HET CHEIDER, Bijeenkomst 2

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Lezingencyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider. Zie eerste twee gedeelten op onze Nieuwspagina website www.bethhamidrash.org

Les 2: Het verbod op afgoderij

In onze hypermoderne samenleving leeft bij de meeste mensen de gedachte dat het heidendom afgedaan heeft en dat het tot het verleden behoort.

Op grote schaal is men er van overtuigd dat afgoderij alleen nog maar voorkomt bij zekere primitieve onderontwikkelde stammen en volkeren. Men denkt daarbij aan Centraal Afrika, Centraal Australië en eventueel aan enkele Oost-Aziatische gebieden.

Niemand komt op de gedachte om het in gebieden te zoeken die algemeen bekend zijn als de beschaafde wereld.

Dit is een grote vergissing en toe te schrijven aan de bewuste -of meestal onbewuste- onwetendheid die de meeste mensen ten toon spreiden in verband met de definitie van het begrip afgoderij en heidendom.

Volgens de profeten, die het begrip heidendom op de meest uitvoerige manier toelichten, is de situatie ook in de moderne wereld helemaal niet veranderd. Eerder het tegenovergestelde is waar, de heidense mentaliteit is niet veranderd.

De ‘beschaafde’ wereld ligt helemaal verzonken in het heidendom en dit op de verschrikkelijkste manier. Voor de meeste mensen is de toestand nog veel erger, want ze ontkennen iedere vorm van G’ddelijkheid en, in sommige groepen, ook iedere vorm van geestelijkheid.

Deze mensen beweren: alles is materie en schrijven daar dan ook een absolute waarde en eigen bestaan aan toe. Ze noemen zich atheïsten of materialisten.

De heidenen destijds geloofden tenminste nog in een G’ddelijke kracht en in het algemeen geloofden ze daarnaast ook nog in de Schepper van Hemel en aarde.

In deze les willen we proberen om aan de hand van de bronnen uit de Thora en uit de Profeten het begrip heidendom en afgoderij duidelijk te maken.

Het is een feit, dat de strijd tegen afgoderij het ‘leitmotiv’ van de Thora en ook van de 24 boeken van de Profeten is en blijft en dat niet zonder reden.

De bronnen om dit te kunnen aantonen zijn gewoonweg ontelbaar en daar zullen we ons hier nu niet mee bezig houden.

De bedoeling is om de bronnen te vermelden die duidelijk toelichten wat met afgoderij bedoeld wordt.

In de eerste plaats moet de nadruk gelegd worden op het onderscheid tussen het ritueel en de heidense gedachte.

Het ritueel heeft te maken met de Tempel, het afgodsbeeld, de liturgie en de offers – kortom de eredienst die men wijdt aan een zekere afgod -. Het ritueel als zodanig gebeurt aan de oppervlakte. Het zijn allemaal dingen die voor de ogen van de mensen gebeuren. Iedereen kan het zien. Daartegenover staat de heidense gedachte, het heidense geloof.

Het is inderdaad zo dat men, in ieder geval in het Westen, het ritueel in zekere zin geëlimineerd heeft. Daar bestaan geen tempels, afgodsbeelden of offers meer. Maar de geest van het heidendom is gebleven en dat is eigenlijk het wezen, de ziel zelf van de afgoderij.

Het enige vergrijp waaraan de mens zich op de meest absolute manier schuldig maakt, alleen maar door het heidense idee in zijn stel hersenen, is afgoderij.

Bij de zes andere Noachidische geboden is de mens uitsluitend in overtreding als hij tot actie over gaat. Alleen maar met de gedachte om te stelen of te moorden enz. is men nog niet in overtreding.

Zodra iemand gelooft aan een afgod, of aan het heidense principe, is hij meteen in overtreding.

Zou iemand bij voorbeeld voor getuigen verklaren dat hij in een afgod gelooft, dan is hij direct strafbaar.

De Thora is zeer streng wat dat betreft en schrijft daarvoor de doodstraf voor.

De Thora heeft iedere vorm van afgoderij verboden voor vele redenen, maar in de eerste plaats omdat het de ergste misleiding is.

