HET CHEIDER, Bijeenkomst 4

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Lezingencyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider. Zie eerste drie gedeelten op onze nieuwspagina website www.bethhamidrash.org

Les 4: Het Democratisch systeem en de G’ddelijke Waarden.

In het vijfde boek van de Tora, 1:17 staat het volgende geschreven:

“Jullie zullen niemand bevoordelen bij een rechtszaak, zowel de kleine als de grote rechtszaak zullen jullie aanhoren en behandelen; jullie zullen voor geen mens bang zijn want “het recht hoort G’d toe en de moeilijkste zaken zullen jullie Mij voorleggen en Ik zal deze aanhoren en behandelen.”

Deze zin en deze opdracht worden gericht aan diegenen die bevoegd zijn om rechters te benoemen. Want als zij niet de geschikte mensen benoemen en dat betekent mensen die a) de kennis bezitten en bevoegd zijn om te berechten en b) mensen die moedig, integer en niet bang zijn voor wie dan ook. Doen we dat niet, dan worden alle afwijkingen en onrechtvaardigheden waaraan deze rechters zich vergrijpen, toegeschreven aan de gezagvoerenden die deze rechters benoemd hebben.

Zo erg kwetsbaar en delicaat is de G’ddelijkheid van de Wet die de leefregels onder de mensen bepaalt.

Deze mensen, die rechters benoemen, zijn net zo verantwoordelijk voor de rechtvaardige toepassing van de Wet als de rechters zelf die de uitspraak doen.

Zowel de gezagvoerenden, die belast zijn met het benoemen van de rechters, als de rechters zelf moeten weten dat ze optreden in dienst van de Schepper.

Want rechtspraak is een zuiver religieuze, een zuiver G’ddelijke zaak.

Onze relatie met G’d is heel erg intiem verbonden met onze relatie met de medemens. Onze relatie met G’d wordt getoetst aan onze relatie met de medemens.

In onze samenleving heeft men het recht in handen gelegd van de mens. Hij, de mens, is heer en meester over het recht en het recht is zijn product.

Het recht is een wetenschap en is mettertijd uitgegroeid tot een groot en volumineus burgerlijk wetboek. Maar het feit dat de mens zich het recht toegeëigend heeft, bewijst op de meest frappante manier dat de mens op de verschrikkelijkste wijze in opstand is gekomen tegen G’d. Daarbij kunnen de mensen nog zoveel spreken in naam van G’d. Dit verandert verder niets aan de zaak.

Ik denk dat we deze regel in vorige lessen erg duidelijk gemaakt hebben.

Volgens deze regel kan ook geen onderscheid gemaakt worden tussen ‘la raison d’état’ en de plichten van de gewone mens. ‘La raison d’état’ is alleen maar mogelijk omdat de staat (état) de baas is en het opperste gezag voert, ook over het wetboek en het recht.

De Thora draagt ons – ook aan de Noachieden – de wet en het recht op als opperste gezag. Dat maakt dat de staat en de enkeling dezelfde plichten en dezelfde rechten hebben. Hetgeen de individuele mens niet mag, dat mag ook de staat niet.

We weten dat Napoleon het Consistoire ingevoerd heeft. Alle religieuze instellingen werden staatsinstellingen en op die manier werden ze tegelijkertijd ondergeschikt aan de mens. Ze waanden zich zo de baas over G’d zelf, G’d behoede !

Koning David, in Psalm 1, heeft het over de ideale individuele mens en daarna in Psalm 2 behandelt hij de plichten van de volkeren als staten. Die zijn precies dezelfde als voor de enkeling. Hetgeen de individu niet mag, mag ook de staat niet.

Dit neemt niet weg dat in onze samenleving het principe van de ‘raison d’état’ erkend wordt als de laatste waarheid. Niemand trekt deze schijnwaarheid in twijfel. Ik heb het verhaal verteld over De Gaulle, hoe hij dit openlijk en in het openbaar toegegeven heeft. Hij zei toen dat als het belang van de staat in het gedrang komt en op het spel staat, de moraal en de ethica dan niet meer tellen. Toch is De Gaulle uniek in de geschiedenis. Hij heeft de moed opgebracht om het onomwonden, openhartig toe te geven. Hij heeft niet geprobeerd om het op een diplomatieke manier goed te praten.

