Een wekelijkse vernieuwing

Wanneer mijn grootvader een brief schreef of een afspraak noteerde, dan was er slechts één manier waarop hij de datum aangaf: de eerste, de tweede, of de derde dag in “Het leven van Sara” of in “Jitro” of in “Jullie zullen heilig zijn”. Dit zijn enige titels van de wekelijkse afdelingen van de vijf boeken van de Thora, welke elke Shabbat van het jaar in de synagoge worden gelezen.

De dagen van de week hebben in het Hebreeuws geen naam. Men verwijst ernaar als yom rishon – de eerste dag naar Shabbat toe -, yom sheni- de tweede dag naar Shabbat toe – enz. En naar elke Shabbat apart wordt verwezen door verwijzing naar de Thora-afdeling die op die Shabbat gelezen wordt.

De generatie van mijn grootvader wist – precies zoals vele joden van vandaag – welke afdeling van de Thora in een bepaalde week werd gelezen. Iedereen wist ook dat de hele lezing van de Pentateuch wordt voleindigd op Simchat Thora en iedereen wist dat op dezelfde dag met de Thora-lezing opnieuw wordt begonnen van het begin af aan.

De eerste Shabbat na Simchat Thora heet Shabbat Bereshiet. Op deze Shabbat wordt verteld over het begin van de schepping en het is deze Shabbat die het begin markeert van de cyclus van Thora-afdelingen die wekelijks het hele jaar door gelezen worden.

De wekelijkse lezing van de Thora is nooit beperkt geweest tot het ritueel in de synagoge. Evenmin was ze beperkt tot Shabbat. Gedurende de hele week vergezelde ze elke jood, jong en oud, geleerde en eenvoudige van geest. Elke dag van het jaar leefde men er mee zoals met de dagelijkse zonsop- en ondergang. Het werd koud en het begon te sneeuwen wanneer “Mi-kets” of “Va-yigash” werd gelezen, en het werd warm wanneer “Shoftim” en “Re'eh” er aankwamen. Men wist dat de lente er was wanneer de afdelingen van het boek Leviticus werden gelezen.

De gelezen tekst bleef altijd dezelfde. Het is niet toegelaten ook maar een iota aan de geschreven Thora te veranderen. Maar in de ogen van de lezers scheen de tekst nooit oud of vol herhalingen, verouderd of achterhaald. Elk jaar, telkens weer als de lezing van een nieuwe week in het vooruitzicht kwam, zag hij er fris en nieuw uit. Steeds nieuwe inzichten werden in de tekst gevonden en de stroom van nieuwe vertalingen en commentaren hield nooit op.

“Er zijn” – zo zeggen de rabbijnen – “zeventig gezichten aan de Thora”. En deze zeventig werden er zevenhonderd en meer. Er was altijd een nieuw gezicht wanneer iemand de afdeling las. Het was altijd fascinerend en boeiend.

Een paar honderd jaar geleden schreef iemand een boek dat niet minder dan negenhonderd dertien verschillende interpretaties bevatte van het woord Bereshiet, het eerste woord van de Thora. Hij stopte bij negenhonderd dertien omdat dit de getalwaarde is van het woord volgens het systeem van de Gematria, waarin b = 2, r = 200, a = 1, sh=300, i=10 en t=400.

Lezers van de Thora hebben zich nooit druk gemaakt over de sullige vraag, welke vaak ook gesteld werd door de zogenaamde “wetenschappelijke geest”: welke van al de commentaren is de “ware” of de “echte”? Als knappe studenten in de hermeneutiek en de moderne literaire kritiek wisten ze dat het verschil tussen grote literatuur en minder grote literatuur juist hierin bestaat dat de eerste kan worden geïnterpreteerd op verschillende niveaus die allen gelijkelijk “waar” en “echt” zijn. En wat geldt voor grote literatuur, geldt zeker voor het woord van de Almachtige.

