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelve’; zie beneden VI,

4. Deut. 1 0, 1 1: ‘De vreemdeling zult gij liefhebben’. De tekst heeft hier ger, dat in het latere Jodendom proseliet betekent; zie VI, 4.

5. Lev. 19, 17: ‘Gij zult uw broeder in uw hart niet haten’; zie VI,5.

6. Ibid.: ‘Uw volksgenoot zult gij zeker vermanen’; zie VI, 6-7.

7. Letterlijk: Geen aangezicht bleek maken. Vgl. Lev. 19, 17: ‘En gij zult tegen hem geen zonde opwerpen’; Sifre: Zodat hij van schaamte bleek wordt; zie VI, 8-9.

8. Ex. 22, 12: ‘Geen enkele weduwe of wees zult gij onderdrukken’. Weduwen en wezen gelden als prototypes van allen die een onherstelbare maatschappelijke achterstand hebben.

9. Lev. 19, 16: ‘Gij zult niet kwaadsprekend rondgaan onder uw volk’; zie VII, 1-6.

10. Lev. 19, 18: ‘Gij zult geen wraak nemen of wrok koesteren’; zie VII, 7-8.

11. Over de term de’ot, die men zowel met ‘eigenschapen’ als met ‘gedrag’ kan weergeven.

12. In de rabbijnse bron waarop Maimonides hier waarschijnlijk zinspeelt (de woorden van Rabbi Jozua ben Levi in Sota 5b, met verwijzing naar Ps. 50, 23), ontbreekt de idee van het ‘midden’.

13. Letterlijk: binnen de lijn van het recht. De uitdrukking lifnim mi-shurat ha-din wordt gebruikt wanneer vonnissen niet naar de strikte letter van het recht, maar met menselijkheid en mededogen worden uitgevoerd.

14. Sifre, Ekev, par. 49 (p. 114).

Bij Deel 7.

15. Avot IV, 4

16. Sota IV, 2.

17. De herkomst van dit citaat is enigszins onduidelijk, maar vgl. Sota 5a.

18. Vgl. bv. Nedarim 22a.

19. Zie voor deze passages: Pesachim 66b, 113b, Shabbat 88b, Joma 23a, Gittin 36b.

20. Vgl. Chagiga 5b.

21. Avot 1, 16 (17).

22. Pesachim 3b; Chullin 63b.

23. Avot Ill, 13 (16).

24. Lignov da’at, letterlijk: iemands weten afnemen.

25. Avot Ill, 13 (16).

26. Avot 1, 14 (15); Demai 11, 3.

27. Vgl. Avot IV, 10 (12)

28. Avot IV, 21.

29. Christelijke monniken en andere geestelijken die ascese praktiseren.

30. Vgl. Ta’anit 1 1 a. Meestal wordt naar aanleiding van de context Num. 6, 11 vertaald als: ‘…omdat hij zich door aanraking van een lijk heeft bezondigd…’. De hier geciteerde interpretatie is gebaseerd op een letterlijke betekenis van de woorden.

31. PT Nedarim IX, 1; 4b, onderaan.

32. Zie bv. Ta’anit 1 la: ‘Samuel zei: leder die vast wordt een zondaar genoemd.’ Dit slaat overigens niet op gezamenlijk vasten terwille van de noden van de gemeenschap.

33. Derekh mashal. Het Spreukenboek is volgens Maimonides niet alleen een verzameling levensregels, maar ook een allegorische uiteenzetting over de natuur van de mens.

34. Avot II, 12 (15).

Bij Deel 8.

35. Qrustemilin, ook genoemd in de Mishna (Kilaim I, 4), is een klaarblijkelijk zeer smakelijke peer afkomstig uit het Italiaanse Crustumeria.

36. Chiltit = assa foetida, een schermbloemige plant met sterk smakende hars.

37. Vgl. Avot IV, 1: Wie is een held? Hij die zijn neiging bedwingt.

38. Letterlijk: als zwaarden (charavot), een woordspeling op het volgende charuvim – Johannesbroodboom vruchten.

39. Dwz. in maart/april en september/oktober.

40. Vgl. Ketubbot 1 1 Oh,

41. Vgl. Sanhedrin 17b

Bij Deel 9.

