HET CHEIDER, Bijeenkomst 1 (II)

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Lezingen cyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider. Zie eerste gedeelte op onze nieuwspagina website www.bethhamidrash.org

In een van de eerste publicaties van de Joodse codex, geschreven door Maimonides’ worden natuurlijk ook de zeven Noachidische Wetten behandeld. Hij verklaart daar o.a. in dit verband:

“Niet-Joden of gewoonweg de Noachieden genaamd, die zich houden aan de zeven regels, verdienen de titel ‘de Vromen onder de volkeren’. Ze hebben daardoor ook een aandeel aan de toekomende wereld en verwerven het eeuwige leven. Daar is wel een voorwaarde aan verbonden, namelijk dat zij de zeven regels zullen uitvoeren omdat Hij, de Schepper van Hemel en aarde, het hun opgelegd heeft.

Doen ze het gewoon omdat ze deze wetten logisch vinden, en uiteraard zijn al deze zeven wetten gewoon logisch te verklaren, dan verdienen ze niet de titel van ‘Vromen onder de volkeren’ en ze verdienen ook geen aandeel in de toekomende wereld. Ze worden zelfs niet beschouwd als de wijzen onder de volkeren.

Ik moet ronduit zeggen dat, toen ik deze regels voor het eerst onder ogen kreeg, ik het er heel erg moeilijk mee had. Ik was toen nog erg jong en dit bleef mij heel lang op mijn maag liggen. Er rezen bij mij vragen zoals: “Wat maakt dat nu uit, tenslotte doen ze het toch. Ze vertonen toch een moraal, een ethiek en een heel erg fatsoenlijke gedragslijn.” Er zijn vele jaren overheen gegaan voordat ik begreep waar het in essentie om ging en hoe erg belangrijk het was om welke reden een Noachied zich hield aan de zeven wetten.

Om dit punt toe te lichten moet ik weer beroep doen op een Midrash uit de mondelinge leer, uit de Talmoed. Daar is overigens een nauw en intiem verband tussen deze Midrash en de vorige Midrash.

Deze Midrash vertelt het volgende verhaal:

Voordat G’d de Thora heeft opgedragen aan het Joodse Volk op de Sinaï heeft Hij deze eerst aan alle andere volkeren aangeboden.

Hij is eerst naar Ezau gegaan en die heeft meteen geïnformeerd wat voor plichten hem daar opgelegd werden.

Toen zei G’d: “Je mag niet doden.” Dat vond Ezau onaanvaardbaar. Hij bracht daar nog op in dat de Thora zelf schrijft over hem (Ezau) in verband met de zegen die hij van zijn vader kreeg: “Je zult leven van je zwaard.”

Toen is Hij naar Jismaël gegaan en die heeft ook geïnformeerd. Toen hij te horen kreeg dat de Thora verbiedt te stelen, weigerde hij ook. Hij vond dat hij aan deze eis nooit kon voldoen. Ook beweerde hij het bewijs te leveren uit de Thora zelf dat hij mocht stelen. Daar staat uitdrukkelijk geschreven over Jismaël: “Zijn hand zal gericht zijn tegen iedereen.” Volgens hem was dit bedoeld als toestemming om te stelen.

Toen is Hij verder naar de Amonieten en de Moabieten gegaan en heeft hun antwoord gegeven over het verbod op incest. Ook zij beweerden dat dit verbod niet voor hen gold. Ze verwezen naar het verhaal in de Thora waaruit blijkt dat deze twee volkeren hun ontstaan te danken hebben aan het vergrijp op incest. De twee dochters van Lot kregen ieder een zoon van hun vader. De ene noemde haar zoon Amon en de andere noemde haar zoon Moab. En, vertelt de Midrash, zo is Hij naar alle volkeren toegegaan en ze hebben allemaal geweigerd. Zo gezien gaat het in deze Midrash gewoon om de zeven wetten van de Noachieden. Het is niet zo dat G’d de hele Thora wilde opleggen aan alle volkeren.

