MITSWOT: GEBODEN EN VERBODEN

De joodse manier van leven of de levensstijl van een jood die zich aan de Tora houdt,wordt voor bijzonder moeilijk gehouden.Volgens de traditie bestaan er in de Tora 613 ge- en verboden.
Maar dit is in een aantal opzichten misleidend. Allereerst hebben vele positieve geboden – dat zijn de mitswot die iemand verplichten bepaalde dingen te doen – evenals vele geboden eigelijk geen betrekking op het leven, maar op de algemene structuur van de hele Tora of op het joodse volk als geheel. Van geen enkele jood kan derhalve verwacht worden zich aan alle geboden te houden. In werkelijkheid heeft maar een klein deel van de mitswot betrekking op het dagelijkse leven. Maar als men aan de formele lijst van mitswot alle kleine details toevoegt die er niet specifiek in zijn opgenomen, komt men niet aan honderden maar aan duizenden dingen die op bepaalde momenten en plaatsen op een bepaalde manier gedaan moeten worden. Het is zeker zo, dat als men de geboden als gescheiden en los van elkaar ziet staan ieder als een afzonderlijke verplichting en belasting – deze ondergeschikte mitswot een uitgebreide en zelfs dwaze verzameling van nietige details lijken. En als ze dan al niet vreesaanjagend zijn, dan zijn ze op zijn minst lastig. Maar wat wij detail noemen zijn slechts delen van grotere eenheden, die op hun beurt langs velerlei wegen weer tot een geheel worden. Het is net als het bekijken van de bladeren en de bloemen van een boom terwijl men overweldigd wordt door de overvloed, de verscheidenheid en de complexiteit van de details. Maar als men beseft dat het allemaal tot een plant behoort, dat het allemaal dezelfde bladeren zijn die de veelvormigheid van die ene boom maken, dan zijn de details niet langer hinderlijk en worden ze aanvaard als iets wezenlijks van de wonderbaarlijkheid van het geheel.

Een grondgedachte van het joodse leven houdt in, dat er geen speciale referentiekaders zijn voor heiligheid. De relatie van de mens tot God wordt niet apart gezet op een hoger niveau, niet ondergebracht in een of andere speciale hoek van tijd en plaats terwijl de rest van het leven zich elders afspeelt. De joodse levenshouding houdt in dat het leven in al zijn facetten, in zijn totaliteit, op de een of andere manier met heiligheid verbonden moet zijn. Deze houding wordt enerzijds uitgedrukt door bewust handelen, door het zeggen van voorgeschreven gebeden en zegeningen, door het opvolgen van voorgeschreven gedragsregels, en anderzijds door het zich houden aan een aantal verboden.

Een mens gaat in het algemeen door het leven in het bewustzijn dat de wereld een bonte mengeling is van verschillende bedoelingen. Hij probeert zijn eigen verbinding te leggen met al deze vele mogelijkheden. Hij is zich misschien minder bewust van het feit dat er, buiten de wereld die hij kent, werelden boven de werelden bestaan, afhankelijk van zijn daden. In het jodendom wordt de mens, met alle kracht van zijn lichaam en ziel, opgevat als de centrale figuur, de hoofdrolspeler op een kosmisch podium. Hij functioneert of treedt op als de oorspronkelijke beweegkracht van de werelden, die gemaakt zijn naar het beeld van de Schepper. Alles wat hij doet sluit een scheppingsdaad in, zowel in zijn eigen leven als in andere werelden die voor hem verborgen zijn. Ieder deel van zijn lichaam en iedere nuance van zijn gedachten en gevoel is verbonden met ontelbare krachten van allerlei aard in de kosmos. Hoe meer hij zich bewust is van deze orde van de dingen, des te betekenisvoller zal hij functioneren als jood.
