HET CHEIDER, Bijeenkomst 3

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Lezingencyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider. Zie eerste drie gedeelten op onze nieuwspagina website www.bethhamidrash.org

Les 3: De G’ddelijkheid van het Recht

In onze eerste les hebben we de status van de wet behandeld.

We hebben geprobeerd zo duidelijk mogelijk het verschil aan te tonen tussen de wet in het burgerlijk wetboek en diezelfde wet door G’D in de Thora voorgeschreven.

Het burgerlijk wetboek is het product van de mens die juist daardoor heer en meester wordt over het recht.

Dezelfde wet, voorgeschreven in de Thora, staat daar lijnrecht tegenover. Ook de gewone burgerlijke wet krijgt daarin een G’ddelijke status. Daarom zijn de wet en het recht in de Thora heer en meester over de mens op de meest absolute manier. De gewoonste en elementairste menselijke regels krijgen daardoor een objectieve waarde naar het uitdrukkelijke voorbeeld van de natuurwet.

We hebben de gevolgen van deze twee definities voor de menselijke samenleving behandeld. Onder andere zou er dan ook geen verschil gemaakt mogen worden tussen het gedrag van de enkeling en dat van de staat.

In deze les wil ik aantonen dat het niet alleen maar gaat om de status van de wet. Deze status is op zich zelf al een heel erg revolutionair idee waarin G’D direct betrokken wordt bij de intermenselijke verhoudingen op alle gebieden van de maatschappij. Maar in wezen gaat het om veel meer. De gewone menselijke regels zoals eerlijkheid, respect voor de medemens en rechtvaardigheid zijn op zichzelf.

G’ddelijke. Het zijn in wezen G’ddelijke principes.

Er bestaat een uiterst intiem verband tussen G’D en die gewone menselijke regels zoals de zeven Noachidische geboden.

In dit verband zou ik naar een tekst willen verwijzen in Deuteronomium 10: 17: “Want de Eeuwige uw G’D, is de G’D over alle G’ddelijke schepselen. Hij is de Heer over alle gezagvoerende schepselen, de Grote, de Machtige en de Ontzagwekkende G’D Die niemand bevoordeelt en geen steekpenningen aanneemt.”

Nu even een kleine toelichting op deze tekst waar de Thora drie verschillende namen gebruikt voor G’D: het Tetragram, de naam Elokiem en de naam Adon.

De Joden kennen tien namen voor G’D en daarmee worden verschillende G’ddelijke functies bedoeld.

Het Tetragram is eigenlijk een uitzonderlijke vervoeging van het werkwoord ‘zijn’ in alle drie tijden tegelijk.

De bedoeling is: Hij Die was/is/zal zijn tegelijkertijd.

Met andere woorden: Hij de Onbegrensde, Die niet gebonden is aan de begrenzingen van tijd en ruimte. Daarbij wordt met het Tetragram impliciet de functie van G’D bedoeld die met Zijn onbegrensde kracht alles in het ‘zijn’ roept, ‘ex-nihilo’, uit het niets, en alles doet voortbestaan en onderhoudt zolang Hij dat wil.

De naam Elokiem duidt op de functie waarbij Hij wetmatige structuren invoert, zowel in de hogere als in de lagere werelden. Bijv. In onze wereld de natuurwetten en de menselijke wetten zoals het recht.

Het woord Elokiem wordt in de teksten ook gebruikt voor rechters die inderdaad de taak hebben om de rechtspraak te beoefenen.

Als we nu weer naar de tekst kijken in het licht van deze korte toelichting over Zijn namen, dan zien we het volgende: want HaShem – dus de permanente Schepper, de Onbegrensde, de Almachtige, de Absolute – Hij is het Die de structuren bepaalt en de opdrachten van alle G’ddelijke wezens, de engelen.

Hij is de Heer over alle heren (met heren wordt bedoeld alle gezagvoerende krachten waaronder ook de natuur).

Ze functioneren allemaal als instrumenten in Zijn handen.