Vanavond zou ik het eigenlijk in hoofdzaak willen hebben over zaken die in wezen altijd en overal erkend worden als zijnde G’ddelijke waarden. Want ook over deze zuiver G’ddelijke regels en waarden hebben de mensen zich meester gemaakt zoals we dat hier verderop zullen toelichten. Zo constateren we in de Thora drie geboden, waarbij ons de opdracht gegeven wordt liever te sterven dan ze te overtreden, i.e.:

1. afgoderij

2. ontucht, overspel of incest

3. doodslag.

Wordt iemand bijv. tot afgoderij, ontucht, overspel of moord gedwongen onder bedreiging van zijn leven, dan moet hij zijn leven geven en geen overtreding begaan.

Afgoderij hebben we in les 2 behandeld. We hebben ook de mentaliteit van de heidenen behandeld. We hebben gepoogd duidelijk te maken met teksten uit de profeten hoe erg de moderne samenleving verzonken is in afgoderij. Het gebeurt in onze tijd op een gecamoufleerde manier. Ik zou willen zeggen ‘pijnloos’, zonder argwaan, zonder dat de mensen het beseffen. Dat maakt de zaak in zekere zin veel erger en veel gevaarlijker want de meeste mensen weten helemaal niet waar ze mee bezig zijn.

De Profeet Isaie definieert de mentaliteit van de heidenen in hoofdstuk 2: 8: “Zij buigen voor het product van hun handen.” Ook in hoofdstuk 44: 9-17 brengt de profeet deze mentaliteit erg scherp en uitvoerig naar voren. Hij vertelt in detail hoe het afgodsbeeld gemaakt wordt en als het ‘product’ klaar is, dan gaat de producent er voor knielen. Ze knielen voor hun handwerk. Dit principe leeft nog tot in onze zogenoemde moderne samenleving.

Het verhaal van De Gaulle bewijst het. Het zijn niet de G’ddelijke waarden, noch niet eens de menselijke waarden zoals recht, moraal en ethica, die het laatste woord hebben. Het is het belang van de staat, de economie, het handwerk van de mensen, dat heeft het laatste woord en daarvoor buigt en knielt de mens. Men sluit vriendschap of men haat mensen of volkeren gewoon vanwege het economische belang. Oorlog wordt verklaard en ontketend vanwege het belang van het genot van geld of welk belang dan ook.

Afgoderij is een direct G’ddelijk verbod en niemand heeft dat ooit in twijfel getrokken. Maar in onze tijd gebeurt het onder het mom van de wetenschap. Men wekt de indruk dat men helemaal niet met heidendom bezig is. We leven in een tijd waar de diplomatie overheerst op alle gebieden. Men dient het op een handige manier op en dat noemt Koning David in Psalm 144 tot twee keer toe! gewoon liegen.

Hetzelfde gebeurt op het gebied van ontucht, wat vroeg of laat in directe lijn naar de legalisatie van incest leidt. Geslachtelijke verhoudingen zijn zuiver G’ddelijke regels en ook dit werd in het verleden als zodanig erkend. In onze moderne tijd heeft men dit gebied ook ondergeschikt gemaakt aan het gezag van de mens en aan de staat. De mens beslist en de staat regelt hoe en op welke manier men het geslachtsleven zal inrichten. Het geslachtsleven, afgoderij en doodslag zijn zuiver G’ddelijke zaken. Dat hebben de mensen, tenminste officieel, altijd erkend en toegegeven. De mensen hebben deze zaken helemaal onder het gezag van de staat gebracht. Homofilie, abortus, overspel, euthanasie – het is allemaal toegestaan, gelegaliseerd en wordt wettelijk geregeld. De weg naar de legalisatie van incest is nu vrij, want als men A zegt, dan zegt men uiteindelijk ook B.

Nu beweren ze dat ze heer en meester zijn over hun eigen lichaam. Wat staat er dan nog in de weg om incest wettelijk toe te staan! Als beide partijen akkoord gaan, dan doen ze toch niemand kwaad! Ik zie het zo komen, het is maar een kwestie van tijd en wennen aan het idee! Of er moet iets gebeuren zoals Aids bijv.!

Hoe dan ook, een G’ddelijk ingrijpen om de mensen tot bezinning te brengen, zodat ze zich tenslotte zullen afvragen: “waar zijn wij eigenlijk mee bezig.” Maar zolang er niets gebeurt zijn ze nu heel zeker op weg naar de legalisatie van incest. Dit leidt geen twijfel. We merken, zien en horen dagelijks wat er allemaal gebeurt. Op de meest diplomatieke manier worden deze praktijken opgediend in de naam van de rechten en van de vrijheid van de mens. In essentie heeft het daar helemaal niets mee te maken.