Het stelsel van de mitswot vormt het ontwerp voor een hangende harmonie, waarbij de afzonderlijke delen de instrumenten van een orkest zijn. De harmonie die door dit orkest geschapen moet worden is zo omvangrijk, dat het de hele wereld omvat en de belofte inzicht heeft van de vervolmaking van de wereld.
Als men de mitswot in dit licht ziet, kan men de noodzaak voor zoveel details begrijpen evenals het ontkennen van elke exclusieve nadruk op welk detail of facet van het leven dan ook. De mitswot als stelsel omvat het hele leven, van het moment dat men ’s ochtends zijn ogen opendoet totdat men gaat slapen, van de dag van de geboorte tot de laatste ademtocht.
Niettemin kan voor praktische doeleinden het stelsel van de mitswot verdeeld worden in een aantal hoofdgebieden: gebed en zegenspreuken, gedragsregels voor de bijzondere dagen van de week of van het jaar, voedselvoorschriften, wat is toegestaan en wat is verboden, seksueel gedrag en de relatie tot de medemens.
Het dagelijkse leven wordt gekenmerkt door drie hoofdgebeden. De voorgeschreven inhoud is, behoudens kleine verschillen, voor ieder gebed hetzelfde. Sjachariet, het ochtendgebed, wordt aan het begin van de dag gezegd; Mincha, het middaggebed, voordat de zon ondergaat en Maariev, het avondgebed ’s avonds. De tijden die voor deze gebeden zijn vastgesteld, zijn niet alleen bedoeld om samen te vallen met de verandering in de dag, maar ook als reactie op de subtiele verschillen tussen het licht worden, het donker worden en de duisternis. De gebeden zijn ook verbonden met praktische zaken van de mens. Van het moment dat hij zich ’s ochtends, geestelijk gesproken, voorbereidt op de activiteiten van de dag, tot de namiddag wanneer hij klaar is met zijn dagtaak. En terwijl hij nog midden in de dag staat, wordt hij eraan herinnerd dat hij het contact met heiligheid moet vernieuwen. Het avondgebed, dat na het beëindigen van het dagelijks werk gezegd wordt, is om verantwoording af te leggen aan zijn ziel, en voor de rust.
Het ochtendgebed, waarbij de gebedsriemen gelegd moeten worden en enkele speciale stukken gezegd worden, duurt langer dan de andere gebeden. De liturgie is in zijn geheel een weerspiegeling van de historische ontwikkeling van het joodse volk, waarbij iedere periode zijn eigen toevoeging kent. Hierdoor bevatten de gebeden naast grote stukken uit de Bijbel, gedichten en gebeden uit de tijd van de Tweede Tempel en de daaropvolgende periodes tot en met de Middeleeuwen en zelfs nog later.

Deze gebeden hebben in diepere zin een dubbele betekenis, gemeenschappelijk en persoonlijk. Voor het grootste deel zijn ze algemeen, en geen smeekbeden van iemand die moeilijkheden heeft. Iemand die in nood verkeert, wendt zich vanzelfsprekend tot de bron van heiligheid met zijn eigen individuele verzoek of dankbetuiging, maar de liturgie in zijn geheel voorziet alleen maar in het deelnemen van het individu aan de gebeden van het volk. Daarom hebben de gebeden een vaste volgorde en woordkeus en worden in het algemeen in het meervoud gezegd. Tegelijkertijd wordt binnen deze volgorde een gebed, een vers of een zin of zelfs een hele rij gebeden gezegd die de gevoelens van een individu op een bepaald ogenblik uitdrukken. In het gebed zelf vindt een soort eenwording van alle aanwezige zielen plaats. De mensen die aan het gebed deelnemen, lijken zich van elkaar bewust te worden en zich met elkaar verbonden te voelen, juist als er een gevoel van verbondenheid met het algemeen welzijn wordt uitgesproken. Zo kan de mens die bidt, als hij dat wil, een persoonlijk thema binnen de vastgestelde liturgie invoeren. Er is met opzet voldoende ruimte voor iedereen om de eigen gevoelens tot uitdrukking te brengen. Persoonlijke gebeden worden niet geacht spontane emotionele uitbarstingen te zijn, en er is ook inderdaad geen plaats voor dergelijke uitbarstingen. Er is een bepaalde tijd en een speciale formulering gereserveerd voor een persoonlijk gebed en wanneer men er behoefte aan heeft, kan men daar gebruik van maken. De traditionele liturgie is een steeds terugkerende oefening voor de ziel, vastgelegd in een zorgvuldig gekozen proces, wat door de mensen als een collectief geheel door de eeuwen heen is bepaald. Het omvat verschillende meditatieoefeningen voor en tijdens het gebed en verschaft een mogelijkheid om binnen een gecontroleerde situatie in een hogere bewustzijnsstaat te komen. Zo is gebed niet alleen een prevelen van bepaalde woorden maar ook een sleutel en een soort ladder waarop iemand, wanneer hij werkelijk openstaat voor het wezen van het gebed, steeds een stapje hoger kan komen.