Deze machtige, deze grote en sterke en meest ontzagwekkende G’D, Hij is niet omkoopbaar. Daarmee wil Hij, op een vlijmscherpe manier, ingaan tegen de praktijken van de meeste volkeren.

Praktijken die eruit bestaan om veel eer aan Hem te betuigen, om mooie, ontzagwekkende, religieuze gebouwen op te richten, religieuze ceremoniën en rituelen in te voeren, enz.

Waarbij men zichzelf het recht voorbehoudt om te beslissen over de verhoudingen met de medemens. Men zegt (stilzwijgend) tegen de Schepper “Jij bent Heer en Meester over de Hemel, maar hier op aarde hebben wij het voor het zeggen. Hier zijn wij de baas.”

***

Men huldigt Hem in daartoe dienende gebouwen en ook op vastgestelde tijdstippen. Mensen zijn best bereid om aan deze dingen veel geld en energie te besteden. Al deze zaken zijn de mooie cadeautjes en steekpenningen die men Hem denkt aan te bieden. Juist vanwege deze tendensen en dit soort praktijken zegt Hij dat Hij niemand bevoordeelt en dat Hij niet omkoopbaar is. Maar wat Hij het belangrijkst vindt, zegt Hij in de volgende zin (Deuteronomium 10: 18): “Die het recht beoefent voor wees en weduwe, de vreemdeling bemint en hem brood en kleren schenkt.”

En in zin 19: “Bemint dus de vreemdeling, want gij zijt ook vreemdelingen geweest in het land van Egypte”.

In de volgende zinnen (Deuteronomium 10 en 11 t/m zin 25) bedoelt Hij: “Jullie hebben het aan den lijve ondervonden dat Ik in Egypte ingegrepen heb voor het onrecht dat jullie werd aangedaan. Daarom stel Ik de onvoorwaardelijke eis dat jullie Mijn regels ook wat betreft het recht, de rechtspraak en de rechtvaardigheid letterlijk zullen toepassen. Jullie hebben de ervaring opgedaan bij de uittocht uit Egypte dat de regels van het menselijk recht een G’ddelijke zaak zijn, het zijn G’ddelijke regels.

Het is inderdaad zo dat de Thora helemaal geen civiele wetten erkent. Er bestaat een heel nauw verband tussen de heidense gedachte enerzijds dat de natuur los staat van G’D en zelfstandig functioneert en anderzijds het recht dat de mens zich toeeigent om zelf de principes van recht, moraal en ethiek vast te leggen, te bepalen.>

Heidendom en afgoderij werden voornamelijk om deze redenen ingevoerd. De mens wilde hier op aarde het opperste gezag voeren en in het verleden heeft deze ambitie geleid tot de meest primitieve vorm van afgoderij.

In deze moderne tijd in de beschaafde wereld, heeft diezelfde ambitie geleid tot een gecamoufleerde en geraffineerde vorm van afgoderij.

Men heeft de oude afgod van zijn voetstuk gehaald en vervangen door een moderne afgod.

Men heeft het de oude afgod vervangen met het menselijk intellect. In de plaats van die oude afgod heeft men het menselijk verstand op hetzelfde oude voetstuk neergezet.

Het blijkt duidelijk uit de bovenvermelde bron (Deuteronomium) dat de menselijke regels aan Hem toe te schrijven zijn.

Het zijn Zijn regels, gebaseerd op Zijn structuren; dezelfde structuren die Hij ingevoerd heeft in het heelal en in de natuur.

Ik zou nog in ditzelfde verband een andere tekst willen vermelden uit Genesis 18: 19: “Ik erken hem (Abraham: er wordt hier bedoeld ‘ik hou van Hem’) omdat Hij aan zijn kinderen en Zijn huisgezin zal opdragen dat ze de wegen van de Eeuwige in acht zullen nemen en zullen hoeden: het in praktijk brengen van liefdadigheid, rechtvaardigheid en rechtspraak en daarvoor zal de Eeuwige aan Abraham brengen wat Hij hem beloofd heeft.