Na kennisname van de inhoud van deze Midrash kwam ik nog voor een veel moeilijker probleem te staan. Het lijdt geen twijfel dat er nooit of tenminste in de geschiedenis, sprake is geweest van een volk waar diefstal, moord of incest toegestaan werden. Het is uberhaupt niet in te denken dat een gestructureerd volk deze dingen kan toestaan. Een volk dat deze dingen toestaat is onregeerbaar. Daar heerst gewoonweg anarchie. Daar is geen normaal volksleven mogelijk, want daar geldt de wet en het recht van de sterkste net zoals in de wildernis.

Ik zat nu met twee, toen alleszins naar mijn gevoel, praktisch onoplosbare problemen:

1. De passage in Maimonides’ over de zeven wetten i.v.m. de voorwaarde voor het verwerven van de titel ‘Vromen onder de volkeren’ en het aandeel in het eeuwige leven in de toekomende wereld.

2. De verklaring van deze Midrash i.v.m. de weigering van alle volkeren om de zeven wetten te accepteren.

Er is overigens een andere Midrash die vertelt dat welke maatschappij dan ook deze regels moet respecteren. Dit geldt zelfs voor een gangsterbende. Noodgedwongen moeten die in hun eigen groep het liegen en stelen verbieden. Hoe paradoxaal het ook klinkt in hun eigen kring zijn ze vaak nog kwetsbaarder. Het komt erg vaak voor dat men in die kringen een leugen met de dood bekoopt. Deze regels zijn heel duidelijk de meest elementaire voorwaarden voor het handhaven van een gemeenschap, om het even welk.

Het is dan ook veel later dat ik in het commentaar op de Pentateuch van Rabbijn Samson Raphaël Hirsch (Frankfurt 1808-1888) de oplossing gevonden heb voor deze twee problemen. Hij was één van de grootste Joodse geestelijk leiders van zijn tijd in Duitsland. Rabbijn S.R. Hirsch zaliger heeft daar in Frankfurt een Joods-orthodoxe gemeente opgericht en dat was heel wat. Daar in Duitsland vierde de reform hoogtij. Hirsch heeft de moed opgebracht om met 11 leden een eigen Joodse gemeente op te richten die uitgegroeid is tot een grote, bloeiende gemeente. Hij heeft daar ook een Joodse school opgericht ‘die J�dische Realschule’. Hij heeft daar op die school zware eisen gesteld, zoals wij die overigens ook hier op het Cheider stellen.

Het hele onderwijspakket van het Ministerie van Onderwijs moet afgestudeerd worden. Daarnaast en tezelfdertijd moet parallel het Joodse onderwijs op de meest optimale manier overgedragen worden. De leerlingen moeten punten halen op het seculiere profane gebied en daarnaast worden diezelfde eisen gesteld op het Joods gebied. Het Jodendom is een grote en uitgebreide, ontwikkelde wetenschap. Veel ruimer en uitgebreider dan de algemene wereldse instructie. Jammer genoeg is het zo, dat de meeste Joden in onze tijd dit helemaal niet weten en niet beseffen.

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger heeft groot succes geboekt in zijn tijd.

In zijn commentaar op het tweede boek Moshe, op het verhaal over de slavernij van de Joden in Egypte, heb ik de oplossing voor mijn grote en moeilijke, bovengenoemde problemen gevonden.

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger stelt daar een erg belangrijke en merkwaardige vraag. Eerst en vooral stelt hij dat het bekend is dat Egypte een sterk gestructureerd land was met een zekere cultuur. Deze cultuur kunnen we nog steeds bewonderen in verschillende gebieden. Zij hadden een codex, dus het ethische principe van recht en rechtvaardigheid werd daar toegepast. Daar werd geregeerd en het volksleven was goed georganiseerd. En dan stelt S.R. Hirsch zaliger, de volgende vraag: “Hoe is het te verklaren dat een volk, een regering, die het ethische en het morele principe van recht en rechtvaardigheid accepteert en toepast, alleszins in eigen kring, diezelfde ethiek en moraal met de voeten treedt en teniet doet in het geval van een minoriteit. Hoe kun je het principe van recht en rechtvaardigheid met twee maten meten. Hoe kun je tegelijkertijd rechtvaardig optreden tegen de ene en op de meest afschuwelijke, wrede, onrechtvaardige manier handelen tegenover de andere. Je mag hun kinderen verdrinken, je mag ze doodmaken, tot slaaf maken en hun hebben en houden in beslag nemen.”