Behalve deze gebeden, waarvan de inhoud min of meer vastligt, bestaan er veel zegenspreuken. Deze zijn in het algemeen vrij kort, en herinneren iemand eraan dat de daden die hij verricht niet zonder meer handelingen zijn, maar dat zij een betekenis en een inhoud hebben. Een dergelijke zegenspreuk wordt bijna voor iedere mitswa gezegd en ook voor bijna alles waarvan men geniet in het leven of het eten en drinken is, een geur of iets prettigs om te zien. De werkelijke functie van de zegenspreuk is iemand eraan te herinneren dat hij moet stoppen met het proces van gewoonte en routine, dat hem altijd naar het gebied van het mechanische en zinloze trekt. Bij elk moment van verandering in de voortgang van het leven moet men met enkele woorden tot uitdrukking brengen dat het bijzondere dat men aan het doen is met voor of van zichzelf is, maar dat het op een zeker punt verbonden is met een hogere wereld. Zo komt men door deze zegenspreuken, verspreid over de hele dag in alle mogelijke situaties, tot een integratie van de gewone alledaagse elementen van het leven en tot een hogere orde van heiligheid.
Behalve de werkdagen met hun eigen dagelijks terugkerende gebeden, bestaan er de langere cycli van de week, de maand en het jaar, ieder met zijn bijzondere dagen: Sjabbatot, feestdagen en gedenkdagen. De gedenkdagen zijn gewoonlijk heilige dagen, vastendagen die aan treurige gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk herinneren of vreugdevolle dagen die wonderen en daden van goddelijke genade gedenken. Maar de centrale peilers in de structuur van de joodse kalender zijn de Sjabbat en de feestdagen, waarover in de Tora wordt geschreven. Het thema en het speciale karakter van deze dagen wordt gekenmerkt door feestelijke innerlijke rust. Het zijn dagen waarop geen enkele arbeid of bepaalde activiteit wordt verricht.