In deze regels merken we ook heel duidelijk de intieme band van G’D met begrippen zoals liefdadigheid, recht en rechtvaardigheid.

Uiteindelijk is deze aardse wereld ook de laatste wereld. Deze wereld heeft Hij het laatst geschapen en dat maakt deze fysieke wereld tot het einddoel in de Schepping.

Als iemand op reis gaat dan rijdt hij soms langs steden en soms ook door verschillende landen. Maar daar waar hij uiteindelijk uitstapt is het eindstation, het doel van de reis.

Er is een Midrash die deze regel inderdaad bevestigt. (Midrash Rabba – Genesis 19). De Midrash vertelt dat het in principe de bedoeling van de Schepper was om hier op aarde te wonen. Maar wat gebeurt er! Toen Adam en Eva zondigden en zich vergrepen aan het verbod om te genieten van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, toen trok Hij weg naar de eerste Hemel.

Toen Kain zondigde en zich vergreep aan de broedermoord, toen trok Hij verder weg naar de tweede Hemel.

Enosh en zijn generatie vergrepen zich aan afgoderij en toen trok Hij naar de derde Hemel.

De generatie van de zondvloed vergreep zich aan diefstal en Hij trok verder weg naar de vierde Hemel.

Met de toren van Babel trok Hij naar de vijfde Hemel.

De Sedomieten zondigden door onrechtvaardige rechtspraken te beoefenen en Hij trok verder naar de zesde Hemel.

In Egypte werd in ontucht geleefd, hetgeen blijkt uit het verhaal met Sarah (Genesis 12) en Hij trok nog verder weg naar de zevende Hemel.

Daarop kwamen er zeven Tsaddikiem (rechtvaardigen) en die brachten Hem terug naar deze wereld.

De Maharal (Rabbijn in Praag geboren in Polen 1515, overleden in Praag 1609) onderzoekt deze Midrash en licht hem als volgt toe:

Het gaat hier om de zeven Noachidische wetten. De bedoeling is dan ook erg duidelijk dat onze meest intieme verhouding met G’D afhangt van ons gedrag jegens onze medemens. Wij kunnen uit deze verhalen begrijpen dat zulke vergrijpen de aarde vervuilen en dat Hij er dan niet meer kan zijn. Ze is niet meer geschikt om te dienen als paleis voor Zijn G’ddelijke eer.

Uit het verhaal van Adam en Eva blijkt ook hoeveel belang Hij hecht aan de gewone menselijke verhoudingen.

Hij, de Onbegrensde, de Almachtige, houdt zich met de meest gewone menselijke dingen bezig.

Hij bezorgt een vrouw aan Adam en Hij zegent hun huwelijk in met de wens dat ze vruchtbaar zullen zijn en zich zullen vermenigvuldigen.

Dat maakt juist de grootheid van de Schepper, dat Zijn allereerste belangstelling gericht is op wat er hier op aarde gebeurt en hoe de mensen zich gedragen. De meeste mensen denken dat het hun eigen zaken zijn waarover zij het liefst zelf beslissen en daarom loopt juist alles verkeerd.

Het meest flagrante voorbeeld is de rechtspraak zoals die in Rusland beoefend werd.

Mensen werden gewoon op de meest brutale manier op valse beschuldigingen gevangen gezet, gemarteld en ter dood veroordeeld.

Arthur Koestler vertelt in zijn boek ‘Le zero et l’infini’ over een oude revolutiestrijder die ook naar aanleiding van een willekeurige valse beschuldiging gearresteerd werd. Deze oud-strijder stelde tijdens het zogenaamde proces de volgende vraag aan de rechtbank: “Wat heeft deze rechtspraak nog met recht te maken? Waar halen jullie het recht en het gezag vandaan om mensen zo maar af te slachten en dan nog onder het mom van ‘justitie’?”

