HET CHEIDER, Bijeenkomst 1 (I)

Bijeenkomst in de scholengemeenschap “Cheider”, Zuid Hollandstraat 3, aan de Van Neyenrodeweg te Amsterdam, op zondag, 16 september 1990, om 20.00 uur.

Woord van welkom door de heer Drs. L. P. Dorenbos en toelichting op de aanleiding en het doel van een lezingen cyclus over de Zeven Noachidische geboden door Rabbijn J. Friedrich uit Antwerpen, de Rebbe van het Cheider.

Ik denk dat het hier vanavond een historisch gebeuren is. Voor ons eigenlijk een gewoon en natuurlijk gebeuren.

De tekst schrijft voor bij het veroveren van het land Kanaän (Deut. 20-10): als je ooit zult vechten, tegen wie dan ook, dan moet je beginnen met vrede aan te bieden. De Talmoed vertelt ons wat deze vrede inhoudt: Je moet vragen dat de mensen zich zullen houden aan en gedragen naar de Noachidische Wetten. Als ze zich bereid verklaren om deze te accepteren, dan mag je hun geen haar op hun hoofd krenken.

Het blijkt inderdaad dat ze dat geweigerd hebben en in feite komt het erop neer, en de meeste mensen weten dat helemaal niet, dat de Sinaï, de openbaring, daar niet zo maal voor het Joodse volk was, die was er voor alle mensen, want de Thora, dus in het algemeen de bijbel, de Vijf Boeken van Mozes, is een benaming; voor ons is het gewoon de Thora, letterlijk vertaald ‘de instructie of de instructies’ voor de mensen. Wij krijgen ook een instructieboekje als we een machine of een wagen kopen. Ook Hij, de Schepper van hemel en aarde, toen Hij klaar was met Zijn zaak, heeft Hij ons dat instructieboekje in handen gegeven, hoe het allemaal moet gebeuren. Dal is eigenlijk de letterlijke vertaling van het woord Thora. Het stamwoord van Thora, ‘Horaäh betekent ook gewoon onderwijzen en onderrichten hoe men zich praktisch zal gedragen.

Daar zijn dus 613 regels of wetsbepalingen, gericht tot en opgelegd aan het joodse volk. In de zelfde Thora worden zeven regels voorgeschreven en opgelegd aan alle andere mensen. Dus de Thora is gericht tot alle volkeren.

Wat vertellen die zeven regels? We krijgen zes verboden:

1.moord

2.diefstal

3.wreedheid ook jegens dieren

4.G-d vloeken

5.afgoderij

6.overspel en incest

en één gebod:

7.het invoeren van een rechtvaardige rechtspraak

We merken dat drie van de zeven regels onze relatie met de medemens bepalen: doden, stelen, en rechtspraak en drie regels bepalen onze verhouding met G-d: het verbod afgoderij, om G-d te vloeken, en op incest.

De meeste mensen in onze tijd denken i.v.m. partnerschap dat zij daar zelf over mogen beslissen. Dit is een verschrikkelijke vergissing. Daar beslist alleen Hij over. Jouw lichaam is zijn bezit. Hij heeft aan de mens het recht. op zelfbeschikking toegekend alleen maar en uitsluitend op materiële waarden, zoals goederen en geld. Over deze dingen heeft de mens het eigendomsrecht gekregen. De mens heeft in geen geval eigendomsrecht gekregen over zijn lichaam. Dit zou het menselijke lichaam en uiteindelijk de hele menselijke persoonlijkheid herleiden en vernederen tot de status van materiële goederen. Het lichaam van de mens is G-d zij dank het bezit van Hem en daar beschikt Hij over en Hij beslist met wie en op welke manier en in welke omstandigheden je met iemand wel of geen verhouding mag hebben.

In de zeven Noachidische wetten treedt heel erg opmerkelijk de G-ddelijke opdracht naar voren, zowel in verband met onze relatie met de medemens als in onze relatie met G-d zelf. Deze zelfde principiële regel constateren we ook in de tien geboden gericht tot het joodse volk De stenen tafels waren verdeeld in twee kanten. Op de ene kant waren vijf regels ingegraveerd in verband met de medemens en langs de rechterkant vijf regels in verband met G-d. Het komt er duidelijk op neer dat ieder vergrijp tegen de mens meteen een vergrijp betekent tegen G-d.

Straks kom ik nog terug op dit levensbelangrijke principe.