G’ddelijkheid wordt alleen aan Hem toegeschreven en mag alleen aan Hem toegeschreven worden Die Hemel en aarde geschapen heeft uit het niets. Alleen aan Hem Die op ieder moment en iedere deeltijd van de seconde ervoor zorgt dat dit Heelal en alle schepselen blijven voortbestaan. Aan Hem, voor Wie alle schepselen van het kleinste micro-organisme tot en met het grootste macro-organisme functioneren als instrumenten in Zijn hand. Dit blijkt overduidelijk uit de tekst in het boek Jesaja, 10.15: “zal de bijl zichzelf de roem toeschrijven die toekomt aan diegene die hem zwaait ?”. “Zal de zaag zich groot maken over (in opstand komen tegen) diegene die hem hanteert” en “beweegt de stok diegene die hem optilt ?” Jesaja onderricht eens en voor al dat dit Heelal, in de meest ruime zijn van het woord – zowel de hogere als de lagere werelden – functioneert in handen van de Schepper zoals de bijl in de handen van de houthakker.

Zodra iemand een zelfstandige functie toeschrijft aan wie of wat dan ook, is hij een heiden en vergrijpt hij zich aan afgoderij.

***

Op die manier is het te begrijpen dat afgoderij en heidendom nog steeds voortleven in onze moderne samenleving.

Het heidendom heeft gewoon van gedaante verwisseld en daarom denken de meeste mensen dat het niet meer bestaat in de moderne wereld.

In de Thora wordt onze verhouding tot de Schepper van A tot Z toegelicht. Er worden vier verschillende situaties naar voren gebracht:

1. het geloof dat het Joodse Volk opgelegd wordt

2. het geloof dat aan alle mensen – de Noachieden – opgelegd wordt

3. het verbod op afgoderij. Dit geldt voor alle mensen, Joden zowel als niet-Joden

4. het verbod om het bestaan zelf van G’d te ontkennen.

Dit laatste verbod is de ergste overtreding i.v.m. het geloof.

Hier volgt een toelichting van deze vier punten:

1) Voor het Joodse Volk staat in Deuteronomium 6: 4 geschreven:

“Hoor Israël, De Eeuwige is onze G’d (leider), de Eeuwige is Één.”

Deze zin sluit iedere vorm van pluraliteit wat betreft G’d, uit. Zij het in de zin van polytheïsme (veelgoderij), pantheïsme, of op welke manier dan ook.

Met ‘Hij is Één’ wordt bedoeld de absolute Één, ondeelbaar en niet samengesteld uit delen.

Dit begrip van ondeelbaarheid is intiem gebonden aan Zijn onbegrensdheid. Het woord Echad in het Hebreeuws kent veel verklaringen, o.a. een verklaring van de drie letters die het woord Echad vormen: de aleph, de cheth en de daled.

Dan wordt de nadruk gelegd op de getallenwaarde van deze drie letters:

aleph = 1, cheth = 8, daled = 4.

Aleph betekent ook heer of gezagvoerder en die is 1, d.w.z. Hij heerst over de zeven hemelen en over de aarde = 8 – verticaal -.

Hij heerst over de vier windstreken = horizontaal.

Hij is Één en Enig, want met de Schepping van Hemel en aarde werd noch Zijn absolute Éénheid, noch zijn essentie aangetast. Voor Hem is helemaal niets veranderd met het Scheppen van Hemel en aarde.

Hij is Één en Enig gebleven. Al de veelvuldigheid van ontelbare en onmetelijke werelden en schepselen zijn niet meer dan even zo vele manieren en mogelijkheden voor ons om Hem en Zijn unieke Éénheid te ontdekken.

Dit is de meest paradoxale uitdaging die men zich kan indenken. Daarbij wordt het Shema = Hoor, eigenlijk bedoeld: begrijp.

Deze regel bepaalt de specifieke verhouding van het Joodse Volk met de Schepper.

2) De Noachieden wordt toegestaan datgene, dat de Thora definieert als compagnonschap.

De bron van deze regel vinden we terug in Deuteronomium 4: 19.

Onder zekere voorwaarden wordt aan alle volkeren toegestaan om een bemiddelaar in te schakelen tussen henzelf en hun Schepper.

Men mag daarbij geen zelfstandige functie toeschrijven noch aan hemellichamen, noch aan de engelen die de hemellichamen beheersen, noch aan wie of wat dan ook.