42. Vgl. Shabbat 15 lb.

43. Letterlijk: in heiligheid.

44. Vgl. Chagiga 5b.

45. Voor deze en de volgende voorschriften vergelijke men bv. Avot IV, 1 6(20); Ill, 10 (12); I, 6, 12; etc., etc.

46. Voor het volgende zie Avot IV, 18 (20).

47. Ter ere van Shabbat mag men voorwenden dat men een duur, lang afhangend gewaad draagt; zie Shabbat 113a, beneden.

48. Chullin 84a.

49. Chullin 84b.

50. De volgorde in Deut. 20 is: huis, wijngaard (= ambacht), huwelijk, afwijkend van wat Maimonides voorstelt, en dat heeft de uitleggers altijd voor grote problemen geplaatst. Wellicht zag Maimonides huis en ambacht als twee aspecten van dezelfde zaak die, onverschillig in welke volgorde, aan het huwelijk vooraf dienen te gaan. Overigens beantwoordt Deut. 28 aan zijn voorstelling.

51. Aan een hoger doel, zoals de Tempel of de godsdienst.

Bij Deel 10.

52. Sifre, Ekev par. 49 (p. 1 1 4-115) en vgl. bv. Ketubbot 1 1 1 b; Pesachim 49a.

53. Avot I, 4.

54. Zie ook Boete en Berouw Ill, 14 [25]; IV, 4.

55. Zie ook Boete en Berouw II, 9 [13], e.v.

56. Arachin 16b: ‘Hoever gaat het vermaan? Rav zegt: tot slaan; Shemuel tot vervloeking; rabbi Jochanan zegt: tot afsnauwen…’ Maimonides heeft hier gekozen voor de mening die het verst gaat.

57. Arachin 16b.

58. Avot Ill, 11 (14).

59. 1 Sam. 22: Doëg maakte de priesters van Nob bij Saul verdacht en doodde hen daarna eigenhandig.

60. Bv. Sanhedrin 1, 1 en Makkot 4b. Merk op dat Maimonides een nauwkeuriger onderscheid tussen de verschillende vormen van kwaadsprekerij maakt dan zijn bronnen.

61. Tosefta Pe’a I, 2 (in iets andere bewoordingen) en vgl. Arachin 15b en PT Pe’a I, 1; 15d, beneden.

62. Arachin 15b, bovenaan.

63. Arachin 15b, beneden; het laatste deel van deze uitspraak is niet overgeleverd. Maimonides denkt misschien bij degene die kwaadsprekerij aanneemt aan het lot van Saul, die Doëgs verhalen geloofde. Ook is mogelijk dat hij denkt aan het bericht van Ziba over Mefiboseth (][I Sam. 9), dat in de Talmud (Shabbat 56a-b) als kwaadsprekerij wordt opgevat en als de oorzaak van de scheuring van het rijk van David.

64. Avak leshon ha-ra, letterlijk: stof van kwaadsprekerij.

65. De Israëlieten die geloof hadden gehecht aan de slechte berichten van de verspieders, werd de toegang tot het beloofde land ontzegd.

66. De gangbare teksten lezen hier: ‘… dat een mens bij alle dingen ter wereld zijn eigenschappen verloochent’ (ma’avir + al middotaw).

Bij Deel 11.

1. Niet de omkeer in berouw is het eigenlijke bijbelse Gebod, maar de belijdenis van schuld, zoals beneden in I, 1 wordt afgeleid uit Num. 5, 6-

2. Iqqarim, ook de naam die Maimonides gaf aan de grondslagen van het joodse geloof in zijn inleidende beschouwingen in het Mishnacommentaar op Sanhedrin X; zie beneden IV, 6 e.v., en Inleiding, pp. 36-37.

3. Bij het ritueel van de Grote Verzoendag.

4. Mitat Bet Din; zie Inleiding, p. 44.

5. Karet; zie beneden VIH, 1 [2] en Inleiding, p. 44.

6. Teshuva; voor de verschillende betekenis nuances zie Inleiding, p. 35.

7. De rest van dit Hoofdstuk, over de zgn. Vier Wijzen van Verzoening (Arba’a chaluke kappara) is ontleend aan Tosefta Kippurim IV, 6-8; ioma 86a, beneden; etc.

8. Zie Shabbat 151b.

9. Zie Joma 87b.

10. In de gebedenboeken staat de schuldbelijdenis van de Grote Verzoendag steeds na het Achttiengebed. De tekst van Maimonides vertoont enige verschillen met de gangbare; zie zijn versie van de liturgie opgenomen aan het eind van Boek 11 (Ahava) van de Mishne Thora.