Even tussendoor nog een woordje over het feit dat G-d in de Thora bijzondere regels voorschrijft voor het joodse volk en andere regels aan alle andere volkeren. Dit heeft in essentie te maken met het begrip ‘Sjalom’ of Harmonie. Want Harmonie impliceert verscheidenheid. Nemen we even een voorbeeld van hetgeen men een philharmonie of een philharmonisch concert noemt. Het is alom bekend dat daarmee bedoeld wordt een groep muzikanten met verschillende soorten muziekinstrumenten. Iedereen gebruikt daarbij zijn eigen instrument. Een voorwaarde is dat de hele groep geleid wordt door één en dezelfde dirigent en ook dezelfde partituur speelt. Moesten ze allemaal hetzelfde instrument gebruiken, dan is dat geen harmonie.

We leren dat principe van de ‘Menora’, de zevenarmige kandelaar. De wet schrijft voor dat de kandelaar uit één stuk gesmeed moest worden. Het was verboden om eerst de onderdelen te maken en deze dan achteraf samen te stellen tot één kandelaar.

Het principe van ‘sjalom’ moest op die manier doordringen tot het joodse volk en ook tot alle andere volkeren. De kandelaar moest uit heel veel en verscheidene onderdelen, zoals bloemen, bolachtige stukken, bekers, een voetstuk, drie pootjes en de lampjes gemaakt worden. Het meest belangrijke onderdeel waren de lampjes, de bekertjes waarin de olie en de pitten ingevoerd werden bij het ontsteken van de lichtjes, iedere avond. Het meest eenvoudige element waren de pootjes, want die hadden de meest eenvoudige functie.

AI deze onderdelen komen te voorschijn uit één en dezelfde massa. Alle onderdelen hebben hun bijzondere taak, voor één en hetzelfde doel: het ontsteken van de lichtjes, in welke Hij Zijn Alomtegenwoordigheid manifesteert. Dagelijks werd in alle zeven lampjes dezelfde hoeveelheid olie en dezelfde maat pitten ingevoerd. Zes daarvan brandden de hele nacht, tot de ochtend, maar één enkel lichtje bleef doorbranden tot de volgende avond. Dit wonder geschiedde iedere dag in de tempel in de woestijn en later ook in de stenen tempel in Jeruzalem. Inderdaad, de Talmoed stelt de vraag: “waartoe diende die kandelaar? Heeft Hij behoefte dat wij voor Hem licht maken? ” Hij. heeft voor ons licht gemaakt, 40 jaar in de woestijn. De vuurzuil om te belichten in de nacht. Moeten wij voor Hem licht maken in Zijn huis in de Tempel? Het antwoord van de Talmoed is: “het licht was er voor ons, helemaal niet voor Hem, opdat wij Zijn Alomtegenwoordigheid zullen merken in ons midden!

Zo belangrijk was de “Menora ” en bij dit doel waren alle onderdelen van de kandelaar betrokken. Ieder onderdeel met z’n bijzondere en specifiek exclusieve taak.

De gedachte die bij zo vele mensen en ook bij zo vele volkeren leeft, dat er maar één enkele waarheid bestaat en dat iedereen dezelfde taak heeft, deze gedachte is levensgevaarlijk. De werkelijkheid spreekt dit tegen want ieder mens is anders en exclusief. Er zijn geen twee mensen gelijk.

De Talmoed verteld, net zoals ons gelaat anders is, want iedereen heeft G-d zij dank zijn eigen ponem”, zo heeft iedereen zijn eigen karakter, zo heeft iedereen zijn eigen verstand en zo heeft ook iedereen zijn eigen ziel. Iedereen heeft ook zijn eigen identiteit en zijn eigen “ik”.

De veelvuldigheid en de verscheidenheid zijn feiten. Het is de objectieve werkelijkheid zelf. Daarmee moet rekening, gehouden worden. Dat is dan ook de basis en de verklaring van deze twee bijzondere richtlijnen die de Thora voorgeschreven heeft, enerzijds voor de Noachieten en anderzijds voorde Abramieten of Israëlieten. Dit is de grondslag en het vertrekpunt voor het begrip Harmonie of Sjalom.