De Sjabbat met zijn strenge verbod tegen elke vorm van werken is verbonden met het Scheppingsproces. Zoals de schepping van de wereld in zes dagen plaatsvond, zes dagen waarin de dingen geschapen werden die de materiele wereld vormen, zo worden de zes dagen gewijd aan het werken voor de materiele wereld, het herstel, de opbouw, het op een hoger plan brengen. De Sjabbat die hierop volgt is weer een terugkeer naar het innerlijke leven – net als van de Schepper zelf – naar de hogere werelden, de geestelijke essenties, de onveranderlijke bron van alle verandering. Want om het evenbeeld van God te zijn, moet de mens de oorspronkelijke Schepping voortzetten, aanvullen of herstellen en zich dan in zichzelf terugtrekken, waarbij hij zich afzijdig houdt van lichamelijke activiteit, en de heiligheid die.van rust en volledige vrede uitgaat vernieuwt. De Halacha, de formele structuur die de volgorde van de mitswot bepaalt, schrijft zeer nauwkeurig de vele dingen voor die op Sjabbat verboden zijn. Maar zij zijn allen afgeleid van dezelfde grondgedachte: de Sjabbat is de dag waarop men ophoudt Schepper te zijn in het gebied van de buitenwereld en men zich naar binnen keert naar heiligheid. Deze tweeledige eigenschap van de dag waarop men zich van creativiteit dient te onthouden en tegelijk de creativiteit, in geestelijke termen gesproken, moet voltooien, vloeit vanzelfsprekend uit deze gedachte voort. Tikkoen – het orde op zaken stellen in de wereld, en zelfs het werken aan zijn eigen ziel of het helen van haar wonden -mag niet op de Sjabbat. De Sjabbat moet dienen voor een overzicht van de dingen die gedurende de week verkregen zijn, in een poging hen geestelijk te verheffen en bewust of onbewust de week tot een grotere harmonie te brengen, tot een hoger niveau van vervolmaking. Zo wordt de Sjabbat de voltooiing of bekroning van de week wanneer al datgene van materiele en geestelijke aard, dat gedurende de zes voorafgaande dagen gedaan werd, wordt samengevat en doorleefd. Dat wil zeggen, dat het op een hoger niveau van wijding komt zodat er opnieuw in de daarop volgende week een opstijgen in dezelfde cyclus van dagen kan zijn.
Het rust houden en het afwijzen van de dagelijkse activiteit geldt ook voor de feestdagen, ondanks het feit dat deze dagen niet dezelfde diepe gedachte inhouden: het navolgen van het goddelijke Scheppingsproces van de wekelijkse kringloop. Wel zijn zij verbonden met de cyclus van het jaar, de jaarlijkse herdenking van historische gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk, die ook de goddelijke geschiedenis van de mensheid is. Er zijn bepaalde dingen toegestaan om de strengheid van de Sjabbat op feestdagen te vergemakkelijken, niettemin gaat het om het naar binnen gekeerd zijn. Iedere feestdag heeft en bijzonder karakter, een eigen essentie en een eigen spiritualiteit, waardoor de manier van vieren en de houding van de ziel verschillend zijn. De jaarlijkse cyclus loopt van Pasen, wanneer het begin van het leven van de ziel en van het volk herdacht wordt, via het Sjawoeot feest naar het Soekkot feest. Op Sjawoeot wordt herdacht dat weerstanden en obstakels zijn overwonnen en de Tora gegeven is, hetgeen het staan voor de Allerhoogsten betekent. Soekkot is het feest van de rijping, volwassenheid en beloning.
Grote Verzoendag, die ook tot de feestdagen gerekend wordt, is een bijzondere dag. Hoewel het een vastendag is, is het ook de Sjabbat Sjabbaton, een dag van volledige werkonthouding. Deze dag belichaamt een moment in de tijd dat nog boven de Sjabbat uitgaat. Het is de dag in het jaar die verzoening brengt, wanneer de lagere menselijke wereld weer opstijgt, niet alleen boven de cyclus van het stoffelijke leven uit, maar in zekere zin ook boven de allesomvattende factoren die alles in het eigen individuele bestaan bepalen. Het is de dag waarop men niets doet, omdat het scheppend vermogen in de wereld tot stilstand komt. Het is de dag waarop men niets eet of drinkt, omdat vanaf het eerste begin de mens dan uit de schoot van de wereld in een ander rijk komt. Alleen door dit staan voor God, wat de uiteindelijke verlossing van het zwoegen inhoudt en het heengaan uit de wereld komt de mens in aanraking met datgene, dat boven de wereld is, met het goddelijke, het Absolute. Aan Zijn zijde is hij in staat uit te stijgen boven de grenzen van het verleden, boven de daden die hij heeft verricht en het leven dat hij heeft geleefd. Zo kan hij een hoger stadium van ‘zijn’ bereiken, en rust vinden en een nieuw begin op het vlak van de goddelijke vergevensgezindheid.
