LAG BA`OMER

De 33e dag van de omertelling in de periode tussen Pesach en Shavoe`ot Ijar 18. Vrijdag 11 mei.

Lag Ba`Omer herinnert ons aan gebeurtenis die de duizenden studenten van de grote geleerde Rabbi Akiva overkwam. Zij werden getroffen door een epidemie als gevolg van respectloos gedrag onder elkaar. De epidemie stopte op Lag Ba`Omer. Daarom weten wij van Lag Ba`Omer dat het bestuderen van de Heilige Thora in goede kameraadschap, liefde en respect voor elkaar moet zijn.

Lag Ba`Omer herdenkt de beëindiging van de plaag onder de studenten van Rabbi Akiva; het wordt evenzo gehouden uit bijzonder respect en waardering (vooral onder chassidiem) als jaartijd, de gedenkdag van het heengaan van Rabbi Shimon Bar Yochai, die leefde in de tijd van de Romeinse overheersing van Israël en een eminent student van Rabbi Akiva was. Hij gaf de leer van de esoterische aspecten van de Thora over aan een selecte groep studenten en was de auteur van de Zohar (Het Boek van Uitstraling).

De Zohar werd het basiswerk van Kabbala en de basis voor de filosofie en Chassidische leer in het algemeen, gefundeerd door de Baal Shem Tov (1668- 1760) evenzo als Chabad Chassidisme uiteengezet door Rabbi Schneur Zalman van Laidi (1745-1813).

PARASHAT EMOR – LEVITICUS 21:1 24:23.

ZEG

“Jullie zullen heilig zijn” – heiligheid als een bereikbaar menselijk doel staat in het centrum van het boek Leviticus en van de hele Tora. AI de rest is commentaar: de details hoe we ons zelf daartoe voorbereiden en hoe we dat uitvoeren in ons leven.

Heiligheid is het joodse antwoord op bet probleem van het menselijke bestaan. De mensheid heeft er altijd op aangestuurd om aan het fysieke leven enige metafysische betekenis toe te kennen. Men voelde aan dat, al is de mens niet op een of andere manier meer dan menselijk, hij in elk geval niet minder is dan menselijk. Vandaar de pogingen om dit tijdelijke leven te overstijgen door kunst, eros, religie en onsterfelijkheid. Het jodendom onderricht dat het de heiligheid is die deze extra dimensie in ons leven brengt. Niet door uit het leven weg te vluchten, maar eerder door er naar te streven om “heilig te zijn” in deze wereld en in dit leven.

Vele van de wetten uitgestippeld in de Tora vormen tezamen een praktisch handboek voor elke dag dat aangeeft hoe leken en priesters een leven van heiligheid kunnen leven.

Op de achtergrond van de fascinering van de dood in oude (en nieuwe) godsdiensten, en in kontrast met hen die naar tempel en priesters opkijken om gelukzaligheid in het hiernamaals te verwerven, horen we vanuit de Bijbel het volgende gebod: “De Almachtige sprak tot Mozes: spreek tot de priesters, de zonen van Aharon. Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot” (Lev. 21, 1).

Dit gebod moet gezien worden tegen de achtergrond van de opzichtige en pompeuze verering van de doden in het oude Egypte dat het volk Israël recent had verlaten. Heel het leven in het oude Egypte was gecentreerd rond de dood. Een van de grootste bekommernissen was het bouwen van een “huis van eeuwigheid”, het gra£ Wanneer de dood kwam, voltrokken de priesters, goden en godinnen een reeks rituelen, processies en betoveringen om het lichaam op zijn juiste plaats te krijgen. De dode werd begraven met kleren, eetgerei, wapens en andere persoonlijke zaken. Bij de koninklijke begrafenissen van de eerste dynastie werden slaven gedood en begraven naast hun koning om hem in de komende wereld te dienen.

Uiteraard kon niet iedereen bij zulke gelegenheden de volledige “diensten” van de priester bekostigen. Het was een voorrecht dat voorbehouden bleef aan het koningshuis en de heel rijken. Begrafenissen waren “big business” voor tempel en priester en de uitgebreide dodenindustrie welke rond hen groeide.

