EEN KEERPUNT IN DE SPIRITUELE WERELDGESCHIEDENIS

PARASHAT JITRO               Jitro         Exodus. 18:1 – 20:23


EEN KEERPUNT IN DE SPIRITUELE WERELDGESCHIEDENIS

Zoals reeds genoemd bij verscheidene gelegenheden, is het geven van de Thora geassocieerd met het verenigen van de spirituele en fysieke sferen. Vóór het geven de van Thora was er een decreet tot separatie van fysiekheid van het spirituele, zoals wordt weergegeven door het vers in Psalmen. 115:16, “De Hemelen zijn de Hemelen van G’D, en de wereld gaf Hij aan de mens.”

Er was geen medium waardoor de twee samen gebracht konden worden.

 

Bij het geven van de Thora veranderde dit. Het decreet werd genullificeerd, G’D begon Zijn neerdaling op de Berg Sinaï en Zijn neerdaling gaf het Joodse Volk het potentieel, door het in acht nemen van mitzwot, om de fysieke realiteit hemelwaarts te verheffen en het in aanraking te brengen met het spirituele.

 

Om deze reden hadden de mitzwot die de Patriarchen uitvoerden vóór het geven van de Thora, ofschoon uitgevoerd met fysieke objecten, geen mogelijkheid om heiligheid te geven aan deze objecten. Want in die era was er geen verbinding tussen spiritualiteit en fysieke entiteiten.

 

Het doel van het uitvoeren van de mitzwot door de Patriarchen was primair om G’ddelijkheid te laten verschijnen in de spirituele sferen.

De lichamen van elke Patriarch afzonderlijk, diende “als een voertuig voor G’ddelijkheid.” Een analogische verklaring, de Patriarchen waren volledig vereenzelvigd met G’ddelijkheid, in die mate dat zij zichzelf niet beschouwden als onafhankelijke entiteiten, net zoals een voertuig totaal is vereenzelvigd met de wil van zijn bestuurder.

 

Zoals zij leefden in deze fysieke wereld, doordrong hun spirituele dienst aan G’D hun hele existentie. En zo was het ook gesteld met het in acht nemen van mitzwot op dit fysieke vlak. Hoe dan ook, de intentie was niet om het fysieke te effectueren. De fysieke activiteiten waren slechts een manifestatie van spirituele bevordering.

 

Om deze reden, hoewel de spirituele dienst van de Patriarchen fysieke entiteiten met zich meebrachten, was de identiteit van de objecten die gebruikt werden voor een bepaalde dienst, niet belangrijk. Bijvoorbeeld wordt uitgelegd in de Zohar, vol. I, p. 162a, dat door het plaatsen van jonge takken van de witte populier, hazelaar en plataan voor de schapen van Lawan, Genesis. 30:37, Jacob de zelfde spirituele invloeden neerwaarts haalde die wij, na het geven van de Thora, neerwaarts brengen door inachtneming van de mitzwa van tefillien. Gelijke concepten gelden met betrekking tot het naleven van andere mitzwot.

 

Met het geven van de Thora begon een nieuwe fase. De mitzwot die wij uitvoeren hebben die potentie om heiligheid in de fysieke entiteiten waarmee zij worden uitgevoerd te brengen, in een omvang dat de entiteiten zelf heilig worden. Dus, met betrekking tot de overgrote meerderheid van de mitzwot, de fysieke entiteit waarmee de mitzwa is uitgevoerd, is veelbetekenend en belangrijk en moet bepaalde karakteristieken hebben die het mogelijk maakt om te worden gebruikt voor dat doel.

DRIE DIMENSIES VAN G’DDELIJKHEID

Het bovengenoemde concept, dat de fusie van het fysieke en het spirituele mogelijk werd gemaakt door de aan het Joodse volk verleende bevoegdheid bij het geven van de Thora, wordt aangeduid in de eerste drie woorden van de Tien Geboden: “Anochi Havayah E-lohecha,” “Ik ben G’D, jullie G’D.”

 

Deze drie namen representeren drie niveaus binnen de revelatie van G’ddelijkheid. De Naam E-lohiem refereert aan de G’ddelijke werkende kracht binnen het gecreëerde zijn. Want elke gecreëerde existentie is gekleed in een verschillend aspect van G’ddelijke kracht, een die wordt uitgedrukt in de specifieke aard van die existentie. Om deze reden is een modificerende meervoudvorm gebruikt, voor de Naam E-lohiem, zoals is geschreven in Jehoshoea. 24:19, E-lohiem kedoshiem, niet alleen is de Naam E-lohiem zelf aangewend in de meervoudvorm, maar ook het volgende woord. Dit schept niet, de hemel verhoede, multipliciteit, verdeeldheid in G’D zelf.

