HET CHEIDER, Bijeenkomst 5 (I)

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Lezingencyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider. Zie eerste VIER gedeelten op onze nieuwspagina website www.bethhamidrash.org

Les 5, deel 1: De Eerlijkheid Van De Mens.

Vandaag wil ik graag wat dieper ingaan op de details. Er is sprake van de zeven meest belangrijke regels en ik heb deze toegelicht naar de analyse van de Maharal, zaliger. Drie regels bepalen onze verhouding tot de medemens, drie andere regels bepalen onze verhouding met G’d.

Ontucht, incest, overspel en homofilie, zijn allemaal directe overtredingen tegen G’d, net als afgoderij of het vloeken van G’d.

Als mensen durven beweren dat ze daar zelf over beschikken, omdat hun lichaam hun eigendom is, dan hebben ze het helemaal mis.

Diefstal, moord en het invoeren van rechtspraak horen tot de regels die onze gedragslijn met de medemens bepalen.

De zevende regel draait rond het principe zelf om onze begeertes en instincten te beheersen.

Onze band met G’d en ook met de mensen vindt plaats op drie niveaus: fysiek, geestelijk en de synthese tussen deze twee: de mens als geest en lichaam in één eenheid.

Als iemand een ander onrecht aandoet, dan wordt de band met de mens verbroken op het geestelijke niveau. Het recht is een geestelijke zaak.

Met diefstal wordt de band verbroken op zuiver fysiek gebied.

Met doodslag wordt de band op het niveau van de synthese tussen ziel en lichaam verbroken.

De band tussen ziel en lichaam wordt dan aangetast en geweld aan gedaan.

Met afgoderij wordt de geestelijke band met G’d verbroken. Met ontucht wordt de band met G’d verbroken op het zuiver fysieke niveau en bij het vloeken van G’d wordt de band met Hem verbroken op het niveau van de synthese tussen ziel en lichaam.

Dit zijn de hoofdprincipes en ook de rechtlijnen voor de mens op alle gebieden en op alle niveaus van het leven.

De Talmoed vermeldt in detail zo’n dertig mitswot voor Noachieden zoals bijv. Het eren van vader en moeder. Liefdadigheid en hulpvaardigheid behoren überhaupt tot de menselijke plichten.

Begrippen zoals aalmoezen, liefdadigheid, filantropie zijn algemeen bekend. Ook liefdadigheid in verband met het bieden van hulp aan volledig onbemiddelde mensen.

In de Thora valt dit allemaal onder het Hebreeuwse begrip van ‘Tsedaka”. Het stamwoord van ‘Tsedaka” is ‘tsedek’ waarvan de vertaling is ‘recht’ of ‘rechtvaardigheid’.

Hoe dan ook zijn de zeven Noachidische regels gericht en gebaseerd op logische en intellectuele regels en uitgangspunten.

De Talmoed vermeld en definieert het princiep van rechtvaardigheid naar de regel van wat je niet graag hebt dat men jouw aandoet doe het den anderen niet aan Maar tegelijkertijd zal men weten en leren accepteren dat deze logische regels voorgeschreven zijn door de Schepper van hemel en aarde met een uitdrukkelijke G-ddlijke Status.

Het begrip aalmoes en liefdadigheid in deze zin wordt niet in de Thora gebruikt.

Inderdaad is het zo dat het begrip aalmoes en liefdadigheid bedoelt dat het geen plicht is. Het is fijn om de armen een aalmoes te geven, het is weldadig. Met andere woorden: je bent er niet toe verplicht.

De Thora heeft aan het Joodse Volk erg veel plichten opgelegd in dat verband, o.a. bij de oogst. Bij het maaien moest men een deel van het graan laten staan voor de armen; die mochten het maaien. Bij het schoven binden mocht men de aren, die men toevallig liet vallen, niet meer oprapen. En bij het ophalen van de schoven mocht men niet teruglopen om een schoof op te halen die men daar toevallig vergeten was.