11. Joma VIII, 7.

12. Vgl. voor dit alles Joma 87a.

13. Vgl. Avot V, 1 1.

14. Vgl. Lev. 19, 18; en boven Regels van Gedrag VII, 7-8.

15. Joma 87a.

Bij Deel 12.

17. Zoals geïmpliceerd in Lev. 23, 24; dit alleen al is voldoende reden voor het blazen ervan.

18. De volgende paragrafen zijn uitgewerkt naar het voorbeeld van de bekende passage uit de Mishna, Sanhedrin X, 1: ‘Heel Israël heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld, …; en dit zijn degenen die geen aandeel aan de Toekomende Wereld hebben: Hij die zegt dat er in de Thora niet over de opstanding der doden wordt gesproken, dat de Thora niet van de hemel is, en de Apikoros… 2. Drie koningen en vier gewone mensen hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld: Jerobeam, Achab en Menasse … Bileam, Doëg, Achitofel en Gehazi. 3. De generatie van de zondvloed heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld … De mensen van Sodom … De verspieders … De generatie van de woestijn… 4. De burgers van een stad die aan afgoderij doet hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld.’ Het was deze passage die Maimonides in zijn commentaar op de Mishna aanleiding gaf tot het formuleren van zijn beroemde Dertien Geloofsprincipes van het Jodendom. Zie ook boven, noot 2, en Inleiding, p. 36-37.

19. Een term afgeleid van de naam van de griekse wijsgeer Epicurus; een in de Rabbijnse bronnen veel gebruikte aanduiding voor iemand met ketterse opvattingen over Gods voorzienigheid.

20. Letterlijk: niet ter wille van de Hemel (shello le-shem shamajim).

21. Moshech et orlato, letterlijk: die zijn voorhuid uitrekt, namelijk om te voorkomen dat men kan zien dat hij besneden is.

22. Zadok en Boëthius waren leerlingen van Antigonos van Socho (vroeg 2de eeuw voor de jaartelling) die golden als de stichters van de richting der Sadduceeën. Dezen loochenden o.a. het gezag van de Mondelinge Leer; vgl. bv. Avot de-Rabbi Nathan A, 5.

23. De formulering van deze passage lijkt te suggereren dat er niet drie maar vier categorieën Thora loochenaars zijn. De uitleggers houden het erop dat voor Maimonides het geloof in de Mondelinge Leer en in de gezaghebbendheid van hen die de Thora overdragen een en hetzelfde is.

24. Het zgn. Sha’atnez, vgl. Lev. 19, 19; Deut. 22, 1 1.

25. Vgl. Lev. 19, 27.

&lt;26. Zie I Kon. 12, 25-32; 14, 16; etc., en boven par. 8 (noot 22).<

27. Zie 11 Kon. 21, m.n. vs. 16., en Sanhedrin 103b.

28. De gangbare edities hebben, waarschijnlijk ten gevolge van censuur, de woorden ‘zoals Jezus’ niet. Structuur en inhoud van deze paragraaf pleiten ervoor Qafih’s Iezing te volgen. Hij citeert een passage uit Sota 47a, die in de gangbare Talmudedities ook niet voorkomt: ‘Jezus toverde, hitste op, misleidde en deed Israël zondigen’ (Haggahot ha-Talmud, Constantinopel 151 1, t.p.). Voor de context zie J. Maier, Jesus von Nazareth in der talmudischen Ueberlieferung (Darmstadt 1978), p. 1 10, spec. noot 241.

29. Megalle panim ba-Tora, vgl. bv. Avot Ill, 1 1. Maimonides volgt hier een interpretatie van deze wat problematische term die verband legt met de uitdrukking azzutpanim – brutaliteit.

30. Het is kenmerkend voor Maimonides’ harmonisatietechniek dat hij de vele andere zondaars aan wie in de Rabbijnse bronnen de toegang tot de Toekomende Wereld wordt ontzegd, op deze wijze van ondergeschikte betekenis verklaart. Dergelijke ondeugden noemt hij bijv. ook in de Regels van het Gedrag VI, 3, 8-9.

Bij Deel 13.

31. Het is nl. zeer ondermijnend voor het rechtsgevoel als een rechter op eerder gedane beslissingen moet terugkomen.

32. Hilchot Jesode ha-Thora 11, 1 0, e.v., en boven Inleiding, pp. 41-42.

33. Lett.: uit de woorden der wijsheid.

Bij Deel 14.