Want de Naam E-lohiem verwijst naar het feit dat elke gecreëerde entiteit is geïnjecteerd met een aspect van G’ddelijkheid dat hiervoor passend is. Dit wordt ook weergegeven in de numerieke gelijkwaardigheid van het woord E-lohiem en het woord hateva, dat natuur betekent. Want dit aspect van G’ddelijkheid wordt gekleed in die gecreëerde existenties die G’D bestuurt door de natuurlijke wet.

 

Dit wordt ook aangeduid door de bezittelijke vorm die gebruikt wordt in het bovenstaande vers E-lohecha, “jullie G’D”. Inderdaad, E-lohiem is de enige Naam van G’D die wordt gebruikt met een bezittelijke vorm. Aangezien deze dimensie van G’ddelijkheid een proces van samentrekkingen ondergaat om geschikt te zijn voor de niveaus van de gevarieerde gecreëerde existenties, kan het worden omvat door menselijk intellect. Dit is de intentie van de bezittelijke vorm, “jullie G’D”, met andere woorden, de G’ddelijkheid die je kunt bevatten.

 

De Naam Havayah daarentegen, refereert aan de dimensie van G’ddelijkheid die de natuur te boven gaat. Dit wordt weergegeven in de interpretatie van de Naam Havayah als haya hoveh veyihiyeh k’echad, verleden, heden, en toekomst alles als één vorm. Zohar, Vol. III, p. 257b. Binnen de natuurlijke grenzen reflecteren, verleden, heden, en toekomst, verschillende strekkingen. De Naam Havayah echter, reikt boven deze grenzen uit en smelt of voeg de drie strekkingen tezamen.

 

Dit is het grote verschil tussen de pure monotheïstische Joodse Godsdienst en de vrome niet Joodse Godsdiensten. De niet Joodse naties zijn zich alleen bewust  van E-lohiem, het G’ddelijke gekleed binnen de natuurlijke structuren. Daarom zei Josef tegen Pharao, Genesis. 41:16, “E-lohiem zal wel antwoorden wat in het belang van Pharao is.” Dit is een dimensie van G’ddelijkheid waar Pharao zich aan kon relateren. Met betrekking tot de Naam Havayah daarentegen stelde Pharao in Exodus. 5:2, “Wie is Havayah naar wiens stem ik zou moeten luisteren?….Ik ken Havayah niet.” Hij had geen bevattingsvermogen voor deze niveaus van G’ddelijkheid die de natuur te boven gaan.

 

Anochi refereert aan G’D’s essentie, zoals wordt gezegd in de Zohar III, p. 257b, “Ik Ben (Anochi) wie Ik Ben, Ik kan niet worden aangeduid met wat dan ook.” Niet alleen is dit niveau boven de Naam E-lohiem, die is geassocieerd met de wetten van de natuur, het is zelfs boven de Naam Havayah, die de natuur overtreft.

 

G’D is niet gelimiteerd door enige restrictie, evenmin door die van de natuur, noch door die boven de natuur. En om deze reden kan dit niveau fuseren met het natuurlijke en het overtreffende.

 

Dit niveau werd gereveleerd in het Heilige der Heilige waarvan was gezegd in Yoma 21a: “De plaats van de ark was niet inbegrepen in de afmeting. “Van oost naar west, was het Heilige der Heilige 20 el lang. En toch was er maar 10 el van de paroches (het afscheidende gordijn) tot de ark, de ark zelf 2.5 el lang, (Exodus. 25:10) en er waren 10 el van de ark tot de westelijke muur. Al de afmetingen van de ark waren zeer nauwkeurig, en toch, was de gehele spanwijdte niet toereikend bij de lengte. Hier zien we een fusie van eindig en oneindig.

 

Door te zeggen “Ik (Anochi) Ben G’D (Havayah), jullie G’D (E-lohecha),”zei G’D tegen de Joden dat bij het geven van de Thora, de grenzeloze kracht van Anochi fusering bracht tussen Havayah en E-lohiem, (met andere woorden, tussen de niveaus van G’ddelijkheid die de natuur te boven gaat, intellectueel bevattingsvermogen en inderdaad, met de gehele Schepping, met die niveaus die door het menselijke bevattingsvermogen kan worden vastgehouden.)

 

Dit is de reden voor de verbinding van die mitzwot die kunnen worden begrepen door menselijke logica, “Moord niet”, en “steel niet”, met de oneindige diepgaande mitzwot, “Ik Ben G’D” en “Je zult geen andere goden hebben,” welke de diepste dimensies van G’D’s absolute eenheid overbrengen.

SHABBAT SHALOM  

Geef een reactie