Nogmaals, alle feestdagen, feesten en gedenkdagen hebben vele kanten, die vaak gezien worden als lastige beperkingen of gewoonten die allen organisch gegroeid zijn uit de fundamentele betekenis van de gewijde dag waartoe zij behoren. Zo moet iemand om de zegen van een bijzondere dag te genieten zijn energie concentreren en zich bewust instellen op deze betekenisvolle gedachte en de symbolische voorstellingen ervan. Hij moet zichzelf afstemmen om de weerklank op te vangen. Dan zullen de talrijke en verschillende details van de geboden geen belasting meer zijn en geheel geaccepteerd worden als een uiterlijke expressie, als de heldere en specifieke relatie van de mens met de fundamentele geestelijke beleving.

De mitswot en de halachot die voorschrijven wat een jood al dan niet mag eten – wat allemaal met kasj’roet te maken heeft – zijn gebaseerd op het principe dat een mens geen hoger, nobeler geestelijk leven kan leiden zonder dat het lichaam eerst een geschikte voorbereiding ondergaat. Aan de ene kant vormen de voorschriften van wat men wel en niet mag eten een soort heilig dieet, een systeem van instructies die iemands keuze van voedsel bepalen, waardoor hij maximaal kan benutten wat uit de wederzijdse invloed van lichaam en ziel voortkomt. Het eten van verboden voedsel is, in joodse zin, niet alleen een overtreding van het heilige – en derhalve een vereenzelviging met het gebied van het kwade – maar het schaadt ook het netwerk van de relaties van lichaam en ziel. Dit principe gaat er van uit dat voedsel een zaak is van verschillende niveaus, opklimmend in de kwaliteit van `zijn’, zoals het verschil van het niveau van het stoffelijke en het levende met planten, dieren en speciale soorten dieren, waarbij er een steeds groter aantal beperkingen geldt voor de wijze waarop ieder soort voedsel klaargemaakt en gegeten wordt. Dat wil zeggen, dat op het gebied van het stoffelijke niets werkelijk verboden is, omdat dit gebied niet gevoelig is voor het onderscheid tussen het heilige en het niet-heilige. Zelfs wat planten betreft hebben de beperkingen alleen betrekking op wat groeit in Israël. Alles wat buiten het Heilige Land groeit wordt ten allen tijde als eetbaar beschouwd, terwijl het eten van dingen die binnen het land groeien door regels wordt beperkt. Hierbij gaat men ervan uit dat de heiligheid van het land aan de dingen een hoger niveau van ‘zijn’ geeft en de mens gevoeliger maakt voor heiligheid.
Het beginsel wordt duidelijker zichtbaar op het vlak van het dierlijke leven, het eten van vlees. Er zijn vanzelfsprekend verschillende groepen van verboden. In de eerste plaats zijn alle ongewervelde dieren absoluut verboden. De meeste vissen met vinnen en schubben zijn toegestaan, andere vissen niet. Ook is er geen speciale bereiding nodig voor het eten van vis. Wat gevogelte betreft: er is een bepaalde lijst van vogels die men mag eten. Maar zij moeten op en speciale manier worden geslacht, waarbij bepaalde gebeden moeten worden gezegd en zo min mogelijk pijn en leed veroorzaakt mag worden. Ook moet het bloed op en bepaalde wijze wegstromen, zodat het vlees geschikt is om door het menselijk lichaam opgenomen te worden. Voor het eten van hogere dieren bestaan zelfs nog strengere voorschriften – slechts een klein aantal is toegestaan. Het slachten en bewerken voor de bereiding zijn met grote nauwkeurigheid voorgeschreven. Het door elkaar gebruiken van sommige soorten voedsel zoals vlees- en melkproducten is absoluut verboden.