Zo’n geloof wordt gelijkgesteld aan pure afgoderij.

Noachieden mogen wel geloven dat de Schepper een zeker gezag overgedragen heeft aan engelen, enz., maar in de zin van de vrije keuze zoals wij mensen die hebben.

3) Het toeschrijven van zelfstandige functies aan iemand of aan iets is pure afgoderij en is voor alle mensen verboden. Het feit dat iemand daarnaast ook gelooft in de Schepper verandert niets en blijft afgoderij. Er zijn vele mensen die op deze manier geloven. Ze beweren stellig te geloven in de Schepper, maar geloven niet dat Hij zelf de aarde beheert en in stand houdt.

4) Het absolute ontkennen van het bestaan zelf van G-d en iedere vorm van G-ddelijkheid Deze regel is de ergste overtreding,. Men schrijft alle bestaan toe aan het toeval en aan de ‘big bang’ . Deze gedachte is gewoon irrationeel en �berhaupt de grootste absurditeit die men zich kan indenken. En dit gebeurt in de ‘moderne, beschaafde maatschappij’ die boogt op wetenschap en logica. Deze gedachte wordt tegenwoordig onderricht op de lagere scholen, in het voortgezet onderwijs en zelfs ook nog op de universiteit.

Men is wat deze laatste regel betreft er heel erg op achteruit gegaan in vergelijking met de oudheid en de Middeleeuwen.

En op dat punt zijn de ‘onbeschaafde’ volksstammen in Centraal Australië, Centraal Afrika en in de Oost Aziatische gebieden er veel en veel beter aan toe.

In onze moderne tijd kan iemand een erg belangrijke titel dragen en bekleed zijn met een heel belangrijke functie, en zich toch vergrijpen aan het meest primitieve heidendom. Deze mensen, hun titel, hun kennis en hun functie ten spijt, ontkennen het meest evidente, logische principe, dat niets zomaar uit zichzelf kan ontstaan.

Men vertelt van de Rambam (Maimonides 1135-1205), dat hij regelmatig uitgedaagd werd door zekere wijsgeren en filosofen om te discussiëren over het bestaan van G’d.

Daarbij bleven deze wijsgeren hardnekkig op hun standpunt staan dat de materie een absoluut bestaan leidt en dat dit Heelal aan de willekeur van het toeval toe te schrijven was…

Uiteindelijk praatten ze langs elkaar heen. Ten einde raad kwam de Rambam op een zekere dag naar hun toe met een prachtig schilderij en zette het voor hen neer om het ze te laten bewonderen. Toen ze informeerden wie het gemaakt had, beweerde de Rambam met stelligheid dat er geen mensen hand mee gemoeid was. Hij, de Rambam, had heel toevallig dit doek in zijn huis liggen. Op een tafel rond het doek stonden heel toevallig wat potjes verf. Toen stootte iemand, ook toevallig, tegen de tafel waarbij de potjes verf omvielen en op die manier ontstond dit kunstwerk. Het schilderij was een weergave van een bekend stuk natuur uit hun omgeving. Het spreekt vanzelf dat niemand van deze geleerden geloof hechtte aan zijn verhaal.

Toen zei de Rambam: “Dat dit schilderij toevallig en uit zichzelf zou kunnen ontstaan, geloven jullie in geen geval. Dit nu is een dode materie, een doek en wat verf en toch zal, en kan ook, niemand accepteren dat het uit zichzelf is ontstaan en terecht.

Maar wat betreft deze hoogste volmaakte en springlevende Schepping durven jullie stellig te beweren ervan overtuigd te zijn dat ze zo maar toevallig uit zichzelf ontstaan is.”

Het blijkt duidelijk dat het probleem niet de Schepping of de Schepper is, het probleem is de mens. Hoe is het te verklaren dat mensen, die op sommige gebieden bewijzen in het bezit te zijn van een doelmatig functionerend en gezond verstand, voor de dag komen met de meest onvoorstelbare absurditeit als het bestaan van G’d of het ontstaan van de wereld ter sprake komt ?

Maar daarover een andere keer en dan zullen we ook het begrip van de heidense mentaliteit behandelen. Ook deze leeft voort in onze samenleving en wel op de meest scherpe manier.

Geef een reactie