Hetzelfde geldt voor doodslag, voor moord. Abortus is en blijft doodslag, net als iedere andere vorm van onderbreken van leven! Dit geldt ook voor zekere praktijken van transplantatie van organen. De eerst harttransplantatie werd gedaan door dr. Barnard in Kaapstad. De media hadden indertijd het bericht doorgegeven als zijnde een grote sprong in de vooruitgang van de geneeskunde.

De meeste mensen hadden grote bewondering voor deze buitengewone prestatie. En, zoals iedereen, had ik ook, in ieder geval tijdelijk, grote bewondering voor deze zaak. Maar na de zaak kritisch bekeken te hebben, kwam de vraag bij mij op: “maar opdat dat hart nog kon dienen, moest het nog leven. Dan betekent dat, dat de donor nog in leven was, want als hij echt dood was geweest, dan kon dit hart niet meer functioneren.” Toen kwam onmiddellijk het idee in mij op dat we zeker, binnen afzienbare tijd, te horen zouden krijgen dat men de normen voor het constateren van het overlijden, veranderd had. Drie weken later, inderdaad, kwam het bericht via radio en de kranten over de ‘klinische dood’. Maar volgens de regels die tot dan toe van kracht waren, leefde dit mens nog en als ze dan toch het hart verwijderen, dan is dat gewoon moord. Dit soort misdaad wordt in onze moderne tijd ‘geneeskunde’ genoemd. In die eerste tijd was dat nog een dubbele moord, want ook de ontvanger kon toen niet met een vreemd hart leven; dat had te maken met afstoting. Met zijn eigen hart zou deze patiënt het veel langer gerekt hebben.

Zo is abortus ook flagrante doodslag, want de foetus is al bezield met de ontvangenis. Het is een volwaardig persoon, want de persoonlijkheid heeft met de ziel te maken en niet met het lichaam of met het bewustzijn. Deze volwaardige persoon is blijkbaar geen heer en meester over zijn lichaam!! Het is nog onmondig en kan zijn verontwaardiging en zijn leed niet luidkeels te kennen geven !!

Een ander geval van moord en doodslag is hetgeen men euthanasie noemt. En dan beweren ze dat ze een goede, menslievende dood geven, want het slachtoffer smeekt er om. Maar dit slachtoffer zelf heeft daar niet over te beslissen, want het lichaam is niet het eigendom van de mens. Het menselijk lichaam is het eigendom van G’d en Hij beslist wat met het lichaam wel en wat er niet mee gedaan mag worden. Maar de mens en de staat hebben zich het eigendomsrecht toegeëigend over het menselijk lichaam. Hij, de Schepper, heeft aan de mens eigendomsrecht toegekend over de materiële goederen van deze aarde. Zo is er in de mens zelf een kracht waarover hij beschikt en dat is zijn werkkracht. Die kan en mag hij verkopen, want die heeft een economische waarde. Maar daar houdt het mee op. Over zijn lichaam en over zijn organen heeft de mens geen enkel eigendomsrecht!

Hetgeen onze tijd bijzonder kenmerkt is niet alleen maar beperkt tot het zich toe schrijven van het opperste gezag over het recht, de justitie en de economie. Maar ook over waarden die te allen tijde, ook in de middel eeuwen gerespecteerd werden en universeel erkend werden als G’ddelijke waarden, zoals het leven, het huwelijk, de voortplanting en de zeden.

Al deze G’ddelijke waarden heeft de staat, en vooral de democratische staat, onder haar absolute gezag ondergeschikt gemaakt. Over deze meest essentiële levenswaarden heerst, regeert, en beslist de democratie op de meest brutale en verschrikkelijke dictatoriale manier. Dit alles onder het mom van de menselijke vrijheid.

Over de meest essentiële Mens-Goddelijke regels zoals euthanasie, abortus, de klinische doodverklaring, seksualiteit en homoseksualiteit daar beslist de DEMOCRATISCHE staat over.

De mens heeft zich op die manier ook op dat zuiver G’ddelijke gebied het allerhoogste, opperste gezag toegeëigend. Dit is een brutaliteit en wekt de verschrikkelijkste vormen van wreedheid in de hand. Het is een verschrikkelijke wreedheid om het leven van een mens te onderbreken, op welke manier dan ook. Het is een meest misdadige wreedheid als deze moordpraktijken nog op de koop toe gelegaliseerd worden. En wat het nog meer crimineel maakt en het toppunt is van hypocrisie, is dat het allemaal voorgespiegeld wordt als liefdadigheid, vrijheid en rechten. Het meest paradoxale (schijnbaar paradoxale) van de zaak is dat het juist de democratie is die al deze afschuwelijke wreedheden ingevoerd heeft. Het doet me denken aan iemand die een etiketje met het opschrift ‘limonade’ plakt op een fles gevuld met zwavelzuur. Hij mengt dan de inhoud van de fles met een grote hoeveelheid honing om het aantrekkelijk te maken!