Hij kreeg het volgende antwoord: “Er zijn zoveel natuurrampen waarbij enorm veel mensen om het leven komen, zomaar, zonder reden, doelloos. Dat soort dingen wordt normaal gevonden. Wat wij hier doen is doelbewust bedoeld als experiment om een betere maatschappij te scheppen. Dan mogen wij toch zeker optreden met een absoluut gezag en beslissen over leven en dood van de burgers in het belang van de maatschappij?”

In zijn analyse van de bovengenoemde Midrash verklaart de Maharal de structuur van de zeven Noachidische regels. Hij verdeelt ze in twee groepen:

a. Drie wetten die de houding van de mens tegenover G’D bepalen, i.e. ontucht afgoderij, het vloeken van G’D.

b. Drie wetten die de verhouding van de mens met z’n medemens regelen: diefstal, rechtspraak, moord.

Hij verklaart verder dat G’D de sterkste band heeft gesmeed met de aardse wereld en in het bijzonder met de mens.

Deze intieme band met G’D heeft de mens op drie niveaus gekregen.

Op het fysieke niveau, op het geestelijke niveau en op het niveau waar de synthese tussen het lichamelijke en het geestelijke wezen in de mens plaatsvindt.

G’D heeft de mens anders geschapen dan alle andere schepselen. Bij het scheppen van de dieren staat er geschreven (Genesis 1:24): “En de aarde zal levende wezens voortbrengen.” Deze worden meteen geschapen als levende materie. Bij het scheppen van de mens was dat niet het geval. Daar staat geschreven en wordt ook toegelicht hoe het gegaan is (Genesis 2): “Toen schiep G’D de mens, stof uit de aarde en dan achteraf blies Hij hem, door zijn neusgaten, een levende ziel in en toen werd de mens een levend wezen.”

De mens is samengesteld uit twee verschillende, helemaal uiteenlopende materialen. Een gewone fysieke materie – het lichaam – en dit heeft Hij uit stof gemaakt, de laatste etappe en ook het laagste niveau in de Schepping.

De ziel, het allereerste en ook het hoogste geestelijke niveau.

De samensmelting van ziel en lichaam roept een nieuwe situatie in het leven: de synthese tussen twee verschillende, uiteenlopende materialen.

Het is deze synthese die mens genoemd wordt.

De Maharal illustreert dit met het bouwen van een huis waarbij verschillende materialen worden gebruikt: stenen en hout.

Zodra echter het huis klaar is, is er geen sprake meer van stenen en hout, het is gewoon een huis. Het huis vertegenwoordigt de synthese van hout en stenen en dit wordt dan een nieuwe situatie. Als men het huis afbreekt dan komen we weer terecht in de oude situatie van twee verschillende elementen.

Zo verklaart de Maharal de band die de mens met G’D heeft, op drie verschillende niveaus. Iemand die steelt, verbreekt de band met G’D op een zuiver fysiek niveau.

Het recht en ook de rechtspraak is een zuiver geestelijke zaak. Door onrechtvaardig recht te spreken, verbreekt de mens de band met G’D op geestelijk niveau. Met doodslag en moord verbreekt men de band op het niveau van de synthese tussen ziel en lichaam.

Zo geschiedt het ook in zijn relatie met G’D. Met ontucht verbreekt de mens zijn band met G’D op een zuiver fysiek niveau. Want ontucht is een zuiver fysieke zaak en heeft alleen maar een fysieke aanleiding. Met afgoderij verbreekt de mens zijn band met G’D op een zuiver geestelijk niveau. Want afgoderij is het enige vergrijp, dat je met de geest alleen kunt doen. Als iemand plannen maakt om in te breken, of voor getuigen verklaart dat hij van plan is om te stelen, dan is hij nog niet in overtreding. Totdat hij het echt doet! Maar als iemand voor getuigen verklaart dat hij in de een of andere vorm van afgoderij gelooft, dan is hij meteen strafbaar.

Als iemand G’D vloekt, dan verbreekt hij de band met G’D in zijn synthese als mens. De kracht om te spreken vertegenwoordigt op de meest scherpe manier de synthese tussen lichaam en ziel.