Deze zaak wordt zeer duidelijk verteld in het verhaal van Ruth, de Moabitische. Op die manier konden de meest onbemiddelde en arme lui direct aan eten geraken.

Het verwaarlozen of nalaten om deze resten op het veld achter te laten voor de armen wordt in de Talmoed vermeld als diefstal; men besteelt de arme lui. Dit bewijst op een ondubbelzinnige manier dat het hulp bieden aan behoeftigen een juridische plicht is.

In de Joodse wet, als iemand om eten vraagt, is het verboden om eerst een onderzoek in te stellen of dit verlangen wel terecht is. Men is verplicht om meteen eten te geven, zodra iemand dat vraagt. Iemand zou van honger om kunnen komen voordat wij klaar zijn met het onderzoek.

Vraagt iemand om een lening of om meubilair, dan mag je wel onderzoeken of daar echt behoefte aan is.

In iedere Joodse gemeenschap moeten er instellingen opgericht worden waar behoeftigen meteen kunnen eten en ook waar mensen geld kunnen lenen zonder interest.

De Talmoed vertelt dat Hij, de Schepper van Hemel en aarde, Zich bezighoudt met hulp bieden. Dit wordt bewezen uit de teksten van de Thora. In Genesis 3: 21 wordt verteld dat G’d kleren gemaakt heeft voor Adam en Eva en dit direct na de zonde.

In Genesis 18: 1 wordt verteld dat G’d na de besnijdenis, blijkbaar de derde dag, toen Abraham heel ziek was, naar hem toekwam op ziekenbezoek.

In Genesis 25: 11 wordt verteld dat G’d na het heengaan van Abraham naar z’n zoon Jitschak toekwam om hem te zegenen, te troosten. Hij troost de rouwenden.

In Deuteronomium 34: 6 wordt verteld: “En Hij, G’d, begroef hem (Moshe) in het dal in het land Moab, tegenover Beth Pe’or. En niemand kent zijn graf tot op deze dag.” Hij, G’d, begraaft de doden. Dat is het zoveelste en het meest overtuigende bewijs dat de gewone menselijke regels G’ddelijk zijn. Hij Zelf gedraagt zich naar deze regels. De hele Schepping getuigt erover dat Hij dit Heelal met alle ontelbare Schepselen in het leven geroepen heeft en onderhoudt. Van het kleinste micro-organisme tot en met het grootste macro-organisme verzorgt en onderhoudt Hij alles.

Hulpvaardigheid, goedheid, toewijding en disponibiliteit zijn de grondwetten van de Schepping. Met deze regels heeft Hij, de Schepper, dit allemaal geschapen. Daarom is het ondenkbaar, dat men zich zou vergrijpen aan deze regels zonder zijn eigen bestaan en het bestaan in de ruimste zin van het woord, in gevaar te brengen.

Het eren van vader en moeder getuigt erg scherp over de betrokkenheid van de Schepper bij de menselijke waarden. Bij het verwekken van een mens is Hij heel erg intiem betrokken, want het meest belangrijke van de mens – de ziel – die komt direct van Hem. De Talmoed vertelt over een spreekwoord in de mond van het volk: “De wijn is het eigendom van de heer des huizes en toch danken wij degene die de wijn inschenkt.” Precies zo is het ook met ouders. Wanneer ouders een kind verwekken, is dat kind het eigendom van de Heer en Meester over het Heelal en toch zijn wij onze ouders dank verschuldigd.

Zo vertelt Eva bij de geboorte van Kain waarom zij hem zo noemt. Het woord Kain is afgeleid van het Hebreeuwse stamwoord ‘kano’ = verwerven of kopen.

Zo zegt zij in Genesis 4: 1: “Ik heb een man (persoon) verworven met HaShem (G’d).

En de Talmoed vertelt dat er drie compagnons zijn bij het verwekken van een mens. Zekere materialen komen van de vader, andere materialen van de moeder. De ziel komt van G’d. Bij het overlijden zegt G’d tegen de ouders: “Ik neem Mijn deel terug, maar het lichaam is jullie aandeel, dat blijft hier.”