Ik wil hier even een passage vermelden uit de Talmoed en zodoende komen we eigenlijk naar de essentie van het onderwerp dat ik vanavond wou behandelen, als inleiding tot de volgende zes avonden over de Zeven Noachidische Wetten. De Talmoed verteld in de Midrash dat Hij, de Schepper van hemel en aarde, oorspronkelijk woonde hier op aarde. De meeste mensen vergissen zich daarover want als men denkt aan G-d, dan denkt men automatisch aan de hemel. De Thora verteld dat het helemaal niet zo is. Zijn woonstede was bedoeld hier op aarde en niet in de hemel. Met de eerste zonde van de mens vertrekt de G-ddelijke eer uit deze wereld op naar de 1e hemel. Met de tweede overtreding: Kahn vermoordt zijn broer. Dan trekt Hij verder naar een hogere hemel, de 2de hemel. Dan komt Enoch. Hij vergrijpt zich aan afgoderij. Dan vertrekt Hij naar de 3de hemel. Het geslacht van de zondvloed vergrijpt zich aan diefstal. Hij vertrekt naar de 4de hemel. Achteraf komt de Toren van Babel en Hij gaat naar de 5de hemel. Sodom en Gomorra vergrijpen zich aan het invoeren van onrechtvaardigheid – de 6de hemel. Vervolgens het geval met Sarah in Egypte, waaruit blijkt dat men zich daar zonder meer vergreep aan overspel. Toen vertrok Hij naar de 7de hemel, op de verste afstand van deze aarde.

Toen kwamen er zeven rechtvaardigen, die hebben de G-ddelijke eer hier op aarde teruggebracht en dit waren Abraham, Itschak, Jakob, Levi, Kehos, Amrom en Mosje. Inderdaad met het verhaal over de openbaring (Exodus 19) vinden we in, de tekst dat G-d is neergedaald op de berg Sinai. De volgende zin vertelt dat Mosje is opgestegen naar G-d toe. Dus de verbinding G-d – mens – G-d aarde is op dat moment hersteld.

De Maharal was een van de grootste joodse wetgeleerde uit de 16e eeuw (1 515-1609). Rabbijn in Praag in een verschrikkelijke tijd voor het jodendom. Hij heeft erg veel werken nagelaten. In één van zijn boeken doet hij een onderzoek naar de zeven vergrijpen van Adam, Kaän, Enoch, de zondvloed, de Toren van Babel, Sodom en Egypte. Hij komt tot de conclusie dat zij zich vergrepen hebben aan de zeven Noachidische Wetten. De zevende heb ik nog niet toegelicht. Dat is gewoon wreedheid. In de teksten wordt dit vergrijp vermeld met het geval waar iemand vlees of bloed tapt van een levend dier. De Maharal onderzoekt wat de drijfveer kan zijn van een mens om zo iets te doen. Hij licht het toe op die manier: er komt een man van het veld en heeft een verschrikkelijk honger. Hij heeft een schaap en dat moet hij slachten, stropen en schoonmaken. Daar zal hij – voor zijn honger alleszins – lang mee bezig zijn voordat hij rosbief op tafel heeft. Zolang kan hij – wil hij – niet wachten. Hij beslist meteen van het levend diertje ergens een stuk vlees af te snijden en te braden. DeMaharal schrijft deze overtreding toe aan onbeheerstheid. De mens die zijn driften niet kan – wil – beheersen. De eis die G-d stelt en die centraal staat voor alle zeven Noachidische Wetten is het beheersen van de driften en begeertes. Dat principe wordt op de meest concrete manier benadrukt met dit zevende verbod. Voor Adam had het verbod om vlees of bloed te tappen van een levend dier geen een inhoud. Hij mocht helemaal geen vlees eten, hij moest vegetarisch eten. Maar het principe om zijn begeerte te beheersen gold ook voor hem. De tekst vertelt inderdaad dat hij de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad begeerde. De Maharal legt een verband tussen het verbod om vlees van een levend dier te snijden en het geval van Adam. Hij brengt ze allebei onder een en dezelfde noemer: onbeheerstheid. Hij kan, of beter gezegd wil zijn begeerten niet beheersen.

Een jaar of tien geleden, toen ik op de Amsterdamse Academie voor Jodendom doceerde, kwam er een bejaarde man met me mee uit Antwerpen om de cursus te volgen. Op zo’n cursus over het jodendom waar zekere teksten behandeld worden uit de Thora, valt men regelmatig terug op de principiële eis om z’n begeerten te beheersen! Deze man, een zekere meneer Wenger, kwam iedere week met het verhaal dat volgens hem de mensen helemaal niet de kracht en de bekwaamheid hebben om hun instinkten en hun driften te beheersen.