De Rabbijnen vergelijken de Thora met een brief van een geliefde die een verre reis ondernam. Hoe vaak hebben we niet, verlangend naar de afwezige geliefde, een brief gelezen en herlezen? Hoeveel niveaus van betekenis hebben we er niet in gevonden? En hoeveel verschillende interpretaties van elk woord kwamen niet in ons hoofd bij elke nieuwe lezing?

De Thora is de brief die onze Geliefde achterliet toen Hij vertrok naar een ver land, waar we geen direct contact met Hem kunnen hebben. De enige wijze waarop we bij Hem kunnen zijn is door de brief te lezen en te herlezen. We doen dit elke Shabbat als we een afdeling van de Thora lezen. Als we geluk hebben, dan horen we Hem en voelen we Hem telkens en telkens weer, altijd weer opnieuw en altijd weer anders.

Elke week biedt ons niet enkel een nieuwe tekst, maar ook een nieuwe ervaring. De inhoud van de afdeling wordt deel van het huishouden van die week. De Thora-lezing was nooit uitsluitend het eigendom van geleerden of rabbijnen. leder had er deel aan, ieder op zijn eigen niveau.

De omvangrijke literatuur van de Midrash met zijn populaire uitleggingen, parabels en verhalen, kwam tot stand door Rabbijnen en predikers die de Thora-afdelingen onderwezen aan de massa's over een periode van zowat duizend jaar (tussen zowat 300 jaar vóór de gangbare jaartelling tot het jaar 700). Deze activiteit werd vervolgens verder gezet door grote middeleeuwse Thora-uitleggers als Saadia, Rashi, Ibn Ezra, Rashbam en Nachmanides, en gedurende de daarop volgende eeuwen in velerlei populaire werken, geschreven in de talen die joden in de diaspora spraken.

Wat de bloemlezing Me-Am Lo'ez voor honderden jaren voor de Ladino-sprekende joodse gemeenschap betekende, was de Tse'ena oe-re'ena voor hen die Jiddisch spraken. Deze boeken brachten de boodschap en de inzichten van de Thora in elk huis. De Tse'ena oe-re'ena, die voornamelijk door vrouwen werd gelezen, kende niet minder dan 210 edities.

Reb Meir Holder, die het boek recentelijk in een nieuwe vertaling voorstelt aan de Engelse Iezer, beschrijft de plaats van het Yiddische werk in het leven van de Oosteuropese shtetl: “Onze vrome overgrootmoeder in het vroegere land koos een rustig uurtje uit. Ze maakte zich los van de dagelijkse bezigheden en installeerde zich in haar lievelingshoekje tussen de wieg en het vuur. Ze opende de veel doorbladerde 'Tsennarenne' (zoals het Hebreeuws in het Yiddisch werd uitgesproken). Haar halsdoek gladstrijkend, zette ze zich neer om in het boek met de bekende houtsneden de lotgevallen te volgen van de kinderen van Israël in de tijden van weleer. De bladzijden vertelden haar over de wekelijkse Thora-afdeling.

Ze deelde de angst van Sara over het bijna-offer van Isaak. Ze verlangde nederig naar de zelfverloochening van moeder Rachel. Ze wiste een onschuldige traan weg over de jonge Josef in de put met schorpioenen. Ze rilde bij het lezen van de grimmige details van de slavernij in Egypte. Ze verheugde zich met Mirjam bij het trekken door de Rode Zee. En ze vond troost voor de dagelijkse beproevingen van de goloes (ballingschap) door het beschouwen van de geestelijke beloningen waarmee de matriarchen van het verleden samen met de getrouwe moeders van alle generaties in de komende wereld worden gezegend.”

De talen waarin de Thora werd geïnterpreteerd, kunnen radicaal veranderd zijn in de recente generaties. Wat evenwel niet verandert, is de functie van de afdeling van de week als bron van eeuwig vernieuwde inspiratie, altijd op tijd, een leidraad voor allen.

SHABBAT SHALOM.

P.P

Geef een reactie