De Talmoed vertelt ook over een discussie tussen één van de grootste Joodse leermeesters uit de tijd, ca 130 jaar na de verwoesting van de Tempel door de Romeinen, en de toenmalige keizer van Rome, Antonius. Rabbi Jehoeda Hanassi (de Prins) dacht dat de ziel in het lichaam treedt met de geboorte. Antonius daarentegen was van mening dat dit meteen met de conceptie gebeurde. Uiteindelijk heeft Rabbi Jehoeda Hanassi toegegeven dat de keizer gelijk had. Antonius ging dagelijks in het geheim via een onderaardse tunnel naar het huis van de Rabbi om daar te leren. Achteraf heeft Rabbi Jehoeda verwezen naar een tekst in het boek van Job 10: 12, waaruit bleek, dat de ziel er inderdaad meteen is bij de conceptie. Deze gewone menselijke regels zijn veel belangrijker dan de mensen �berhaupt beseffen en dat is erg jammer.

Zo vertelt Channa in Samuel 2: 9 in haar profetie: “niet met fysieke kracht overwint de mens.” Deze regel is heel erg logisch want met fysiek geweld kun je een probleem opschuiven of verdringen, maar in geen geval oplossen. Het probleem zal weer naar de oppervlakte komen een tijd later, maar dan nog veel moeilijker en ingewikkelder. Men geeft misschien wel toe aan geweld, omdat men dan geen andere keuze heeft. Alleen, het euvel is niet uit de wereld; het is erger geworden. Uiteindelijk moet het systeem, dat op geweld steunt, in elkaar storten.

We hebben het nu in onze tijd ervaren hoe het Marxisme ingestort is. Niemand heeft hun geweld aangedaan. Het is uit zichzelf in elkaar gestort. Dit is een actueel en reëel voorbeeld en spreekt voor zichzelf.

De Talmoed vertelt: “Hetgeen waar is houdt stand en zet door, hetgeen niet waar is moet verdwijnen en kan zich uiteindelijk niet handhaven.”

Zo is ook het kruisen of steriliseren van dieren Noachieden verboden. Hij, de Schepper, heeft aan de mens eigendomsrecht toegekend over de dieren. Ook heeft Hij toegestaan dat men het dier mag slachten en eten. Ook alle fysieke materie van het dier mag de mens zich eigen maken voor gebruik. Maar Hij heeft wel wreedheid jegens dieren verboden en dat op de meest absolute manier.

Zo is het ook verboden te manipuleren met het soort. Het soort is een zuiver G’ddelijke zaak en dat geldt ook voor de plantenwereld. Het is ook verboden planten en bomen te kruisen of te enten. Nachmanides licht dit verbod toe op de volgende manier: “Alles wat eeuwig is, is G’ddelijk en daar hebben mensen geen recht of gezag over. Het individu vergaat, maar het soort blijft eeuwig voortbestaan en daarom is het soort, op wat voor gebied dan ook – planten, dieren of mensen – een zuiver G’ddelijke zaak. Daarom is het mensen verboden om met het soort te manipuleren. De Profeet Jesaja� vertelt ons over de eeuwigheid van de Schepper: “Hij wordt nooit moe.”

Ook Zijn woord is eeuwig en verandert nooit en zo is het ook met het soort. Al het aardse is begrensd en vergaat en alles wat vergaat is niet G’ddelijk. In het scheppingsverhaal wordt verteld dat Hij opdracht heeft gegeven dat de aarde planten, kruiden en bomen die vruchten dragen, zal voortbrengen. De planten en de vruchten zullen hun zaad dragen naar hun soort voor de voortplanting. Ditzelfde geldt ook voor de dieren en voor de mensen.

Via de voortplanting stroomt het leven eeuwig door het soort en het eeuwigheidsprincipe is zuiver G’ddelijk.