De Israëlitische priester houdt zich niet alleen ver van dit alles, het is hem zelfs niet toegestaan dicht bij de dode te komen. Dit onderstreept het feit dat het niet zijn werk is om te zorgen voor de doden maar veeleer om leraar te zijn en te fungeren als model van heiligheid voor de levenden. Hij wordt “verontreinigd” door het contact met de dode, een praktijk die tot op de dag van vandaag van kracht is. Een traditionele jood die een cohen is mag een begraafplaats niet betreden en ook niet binnen gaan in een huis waar zich een lijk bevindt.

Om evenwel de suggestie te vermijden dat er een inherente demonische verontreiniging zou zijn binnen het menselijke lijk, waarvan de dienaren van de Almachtige zich ver moeten houden, komt de uitzondering die het licht werpt op de regel. De priester mag (moet, volgens de interpretatie van rabbi Akiva) zorg dragen voor de begrafenis van zeven van zijn familieleden: zijn vrouw, zijn vader en moeder, zijn zoon en zijn dochter, zijn broer en zijn zuster.

Zorg dragen voor de doden en erop toezien dat hun begrafenis plaatsheeft, wordt beschouwd als een primaire menselijke verplichting. Ook de coben kan zich niet verbergen achter zijn priesterkleding om zich aan zijn verantwoordelijkheden te onttrekken ten aanzien van zijn naasthestaanden of ten aanzien van een eenzame arme (met mitsva) voor wie niemand anders de moeite neemt om hem te begraven. Niet de dood verontreinigt de priester maar het verschuiven van het gewicht van zijn verantwoordelijkheden van de levenden naar de doden. Omwille van bet respekt voor het leven op deze aarde geldt het zorgdragen voor de doden als een heel hoge prioriteit in iemands religieuze verplichtingen. De begrafenis van de doden werd in de joodse traditie niet overgelaten aan professionele begrafenisondernemers die ruw zouden kunnen worden in de uitoefening van hun werkzaamheden. Elke joodse gemeenschap had een groep van vrijwilligers die het als een eerbiedwaardige plicht aanzagen om zorg te dragen voor de doden en hun naastbestaanden. Ze waren gekend als de chevra kaddisha, de heilige gemeenschap.

Ze beschouwden de dood niet als een fascinerend verschijnsel maar veeleer als iets dat tot het leven behoort en ons allen te wachten staat.

De begrafenissen in het oude Egypte duurden niet minder dan zeventig dagen. Zeventig dagen vol met een pompeuze ceremonie. In de joodse traditle is het zo dat hoe minder tijd er verloopt tussen de dood en de begrafenis, hoe beter. Hoe simperer de zaak, hoe meer aanbevelenswaardig. Het is een oude traditie in Jerusalem om de doden snel te begraven; men mag ze niet onbegraven laten, zelfs niet gedurende de nacht. Daarom worden gedurende de nacht begrafenissen gehouden als de dood laat op de dag intreedt. Er is geen bijzondere reden om de begrafenis uit te stellen.

De rabbi heeft zoals de vroegere priester geen bijzondere religieuze funktie bij de begrafenis. Hij “leidt” de overledene niet naar ziin eeuwige rustplaats. Zijn enige religieuze verplichting is het reciteren van kaddish, wat op geen enkele wijze een gebed voor de dode is, maar een oproep tot de levenden.

Kaddish is de grote uitzondering in de joodse liturgie omdat het gebed niet tot de Almachtige gericht is, maar tot het aanwezige publiek. In het kaddish wordt verklaard dat, zelfs op het moment van pijn en verlies, gekonfronteerd met de nederlaag van de dood, het doel van het leven in deze wereld de verheerlijking en heiliging van Gods naam is -“in deze wereld die Hij geschapen heeft volgens Zijn wil”, en dat het koninkrijk van de Almachtige kan gevestigd worden “in uw leven en in uw dagen en nog tijdens het leven van het hele huis van Israel, spoedig en gauw”.

Niet in het leven hierna moet Gods grote naam verheerlijkt en geheiligd worden (“de doden kunnen de Almachtige niet prijzen”, Ps. 115; vergelijk ook ibid., 30), maar in deze wereld en in dit leven.

Geef een reactie