Het mengen van twee stoffen van verschillende aard is een algemeen verbod in de Halacha. Dit gaat verder dan het kasj’roet van de spijswetten. Wij kennen zeker niet in ieder vlak van het bestaan de grenzen van onderscheid tussen het ene voorschrift en het andere, maar in de Tora wordt een aantal met name genoemd, opdat enige zuiverheid gehandhaafd blijft. Het gaat natuurlijk niet om zuiverheid op zich, maar om de noodzaak alle dingen in de wereld tot de staat van Tikkoen of volmaaktheid te brengen, hen op een hoger plan te brengen door ze te verbeteren, te herstellen en ze in de juiste verhouding tot elkaar te plaatsen; om iets te herscheppen door het zo volledig mogelijk te laten bestaan en te verlossen door het volledig tot ontplooiing te laten komen. Op die manier leidt het eten van iets niet tot vernietiging en verwoesting, maar tot een Tikkoen of heiliging van het voedsel. Het eten van onrein of op onjuiste wijze gemengd voedsel maakt neerslachtig en veroorzaakt een vermindering en verlaging van het bewustzijnsniveau.
Daarom ook betekent eten en drinken op Sjabbat en feestdagen meer dan het bevredigen van de normale behoeften. Het is een mitswa op zichzelf, omdat op dergelijke heilige dagen het volk de wereldse zaken beter op een hoger plan kan brengen en heiligen. Zo wordt de feestdag een gelegenheid tot eenwording met de Schepper. Ten tijde van de Tempel was het rituele offer op zichzelf een gelegenheid voor een gemeenschappelijke maaltijd, waaraan de mensen in verbondenheid met de Hogere Macht deelnamen. Tot op de dag van vandaag wordt een gewone tafel beschouwd als een soort altaar waaraan degene die voedsel gebruikt een dergelijke daad vervult, hoe onvolledig ook, waarbij hij het stoffelijke verheft tot het menselijk niveau door het de doeleinden van de mens te laten dienen en door het bepaalde krachten uit de wereld te laten overbrengen naar een gebied waar heiligheid werkzaam is. Er moet daarom met buitengewone zorg worden gelet op wat gegeten wordt en de manier waarop men eet moet in overeenstemming zijn met het doel van de heiliging. Eten is niet zomaar een onverschillig genot zoeken; het is een ceremonie.
Er bestaat ook een dergelijke houding ten aanzien van het seksuele leven. In het jodendom wordt seks nooit beschouwd als iets verkeerds of schandelijks. Integendeel, het wordt als een daad van een hogere orde gezien, die de mogelijkheid in zich heeft de nobelste eigenschappen naar buiten te brengen, niet alleen op het gebied van het individuele gevoel, maar ook op het gebied van het heilige. En het is niettemin juist vanwege deze mogelijkheid dat er strikte beperkingen bestaan. De gehele orde van relaties tussen de verschillende werelden kan worden opgevat in de zin van intieme verbintenissen, als een soort van seksuele relatie tussen de ene wereld en de andere, tussen het ene niveau van ‘zijn’ en het andere. Daarom hebben seksuele relaties een enorme invloed op de ziel. Dit alles maakt duidelijk waarom het noodzakelijk is om een diepe eerbied te hebben voor, en bezorgd te zijn over alles wat het gebruik van de kracht van seks betreft, nog afgezien van, het primaire vermogen ervan – het scheppen van een nieuw leven. In beginsel wordt in het jodendom seksualiteit niet uitsluitend beschouwd als een middel tot voortplanting van het menselijk ras of als middel tot vruchtbaar zijn en vermenigvuldiging. De relaties tussen man en vrouw vormen een organisch netwerk, dat een eigen leven leidt. Het vormt de schepping van een andere eenheid, het gezin, dat de kern van het sociale bestaan vormt. In diepere zin is de gezinseenheid een deel van de integratie van het menselijk individu. Met andere woorden; het niet-verbonden individu is nog niet een volledig persoon; de totale individu is altijd tweeledig, man en vrouw. Zelfs terwijl beide partners verplicht zijn hun eigen werk te doen – lichamelijk en geestelijk – is het toch de soort wederzijdse relatie die hen op het vlak van de mensheid een plaats geeft.