Zo verklaart Koning David in Psalm 19: “De Hemel (lichamen) zingen de eer van G’d omdat hun omwenteling altijd geschiedt op hetzelfde ritme. Het perpetuum mobile van de hemellichamen, hun eeuwig draaiende beweging op dezelfde snelheid, bewijst dat dit geen natuurkracht is. Een beweging die nooit vertraagt, die nooit ‘moe’ wordt, is toe te schrijven aan de directe G’ddelijke kracht. Deze beweging bewijst Zijn ingrijpen omdat de Eeuwigheid een zuiver G’ddelijke zaak is. Nachmanides bevestigt overigens dat mensen geen nieuw soort kunnen verwekken. Om bijv. muilezels te verwekken, wordt een paard met een ezel gekruist, maar de muilezel zelf is steriel en werpt geen vrucht af.

Ook op dat gebied merken we hoe nauw het G’ddelijke betrokken is bij het aardse gebeuren op alle niveaus.

Er zijn G’ddelijke waarden die helemaal niet rationeel zijn, want Hij is onbegrensd en daarom zijn Zijn regels ook niet vatbaar voor het menselijk verstand.

Deze irrationele G’ddelijke waarden en regels heeft Hij het Joodse Volk opgelegd. Aan de Bné Noach heeft Hij rationele, voor het verstand vatbare, regels opgelegd.

Juist omdat de zeven Noachidische wetten logisch zijn wordt van alle volkeren verwacht, dat ze deze regels zullen accepteren en respecteren. Alles wat daarvoor nodig is, is gewoon eerlijkheid, intellectuele eerlijkheid.

Als iemand bijv. vertelt dat hij niet gelooft dat G’d bestaat, beweert men dat deze mens niet gelovig is. Dit is een vergissing, want het is niet zo dat deze mens niet gelovig is; hij is gewoon niet eerlijk. Het is een verschrikkelijke brutaliteit om zo iets te durven vertellen. Wie zou ooit durven beweren dat men op een wetenschappelijke en op een gewoon logische manier kan bewijzen, dat Hij – G’d behoede – niet bestaat. Dit soort beweringen zijn ongegrond en berusten gewoon op een flagrante intellectuele oneerlijkheid. Een kind van hooguit zes jaar met een minimum verstand, waarmee het leert tellen van 1 tot 10 en al weet dat 2+2=4 weet en begrijpt al best dat niets zo maar uit zichzelf kan ontstaan. Een kind weet dat een brief niet uit zichzelf geschreven wordt, dat een plaatje niet uit zichzelf getekend of geschilderd wordt. De vraag is dan: “Hoe verklaart men dat mensen met grote titels voor de dag komen met het fabeltje van de ‘big bang’?”

De Thora geeft ons antwoord ook op deze vraag. In Deuteronomium 16: 19 staat: “Je zult het recht niet verbuigen, je zult (bij) een rechtspraak niemand (zoeken te) bevoordelen, je zult geen ‘steekpenningen’ aannemen, want de steekpenning verblindt de ogen van de wijzen en verdraait de woorden (de argumenten) van de rechtvaardigheid (de waarheid)!

De Thora onthult ons dit geheim en dit raadsel en verklaart op de meest eenvoudige, maar erg duidelijke manier het antwoord op onze vraag.

De Thora behandelt het probleem van rechters – dat kunnen ook grote titeldragers zijn – die knoeien met het recht.

De Thora verklaart dat de grootste geleerde, de beroemdste wijsgeer intellectueel oneerlijk en zelfs gewoon oneerlijk wordt, zodra hij een zeker belang heeft bij de uitspraak. Dit is gewoon een wet die in de mens zit, net zo en precies zoals de natuurwet. Daar kan niemand onder uit, zelfs de grootste wijsgeer niet en de titel die iemand draagt kan aan deze wet niets veranderen. De meeste mensen zijn wat hun fysieke belangen betreft betrokken bij de erkenning van de Alomtegenwoordigheid van G’d. Ze willen leven volgens hun fysieke begeertes en ze willen hun instincten niet aan banden leggen. Dit heel erg zwaar wegende belang en deze betrokkenheid bij alle prettige fysieke dingen, die deze wereld biedt, maakt ze blind en verdraait de waarheid, de vanzelfsprekendheid en de werkelijkheid. Ze zien het gewoon niet meer, ook al is het vanzelfsprekend.