Dit is overigens ook de ergste en meest verschrikkelijke degradatie en vernedering van de mens. Men doet zaken met het lichaam van de mens en met zijn organen. Het lichaam is vernederd tot de status van materiële goederen die verhandeld kunnen worden net zoals alle andere commerciële transacties.

Persoonlijk zie ik de situatie nu veel erger in dan in de tijd van het slavernij, want de mensen zien het niet. Ze worden met dit soort schijnwaarheden opgevoed en grootgebracht. In de allereerste plaats erkent men het menselijke gezag, de staat, als het allerhoogste gezag.

Daarna vangt men de mensen door tegen hen te zeggen, dat ze heer en meester zijn over hun lichaam. Dat horen ze graag, want dat vleit hun hoogmoed. De slaven wisten en beseften dat ze verdrukt en uitgebuit werden. Ze ondervonden de pijn en het leed fysiek, in hun lichaam.

Nu moeten de mensen nadenken en hun verstand gebruiken, want het gaat om de ziel en dat merken ze niet. De grote meerderheid van de mensen accepteert deze dingen als een vanzelfsprekende en logische zaak en niemand verzet zich daartegen. Ze vinden het nog fijn ook.

De bron van dit euvel ligt in, en begint met, het zich toe eigenen van het recht. Daar begint het mee en dat is het uitgangspunt van alle kwalen die het mensdom nu treffen.

Onze leermeester Moshe waarschuwt het Joodse Volk tegen dit verschrikkelijke virus. In het vijfde boek van de Tora, hoofdstuk 8 – Deuteronomium – is het hele hoofdstuk één en al waarschuwing over dit punt.

Het Joodse Volk stond toen op het punt om de Jordaan over te steken. In die tijd

zegt Moshe tegen het Volk: “Vergeten jullie nooit hetgeen jullie hier in de woestijn ervaren hebben. Hier hebben jullie alles direct van Hem gekregen: het manna – het voedsel – hebben jullie uit de hemel gekregen.

Zo ook de waterbron die overal met jullie meegereisd is. Jullie hebben niet moeten ploegen, zaaien, dorsen, enz. enz.. Jullie kleren en schoenen zijn met jullie meegegroeid en altijd nieuw gebleven. Jullie hebben alles cadeau gekregen. Jullie konden je volledig wijden aan de studie van de Thora. Daar waren jullie veertig jaar mee bezig. Maar, jullie moeten weten wat er nu gaat gebeuren: jullie gaan nu naar het Beloofde Land. Daar gaan jullie moeten ploegen, zaaien, huizen bouwen, fabrieken oprichten en zaken doen. Jullie zullen daar grote rijkdommen verwerven zoals goud, zilver en geld. Jullie zullen een economische macht worden en ook een strategische macht om die rijkdom te beschermen.” En dan waarschuwt Moshe er voor: “Letten jullie op, want jullie zullen al die macht toeschrijven aan jullie eigen kracht en jullie zullen zeggen: ‘mijn intellectuele capaciteit en mijn fysieke kracht hebben mij deze macht en deze rijkdom bezorgd. Wij hebben het voor elkaar gekregen.’ En wat gebeurt er dan: jullie worden hoogmoedig en jullie vergeten meteen de Eeuwige, jullie G’d.”

Deze waarschuwing is machtig en heel erg diep. Hetgeen hij zegt tegen het Volk komt erop neer dat, zodra in jouw hersenen de gedachte op komt dat je economische succes en zegen toe te schrijven zijn aan je eigen kracht, op datzelfde moment vergeet je G’d en uiteindelijk kom je tegen Hem in opstand. Dan kun je nog zoveel bidden en studeren, maar op den duur houd je daar ook mee op, want het is tegenstrijdig.

Zo schrijft Koning David in Psalm 139: “Alleen Jij weet waaraan de kracht toe te schrijven is die de mens bezit om te zitten en om op te staan. Hij vermeldt inderdaad de twee meest eenvoudige functies van de mens, zoals zitten en opstaan. Koning David bedoelt dat ook de krachten in de mens alleen maar functioneren, omdat Hij dat wil. Bij alle functies van de mens is G’d betrokken, het is met Zijn wil en met Zijn kracht, dat onze krachten functioneren. Het onderscheid is dat wij het konden zien in de woestijn, want daar heeft Hij het onthuld. Koning David stelt heel duidelijk, dat geen mens ooit zal kunnen verklaren, op wat voor manier dan ook, hoe de krachten in de mens functioneren en waar ze vandaan komen.