Als gevolg hiervan zijn seksuele relaties buiten het echtelijk verkeer verboden. De verboden op alle andere seksuele relaties zijn ontleend aan het feit dat dergelijke relaties in wezen niet leiden tot het niveau van volledigheid of eenheid die voor een menselijk wezen vereist is. Hoewel het gebod ‘wees vruchtbaar en vermenigvuldig u’ slechts een deel en niet een noodzakelijk deel is van de bedoeling en de betekenis van het seksuele leven, is het een kwestie van principe dat het seksuele leven gebaseerd zou zijn op relaties die tenminste de mogelijkheid tot voortplanting omvatten. Dit principe is op zijn beurt afgeleid van de joodse opvatting, dat heiligheid zo’n levende werkelijkheid is dat het vruchtbaar moet zijn, in staat tot groei, ontwikkeling en het dragen van vrucht. Op dezelfde wijze ligt al datgene wat deze mogelijkheid tot voortplanting en groei niet heeft – wat niet in verband staat met de schepping van een nieuwe vorm – dichtbij het gebied van corruptie, dood en kwaad. De bepalingen die ten aanzien van de seksualiteit bestaan zijn daarom in hoofdzaak bedoeld om het geslachtsverkeer te beperken tot de eenheid die de basis van het gezin vormt, tot de man-vrouw, de mannelijke-vrouwlijke interactie en tot de volledigheid en volmaaktheid die daaruit voortvloeien en het dienovereenkomstig voortbrengen van nieuw leven. Om dezelfde reden wordt erotiek begrensd tot zijn eigenlijke kader. Als seksualiteit en erotiek welig tieren en de levenskracht zonder enige werkelijke innerlijke betekenis nutteloos wordt verbruikt, worden seksuele relaties een onpeilbaar verderfelijk proces in die zin dat grote goddelijke krachten misbruikt en verspild worden. De voorschriften omtrent seksuele reinheid, de regels omtrent seksuele gewoonten en het juiste moment voor geslachtsverkeer binnen het gezin zijn bedoeld om deze levenscyclus te integreren in de grotere bestaanscycli. Tegelijkertijd zijn ze bestemd om de seksuele kracht te gebruiken om op een hoger niveau te komen. Een van de centrale peilers van het joodse denken is altijd de Tikkoen van de maatschappij geweest, de taak om de maatschappij op orde te brengen, hem stevig te laten rusten op een gemeenschappelijke inspanning en zijn individuele leden harmonieus te laten functioneren. De Tora bestaat dan ook uit veel meer dan een nauwkeurige beschrijving van de mitswot en de overtredingen. Niet alleen bestaat er geen algehele terugtrekking uit het leven, maar er wordt zelfs aangedrongen op het handhaven van een bepaalde waakzaamheid ten aanzien van het welzijn van de maatschappij en het werken aan een betere wereld. Vandaar ook het algemene verbod tegen het vernietigen van ieder ding dat gebruikt kan worden en waarde heeft, en het voorschrift om zich bezig te houden met dingen die creatief en nuttig zijn. Als het de maatschappij in zijn geheel aangaat, wordt iedere asociale daad of hij uitdrukkelijk verboden is door de Tora of niet, als een overtreding beschouwd. Iemand moet zich tegenover anderen veel beter gedragen dan tegenover zichzelf. In feite moet de ander op het beeld van God lijken en ieder onrecht dat hem wordt aangedaan is als een onrecht aan het goddelijke beeld in zichzelf. Als men deze gedachtegang volgt is het verboden zijn naaste lichamelijk letsel toe te brengen, evenals liegen, stelen, bedriegen en dergelijke. Vergrijpen zoals belediging, laster en roddel worden in veel opzichten als veel ergere misdaden beschouwd dan specifieke religieuze of rituele overtredingen. Er wordt niet voor niets gezegd dat Grote Verzoendag (Jom Kippoer) verzoening schenkt voor overtredingen die de mens jegens God begaat, maar niet voor overtredingen die men tegenover zijn naaste begaat. Het laatste is dubbel zondig, omdat er kwaad gedaan wordt tegenover de mens en tegenover God. Zolang de overtreder zijn naaste geen verontschuldigingen aanbiedt, kan hij geen vergeving en verzoening van God verwachten.