Deze vraag eist een duidelijk en logisch antwoord.

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger geeft daar een vlijmscherp antwoord op.

Het burgerlijk wetboek, zoals men dat noemt, is het product van de mens. Mensen hebben het gemaakt en samengesteld. Dat maakt dat het opperste gezag in de samenleving is gegeven aan de mens. Juist omdat de Codex en ook de Ethica en de moraal het product zijn van de mens, daarom kan hij – de mens – te allen tijde beslissen wanneer hij het wel of niet toepast. De mens die het hoogste gezag voert, beslist ook wie wel en wie niet zal mogen genieten van zijn product, van deze rechten.

De mens is heer en meester over het wetboek net zoals hij heer en meester is over alle andere producten die hij produceert met zijn grondstoffen in zijn fabrieken. Precies zoals hij beschikt en beslist over zijn materiële producten, zo bedeelt de mens zichzelf het recht toe om te beschikken en te beslissen over zijn geestelijke en culturele producten.

Het gevaar ligt precies in de burgerlijke status van de wet. Dit is de verklaring van Rabbijn S.R. Hirsch zaliger.

Deze verklaring gaf mij de sleutel tot de verklaring van mijn probleem met Maimonides’ en het probleem in de Midrash.

Een Noachied die de zeven regels toepast, maar dat doet omdat hij het logisch vindt, is op het niveau van burgerlijke wetten.

Deze regels zijn het product van zijn logica en hij is heer en meester over deze regels. Hij heeft dan ook het recht om er zelf over te beslissen wanneer en in welke omstandigheden hij ze wel of niet zal toepassen.

Juist daarom verklaart de Rambam dat hij dan zeker niet de titel verwerft van ‘de Vrome onder de volkeren’. Hij is helemaal niet vroom want hij ontkent de G’ddelijke status van de regels die Hij de mensen voorgeschreven heeft.

Dit is ook de oplossing van het verhaal in de Midrash. Hetgeen alle volkeren toen geweigerd hebben is niet het verbod zelf over de menselijke verhoudingen. Hetgeen ze weigeren dat is de G’ddelijke status van hetgeen zij de burgerlijke wetten noemen.

De Tora verbiedt te stelen, het burgerlijk wetboek verbiedt dat ook.

Alleen is er een grotere kloof en een oneindig grotere afstand tussen het verbod ‘je mag niet stelen’ in de Thora en het verbod ‘je mag niet stelen’ in het burgerlijk wetboek dan tussen hemel en aarde.

Deze leerstellingen van de Midrash en gecodificeerd door de Rambam en later door alle andere codificatoren is een heel erg ernstige en diep bewonderenswaardige benadering van de relatie van de mens met G’d. De gewone normale dagelijkse verhouding met de medemens is een puur G’ddelijke zaak. Je relatie tot G’d loopt via de medemens.

Dit is een revolutionaire visie op het begrip van godsdienst en ook tegelijkertijd op de essentiële waarde van de wet.

Wetten moeten er zijn hoe dan ook, tegen wil en dank. Dat is geen punt en daar zal iedereen, wie dan ook en waar dan ook, ook mee akkoord gaan.

Maar het meest belangrijke is niet zozeer de wet zelf, maar de status die aan de wet is toegekend.

Persoonlijk heb ik daar echt diep over nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat mensen helemaal niet bij machte zijn om echt eerlijk te zijn als ze de G’ddelijke status van de wet niet erkennen.

Het hindert en staat echte en ware eerlijkheid in de weg.

Tenslotte is dan de mens zelf heer en meester over de wet en dat sluit iedere vorm van absolute eerlijkheid definitief uit.

De mens is alleen en uitsluitend in staat om echt eerlijk te zijn, met zichzelf, met zijn medemens en met G’d, op voorwaarde dat hij de G’ddelijke status erkent van hetgeen men algemeen en ten onrechte de burgerlijke wetten noemt.

Waar het om draait is dat men dan de wet een objectieve en absolute waarde moet toekennen. Net zoals Zijn bestaan absoluut is, zo zijn Zijn Wetten ook absoluut en G’ddelijk.