Ik ben een keer gaan wandelen in New York in het Rockefeller centrum. Daar tussen die wolkenkrabbers merk je de invloed van die economische macht op de mens. Je ondergaat het aan den lijve. Wat blijft er nog over van een mens naast gebouwen van 40 tot 50 verdiepingen. Ik besloot toen er nooit meer naar toe te gaan.

Rabbijn Samson Rafaël Hirsch zaliger, maakt de volgende opmerking in zijn commentaar op de Thora, Genesis 4: 17: “Hij (Kain) bouwde een stad en noemde deze stad naar zijn zoon Henoch.” Rabbijn S.R. Hirsch zaliger zegt het volgende: “Kain was de eerste moordenaar, hij dacht meteen aan macht. En het was juist hij, als eerste, die op de gedachte gekomen is om een stad te op te richten. In zijn hoogmoed heeft deze mens zich het recht en de macht toegeëigend om te beslissen en te beschikken over het leven van een ander. Diezelfde mens, Kain, heeft zijn ambitie naar macht tentoongespreid door het bouwen en het oprichten van een stad.”

Zo vertelt Hij in het boek Daniël over de hoogmoed van Nebukadnetzar. Deze had zijn paleis opgericht op een berg en van zijn terras kon hij heel Babel overzien. Dat heeft hij doelbewust gedaan, want dat was zijn grootste genot. Zijn grootste plezier was op en neer te wandelen op zijn terras. Als hij neerkeek op het panorama van Babel, genoot hij van de gedachte: dit grote, roemrijke en machtige keizerrijk heb ik opgericht met mijn kracht. Dat streelde zijn hoogmoed en daar voelde hij zich blijkbaar heel erg gelukkig mee.

Tot tweemaal toe herhaalt Moshe: “Vergeten jullie nooit, dat Hij jullie gedurende veertig jaar hier in de woestijn van A tot Z verzorgd heeft.” Wat hij bedoelt is erg duidelijk: “Herinner je dat G’d op verschillende manieren bewezen heeft hoe Hij direct de mensen kan voeden, beschermen en verzorgen. Dat hebben jullie veertig jaar lang ondergaan. Maar Hij kan het ook op een verborgen manier doen, waarbij inderdaad het gevaar dreigt dat jullie zullen gaan denken, dat jullie die macht zelf creëren.”

Het Beloofde Land is voor het Joodse Volk een grote uitdaging. Het Volk moet daar een nationaal leven leiden met een leger, een strategische macht. Maar ook met een economische macht. Het moet allemaal gebeuren en jullie moeten weten dat jullie op al deze gebieden succes zullen boeken. De uitdaging is dat jullie zullen weten en erkennen dat dit economische en strategische succes gelijk staat aan de manna die uit de hemel gevallen is in de woestijn. Laat je niet verleiden door een gevoel van hoogmoed en schrijf niets toe aan je eigen kracht, want zodra dat gebeurt dan gaat alles mis lopen en dan gaan jullie in verbanning onder de volkeren. Dat bedoelt ook de Profeet Isaie 2: 5: “Het huis van Jakob gaan jullie in het licht van HaShem.” De profeet bedoelt daarmee dat ze in hun beroepsactiviteiten en in al hun leidinggevende functies er bewust van zullen zijn dat ze het allemaal van Hem krijgen. Op die manier verloopt heel hun levenswandel in het licht van G’d.

Het is niet alleen in de synagoge of in het leerhuis of in welke religieuze instelling dan ook dat iemand met Hem verbonden wordt.

De meest echte band met de Schepper wordt verwerkelijkt in het dagelijks leven, in de dagelijkse gang van zaken. Waar het om gaat is dat men Hem zal zien, dat men Hem zal betrekken bij alle situaties van het dagelijkse leven. Of erkent men de Schepper en dit houdt in dat Hij het opperste gezag voert over alles en iedereen, of anders is het alternatief dat men het opperste gezag toeschrijft aan de mens, met alle verschrikkelijke gevolgen van dien.

En uiteindelijk gaan ze hun gezag ook uitbreiden over de zuiver G’ddelijke waarden. Van dit verschrikkelijke verschijnsel zijn wij, in onze tijd, getuigen.

WORDT WEKELIJKS GEPUBLICEERD.

Geef een reactie