Sociale verplichtingen omvatten alle familierelaties, zoals de plichten van ouders ten opzichte van hun kinderen en de eer die aan ouders bewezen moet worden. Zij reiken van de noodzaak zich te bekommeren om alle leden van een gezin, tot de zorg voor zijn vrienden en kameraden. Een steeds terugkerende en diep verankerde uitdrukking in de traditie is gemieloet chassadiem (het verlenen van naastenliefde).
Hiermee wordt de algemene mitswa om goed te doen bedoeld en om mensen op alle mogelijke manieren materieel of op andere wijze te helpen. De bedoeling van deze mitswa is dat de maatschappij en zijn leden het kwade van maatschappelijk individueel ongeluk moeten herstellen. Dit voert ons tot een essentieel beginsel in het jodendom; het zelfrespect, een begrip dat uitstijgt boven de persoonlijke waardigheid en de eer van de gemeenschap. Het is afgeleid van het fundamentele gevoel van eerbied en liefde voor de medemens, zoals dit wordt uitgedrukt in de eenvoudigste en de meest formele menselijke relaties en in de noodzaak iedereen die struikelt en valt te helpen zijn evenwicht terug te vinden om weer op eigen benen te kunnen staan. Een noodzakelijke gevolgtrekking van dit principe is het zorgvuldig vermijden van het beledigen van een dode. Dit betekent niet dat er dodenverering bestaat. Het is eerder een directe voortzetting van de eerbied die men iemand tijdens zijn leven toedroeg, eerbied voor het lichaam dat eens tot het goddelijke beeld behoorde.
Bij alle paden die men aldus in het sociale bestaan bewandelt, bestaat er de verplichting zich niet alleen te onthouden van dingen die kwetsend kunnen zijn voor een ander, maar ook om weloverwogen en oprecht te handelen om het leven als geheel te verbeteren en te verheffen. Er bestaat bijvoorbeeld de oude gewoonte een tiende van zijn inkomen af te staan aan liefdadigheid om hiermee anderen te helpen op iedere manier die geschikt lijkt. Hoewel het algemene doel van de ethiek het verbeteren van de maatschappij inhoudt, geldt dit vooral voor ieder individu. Een enkeling wordt beschouwd als een wereld, een totaliteit op zichzelf, en de zorg voor hem moet dezelfde vermenging van liefde en eerbied zijn die men aan een goddelijke verschijning schenkt.
Dezelfde benadering geldt uiteraard voor het volk als geheel. Het joodse volk moet zichzelf als een grote familie beschouwen, als een bijzondere sociale eenheid met nauwe persoonlijke banden. Deze nationale eenheid wordt als een eerste vereiste beschouwd, niet als de som van veel gescheiden delen maar als datgene wat ontstaat uit het opstijgen in niveau van een ziel naar een andere en dat zo’n grote vervolmaking bereikt dat alle zielen van Israël een algemene ziel vormen die de goddelijke verschijning in de wereld is. Daardoor verhouden de verschillende zielen zich tot elkaar als delen van een lichaam.
Vanuit dit gezichtspunt geldt dat hoe hoger iemand opstijgt, hoe meer hij is verbonden met de beproevingen en moeilijkheden van zijn medemens. Want ieder menselijk wezen is een deel van de enkele ziel die de geest is van het gehele universum.

Één reactie op “MITSWOT: GEBODEN EN VERBODEN

Geef een reactie