Het zou niet anders kunnen, want deze wetten, die heeft Hij voorgeschreven. Met absoluut wordt bedoeld dat Hij bestaat uit zichzelf.

Juist daarom is alles, wat dan ook, in ons bestaan afhankelijk van Hem.

Om het begrip ‘absoluut’ te illustreren geef ik meestal het voorbeeld van de warmte die het vuur uitstraalt. Als we water koken dan is dat water ook warm. Maar er is een hemelsbreed en onoverbrugbaar verschil met de warmte die van het vuur komt. Het vuur is ‘absoluut’ warm, het water niet. Met absoluut wordt bedoeld dat het vuur van zichzelf warm is. Het water wordt verwarmd en blijft warm zolang de uitstraling van het vuur op het water inwerkt. De ware toedracht van de zaak zit zo dat ook als het water kookt, ook dan is de warmte helemaal niet aan het water toe te schrijven, maar aan het vuur. In essentie is er ook dan voor het water niets veranderd.

Het begrip absoluut houdt in dat de zaak niet verwekt wordt door een element dat van buitenaf op de zaak inwerkt.

Dragen we dit principe over op het begrip ‘Bestaan’ dan komt het erop neer, dat met ‘absoluut bestaan’ bedoeld wordt ‘Hij, die bestaat uit Zichzelf’!

Alle schepselen zijn voor hun bestaan afhankelijk van elementen van buitenaf.

Alles, wat dan ook, hangt af van de wet van ‘oorzaak en gevolg’

Alle schepselen getuigen, op de meest scherpe manier, over het absolute bestaan van Hem. Het feit dat ze er zijn bewijst dat Hij er is.

Precies zoals warm water getuigt dat er vuur is. Want was er geen vuur dan kan het water ook helemaal niet warm zijn.

Regelmatig ervaren we, in de actualiteit, de weerslag van het niet toekennen van de absolute G’ddelijke status, in het bijzonder aan het wetboek en �berhaupt algemeen gezien aan het begrip en het principe zelf van de wet.

Bij voorbeeld: In juni 1967, tijdens de zesdaagse oorlog in Israël, is Charles de Gaulle heel erg te keer gegaan tegen Israël. Hij beschuldigde het Israëlische leger van agressie: “Jullie zijn de agressors, de oorlogstokers!”

Hij baseerde deze beschuldiging op het feit dat het Israëlische leger inderdaad het eerst het vuur geopend had. Toen hebben ze De Gaulle een boekje onder zijn neus geduwd dat hij zelf geschreven had, over oorlogswetten en oorlogsregels. Hij zelf schrijft: “als een vijandig leger geconcentreerd en dreigend voor de grens staat, dan is dat een flagrante oorlogsverklaring. Daar mag je zonder meer zo op los schieten.”

En iedereen wist in die tijd dat het leger van Nasser al zes maanden ‘geconcentreerd’ voor de grens stond. Dat was geen geheim. En in die tijd hield Nasser verschrikkelijke toespraken over wat hij van plan was met de bevolking van Israël te doen: “Ze allemaal in de zee gooien.”

Hij stak dat helemaal niet onder stoelen of banken. Zijn bedoeling was het leger op te stoken en ze strijdvaardig te maken. Charles de Gaulle had daar dan ook geen wederantwoord op. Hij was wel moedig en eerlijk en heeft niet ‘rond de pot gedraaid’.

Zijn reactie was: “Quand les intéréts de la nation sont en jeu, il n’y a pas de morale ni d’�thique”!!

Als de belangen van de natie op het spel staan, dan bestaat er geen moraal en geen ethiek.

Dit verhaal bewijst en bevestigt het principe dat wij vanavond gepoogd hebben uiteen te zetten. Het is des temeer doorslaggevend omdat een president van een democratisch bewind het gedurfd heeft om zich op deze manier uit te drukken.

Het bewijst op de meest scherpe manier dat het echte en ware geloof in G’d, indien echt en eerlijk bedoeld, te zoeken en te vinden is in de G’ddelijke status, die men aan het wetboek toekent.

WORDT WEKELIJKS GEPUBLICEERD.

Geef een reactie