Iemand van de cursisten vroeg hem wat hij dan eigenlijk hier kwam doen en wat voor belang hij dan hechtte aan deze cursus. Het antwoord was, ik vind die cursus prachtig, ik vind het allemaal heel erg mooi en bewonderenswaardig, maar het is en blijft voor mij een zuiver theoretische zaak die praktisch niet uitvoerbaar is. Ik moet zeggen dat ik mij gewoon onmachtig voelde tegen deze beweringen. Hoe kun je de mensen bewijzen dat het wel kan, dat ieder mens in principe zijn begeertes en zelfs zijn instincten kan beheersen. Dit idee streelt veel mensen. Dan zijn zij vrij want het kan gewoon niet en dan ga je je gang maar. In Holland zeggen ze: “doe maar, joh”.

Een zeker keer schoot mij een verhaal te binnen dat hij zelf in een krant had gepubliceerd over zijn persoonlijke belevenissen in Auschwitz. Toen zei ik tegen deze meneer: “Uit uw eigen levenservaring kan ik u bewijzen dat het wel kan”. Toen keek hij me zo aan en vroeg, hoe zou u dat doen? Ik zei: “U weet destijds heeft u in de “Centrale’ in Antwerpen een tijd artikelen gepubliceerd over uw belevenissen in Auschwitz. Achteraf hebt u ze mij mondeling vertelt met nog veel meer details.”

Het verhaal was zo dat deze man verantwoordelijk gesteld werd over een groep van 12 mensen. Hem werd duidelijk gesteld dat in geval iemand uit de groep zou vluchten uit het kamp, dat hij dat zou bekopen met zijn leven. Men zou hem dan op staande voet ophangen. Hij kon -want hij mocht gewoonweg- niet nee zeggen. Hij moest het natuurlijk doen! Op een zekere dag was het gebeurd. Een man uit deze groep was gevlucht. De hele groep moest de hele nacht in een verschrikkelijke kou het was winter – op appel staan. De volgende ochtend kwam de beslissing: “De hele groep zou opgehangen worden”. Toen is deze meneer, tegen alle regels in, uit de groep naar voren getreden met opgeheven wijsvinger.

De regel was dal als iemand het durfde te wagen met één voet uit de rij te treden, dat hij dan zo afgemaakt werd en dit meestal met stokslagen of gewoon met de kolf van een geweer. Toch heeft deze man dit risico genomen en heeft hij dit toch gedaan.

De SSer trok meteen zijn wapen en vroeg hem wat hij daar deed. Toen zei hij: “lk heb wat te vertellen”. Het antwoord luidde’ga je gang maar want we zijn benieuwd wat jij hier nog überhaupt te vertellen hebt’. Hij zei toen heel erg rustig: “U weet toch dat jullie mij hier verantwoordelijk gesteld hebben ingeval iemand zou vluchten. Nu is het gebeurd. Hangen jullie mij op. Ik zie niet wat deze mensen daar mee te maken hebben. ” De SSers kwamen heel erg onder de indruk van de opofferingsgeest en de moed die deze man aan de dag gelegd had. De reactie daarop was een bevel aan de groep om terug naar hun barak te gaan om een nieuwe beslissing af te wachten. Zij moesten er no eens over nadenken. De volgende ochtend werd uiteindelijk niemand opgehangen.

Er werd hun een heel harde disciplinaire straf gymnastiek opgelegd waarbij overigens een man het leven liet. Ik zei toen tegen deze meneer: “U weet erg goed dat er geen sterker instinkt bestaat dan het instinkt tot zelfbehoud. U hebt toch bewezen dat u in staat en bij machte bent om het aller sterkste instinct in de mens te beheersen. Ik zou dan graag willen weten welk instinkt u dan niet zou kunnen beheersen? Het punt is dat dit allemaal afhangt van de wil. Hetgeen iemand echt wil, dat beheerst hij, want de sterkste kracht in de mens is de wil. De man bleef stil zwijgen. Ja, hij zweeg zich dood, de zaak was glashelder.

Op deze regel, dat de mens zijn begeerten kan beheersen, berusten de eisen van de Schepper die Hij stelt aan de mens.

WORDT WEKELIJKS GEPUBLICEERD.

Één reactie op “HET CHEIDER, Bijeenkomst 1 (I)

Geef een reactie