De Talmoed bepaalt de minimum waarde van een cadeau dat voor de rechter verboden is, en dat was volgens het geld dat toen in omloop was, een proeta.

Maimonides licht de objectieve waarde toe van deze proeta en dat was de tegenwaarde van de helft van een gerstenkorrel fijn zilver. Als we dan bedenken hoeveel geld mensen uitgeven, en soms in één enkele nacht, voor hun fysieke plezier, dan hebben we ook gelijk begrepen waarom ze dan zo stellig voor de dag komen met het wereldbekende fabeltje van de ‘big bang’.

Deze neiging in de mens om het naar zijn zin te hebben en om vrije loop te geven aan al zijn begeertes en instincten, weegt onmetelijk veel zwaarder dan de helft van een gerstenkorreltje zilver.

De mens, die zo leeft in zijn dagelijks leven, gericht op alle aardse plezier en fysiek genot, heeft er alle belang bij om te zeggen “Hij bestaat niet” (G’d behoede).

Zo verklaart Koning David tot drie maal toe in de Psalmen:

1. 14:1 “De onwaardige zegt in zijn hart ‘G’d bestaat niet’.

2. 53:2 In deze Psalm herhaalt hij dit nog een keer en dan voegt hij er nog aan toe ‘dat staat hem (de onwaardige) toe om zich verderfelijk te gedragen en op een verfoeilijke en walgelijke manier onrecht te doen en uiteindelijk (absoluut) geen goed te doen’.

3. 74: 18 ‘Een onwaardig volk beschaamt (en krenkt) Jouw Naam.’

Tot drie keer toe benadrukt Koning David de achtergrond en de aanleiding waarom iemand zou zeggen dat Hij niet bestaat (G’d behoede).

Het verhaal van Maimonides met het schilderij is daar een sprekend voorbeeld van. Noch het ontstaan van de Schepping, noch het bestaan van de Schepper vormen het onderwerp van welk probleem dan ook.

Het probleem is de mens met al zijn titels en al zijn gezond verstand erbij. Zou iemand een wiskundig probleem of wat dan ook voorleggen aan iemand die dronken is?

In verband met dit vraagstuk over de Schepping, is de grootste meerderheid van de mensen dronken.

Ja, bedronken door hun begeertes, driften en instincten. één van de grootste geesten aller tijden, Aristoteles, schreef, tegen iedere logica in, een absoluut bestaan toe aan de materie. De verklaring hoe zo iemand met dit soort absurditeiten voor de dag kan komen, is de regel in de Thora over het aannemen van steekpenningen. Daaraan kan zelfs een wijsgeer zoals Aristoteles zich niet onttrekken en daar werden veel, erg veel, grote titeldragers het slachtoffer van. Zo is het de rechter ook verboden om een rechtszitting te doen waar zijn eigen familieleden als partij bij betrokken zijn. De rechter is dan gevoelsmatig betrokken bij deze zaak en mag deze niet behandelen, omdat hij dan niet bij machte zou zijn om de zaak op een eerlijke en objectieve manier te behandelen.

Descartes schrijft ook over de voorwaarden om zeker te zijn dat iemand een bepaald probleem op een objectieve manier kan oplossen. Er zijn, volgens hem, twee voorwaarden waar niemand aan kan ontkomen:

Ten eerste moet men onderzoeken of men bij dit probleem niet gevoelsmatig of op wat voor manier dan ook, door een zeker belang, betrokken is.

Ten tweede moet men zich wel zekerheid verschaffen dat men beschikt over de kennis van alle gegevens van het probleem.

Wanneer het gaat over de Schepping en het bestaan van G’d, vallen alle grote titeldragers zo door de mand als ze getoetst worden met deze twee regels.

Geef een reactie