De band met G’D maakt dat de mens de mogelijkheid heeft om goed en rechtschapen te zijn, en dit zowel in verband met G’D als in verband met de medemensen. De mens mag zich niet slecht gedragen, noch tevenover G’D, noch tegenover zijn medemens. Het begrip zonde is in het Hebreeuws vertaald: Cheth en het begrip cheth in het Hebreeuws betekent falen. Als de mens zondigt, dan faalt hij in zijn band met G’D, want de band wordt dan verbroken en dat is een falen. In het verhaal van David en Goliath wordt verteld hoe David haarscherp met zijn slinger op een doel kon mikken, zonder zelfs maar op een haarbreed te missen. Hier wordt ook het woord cheth gebruikt voor falen.

Zo zijn er nog veel meer passages in de Thora waaruit duidelijk blijkt, dat er een nauw verband bestaat tussen zondigen en falen. De moraal van de analyse van de Maharal is, dat ook wanneer iemand zondigt tegen zijn naaste, hij automatisch ook zondigt tegen G’D.

Het zevende gebod heb ik toegelicht in een vorige les. Het betreft het feit dat de mens a priori het principe moet accepteren dat hij begaafd is met de mogelijkheid zijn begeerten en ook zijn instincten te beheersen. Deze regel wordt ook in de laatste van de tien geboden naar voren gebracht. (Exodus 20 -24).

Overal in de Thora vinden we teksten terug waaruit de betrokkenheid van G’D met het aardse leven blijkt: Koning David – Psalm 136 – een lof- en danklied gericht tot G’D.

In deze Psalm bezingt de psalmist de grootheid van de Schepper als Heer en Meester over alle krachten, als Schepper van Hemel en aarde met alle hemel- lichamen, Zijn activiteiten en Zijn bovennatuurlijk historisch ingrijpen bij de uittocht van het Joodse Volk uit Egypte; hoe Hij het Volk door de woestijn leidt en daar iedereen liquideert die zich tegen Zijn Volk verzet; hoe Hij achteraf het gebied van diezelfde mensen overdraagt aan Zijn Volk; hoe Hij ons altijd verlost heeft van onze verdrukkers en eindigt en besluit met de grootste lof aan G’D, omdat Hij persoonlijk voorziet in de behoefte aan voedsel en brood voor alle schepselen die van vlees en bloed gemaakt zijn.

De Thora vertelt ook dat toen Eva een kindje kreeg, ze hem noemde Kain. “Want”, zo zei ze “ik heb een kindje verworven samen met G’D.” In het Hebreeuws is het woord Kain afgeleid van kinjan = verwerven of zich eigen maken.

Bij het verwekken van een kind zijn er drie compagnons – dit vertelt de Talmoed in toelichting op deze zin in Genesis 4: 1 -: de vader, de moeder en G’D.

Het meest belangrijke krijgt het kindje van Hem: de ziel.

Als de mens overlijdt neemt G’D Zijn deel terug en hetgeen overblijft is van de ouders. Het meest essentiële en het meest waardevolle in de mens krijgt hij van G’D.

Als de mensen met liefde bezig zijn, denken ze aan alles behalve aan Hem. Maar Chava (Eva), de vrouw van Adam, zij wist het wel en was Hem daar heel erg dankbaar voor.

Waar het uiteindelijk op neer komt met de zeven Noachidische geboden, is dat men moet erkennen en inzien hoe zeer Hij betrokken is bij alle gewone aardse dingen, bij alles hier op aarde en in de natuur.

Het is zo dat in de Schepping alles geschiedt naar de wil en onder het gezag van Hem Die het allemaal geschapen heeft.

Alles functioneert in Zijn handen als een instrument zoals de bijl in de handen van de houtakker. Van de mens, het enige schepsel dat vrij is om te beslissen, wordt verwacht dat hij dat zal inzien en erkennen en de regels zal toepassen in zijn dagelijks leven. Op die manier functioneert de mens en leeft hij in dienst van G’D. Maar dat geschiedt dan vrijwillig met hart en ziel.

Geef een reactie