34. Deze in zijn compactheid misleidende uitspraak baseert Maimonides op een (overigens ook weer omstreden) rabbijnse interpretatie van het onderhavige vers; zie bv. Sifre, Ki Tetse, par. 280 (p. 297): ‘Een mens zal wegens zijn eigen zonden ter dood gebracht worden’: volwassenen sterven door hun eigen zonden, kleine kinderen door de zonden van hun vaders (andere Iezing: door hun eigen zonden).

35. Vgl. Avot IV, 1 1.

36. Meestal wordt dit vers op grond van de context in positieve zin opgevat, maar taalkundig gezien is Maimonides’ Iezing ook zeer wel mogelijk.

37. Joma 38b.

38. Boven V, 5.

39. Berachot 34b.

40. Vgl. ook vs. 14 en 27, 17-18, waar staat dat men de waardevermindering van goederen en land in verband met een nabij Jubeljaar moet vermelden. Het bedrieglijk taalgebruik (honajat devarim), door Maimonides behandeld onder de Regels voor Verkoop (Hilchot Mechira), wordt meestal toegepast op het maken van exorbitante winsten, maar krijgt in onze passage een betekenis uitbreiding.

Bij Deel 15.

41. Kiddushin 39b; Chullin 142a.

42. Sanhedrin 64b; 90b; Shavuot 13a.

43. In de halacha is karet gewoonlijk het gevolg van de straffende hand van God, die een onverwachte dood brengt als straf op overtredingen waar een menselijke rechter niet over kan oordelen. Maimonides, gesteund door de letterlijke tekst van de geciteerde passages, gaat hier iets verder en vat karet op als het verloren gaan van de, in principe onsterfelijke, ziel. Zie ook boven 1, 2 [7].

44. Vgl. Berachot 13a.

45. In Hilchot Jesode ha-Thora IV, 8-9 heeft Maimonides zijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel gegoten in de vorm van de aristotelische voorstelling, dat al het bestaande is samengesteld uit materie en vorm. Om te kunnen leven heeft het menselijke lichaam een ziel nodig. Deze ziel vergaat met het lichaam, maar heeft wel een mogelijkheid tot onsterfelijkheid in zich. Onsterfelijkheid komt haar toe in de mate waarin zij haar abstractie, haar ‘vorm’ gerealiseerd heeft. Dat gebeurt wanneer de mens kennis verwerft van hogere, abstracts dingen, van de hemelsferen, de separate intelligenties, de engelen en, voor zover dat voor het menselijke verstand te vatten is, van God zelf. Zie ook Inleiding, pp. 22, 38-39.

46. Zie bv. Bava Batra 75a: Rava zei uit naam van rabbi Jochanan: In de toekomst zal de Heilige voor de rechtvaardigen een maaltijd maken van het vlees van de Leviathan.

47. Maimonides doelt hier ongetwijfeld op islamitische paradijsvoorstellingen.

48. Berachot 34b.

49. Zie boven VIII, 1 en 5.

50. Zie bv. Deut. 28.

51. Deze zin kan zowel op het voorafgaande als op het volgende slaan. De gangbare edities lezen hier hechra’ kol ha-devarim: deze dingen geven uiteindelijk de doorslag. Qafih leest op grond van de handschriften hessea’ ha-devarim: letterlijk: de voortgang, beweging der dingen, en verklaart het in de zin als boven is vertaald. Hij vermeldt met instemming een Iezing hetzea’ ha-devarim: een voorstel voor deze dingen. Indien dit laatste juist is zou men de zin ook kunnen opvatten als: Het volgende is een voorstel om deze stand van zaken te verklaren.

52. Berachot 34b; Shabbat 63a; 1 1 1 b; Sanhedrin 99a. Uitvoeriger zet Maimonides zijn nuchtere opvattingen over de dagen van de Messias uiteen in de twee laatste hoofdstukken van de Mishne Thora, Hilchot Melachim XI en XII.

53. Vgl. Sifre, Ekev, par. 48 (p. 113); Nedarim 62a.

54. Avoda Zara 19a.

55. De uitdrukking be-jichud is ambivalent. Waarschijnlijk is het Maimonides’ bedoeling aan te duiden dat deze hoogste vorm van dienst aan God alleen werd besproken met diegenen die daar ontvankelijk voor waren en er geen verkeerde ideeën uit af zouden leiden.

56. Avot I, 3 in iets afwijkende bewoording.

57. De talmudische term is Thora lishmah: belangeloze Thorastudie.

58. Pesachim 50b.

59. Hilchot Jesode ha-Thora IV en XII.

Geef een reactie