DEEL 15. HICHOT TESJOEWA (V)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 14 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

VIII. De bestemming van de mens wordt genoemd het leven van de Toekomende Wereld. Dit is een onlichamelijk bestaan, waarin de zielen van de rechtvaardigen genieten van de kennis van God. Ontzegging van dit leven is de zwaarst denkbare straf. Profeten en Rabbijnen hebben dit leven met verschillende namen en beelden aangeduid, maar de mens kan deze heerlijkheid pas bevatten wanneer die werkelijkheid voor hem wordt.

IX. Voor- en tegenspoed die de mens in dit leven toevallen, worden vaak als beloning of straf gezien, omdat zij de uiteindelijke afrekening beïnvloede. Een goed leven is bevorderlijk voor gehoorzaamheid en studie en die zijn voorwaarde voor een aandeel aan de Toekomende Wereld. Een slecht en ongelukkig leven vervreemdt de mens verder van God en dat draagt bij tot zijn definitieve ondergang. In die zin kan men voor- en tegenspoed loon en straf noemen. De dagen van de Messias zijn een voorproef van het uiteindelijke loon.

X. De Toekomende Wereld mag geen doel op zichzelf zijn. Men moet dienen uit liefde en niet om loon te verwerven. Het doel van de gehoorzaamheid aan de Geboden en van de kennis die de mens kan verwerven van het hogere, is om hem te voeren tot zijn meest verheven bestemming: de belangeloze liefde tot God.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.D, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk VIII

1.Het goede dat voor de rechtvaardigen is weggelegd, is het leven in de Toekomende Wereld, een leven dat de dood niet kent en een goed waaraan ieder kwaad ontbreekt. Dat is wat in de Thora geschreven staat: ‘Opdat het u goed ga en ge uw dagen zult verlengen’ (Deut. 22,7). Op grond van overlevering heeft men hierover geleerd: Opdat het u goed ga in de wereld die geheel en al goed is, en ge uw dagen zult verlengen in de wereld die geen einde kent .41 Dat is het leven van de Toekomende Wereld.

[2] Het is het loon der rechtvaardigen om deel te hebben aan deze geneugten en om in dit goede te verkeren, en het is de straf voor de zondaren dat hun dit leven niet ten deel zal vallen maar dat zij bij het sterven zullen worden uitgeroeid. En ieder die dit leven niet deelachtig wordt, is als een dode die in der eeuwigheid niet meer zal leven. Door zijn eigen boosaardigheid wordt hij uitgeroeid en gaat hij als een beest teloor. Dat is de uitroeiing (karet) waar de Thora over spreekt wanneer er geschreven staat: ‘Deze ziel zal voorzeker worden uitgeroeid (hikkaret tikkaret)’ (Num. 15, 31), en de overlevering zegt: Hikkaret in deze wereld, tikkaret in de Toekomende Wereld ‘42 dat wil zeggen dat die ziel, wanneer die zich in deze wereld van het lichaam losmaakt, geen aandeel zal krijgen aan de Toekomende Wereld en ook daar zal worden uitgeroeid.43

2.[3] De Toekomende Wereld kent geen lichamelijke aanwezigheid.’ Daar zijn alleen de onlichamelijke zielen der rechtvaardigen, evenals de engelen. En aangezien er geen lichamen zijn, is er ook geen sprake van eten of drinken, noch van enige andere zaak die het menselijke lichaam in deze wereld van node heeft. Ook kent men er niet de situaties waaraan de lichamen in deze wereld blootstaan, zoals zitten en staan, slaap, dood, verdriet, gelach en dergelijke. Aldus hebben de vroegere Wijzen het gezegd: In de Toekomende Wereld is er eten noch drinken, noch geslachtelijk verkeer, maar de rechtvaardigden zitten daar met kronen op hun hoofd en genieten van de glans der goddelijke Tegenwoordigheid.44

[4] Het is u dus al duidelijk geworden dat er van lichamen daar geen sprake kan zijn en dat daar geen eten of drinken plaats vindt. Wanneer er nu gezegd wordt dat de rechtvaardigen daar zitten, dan is dat gezegd bij wijze van toespeling op het feit dat de zielen der rechtvaardigen daar verkeren zonder moeite en inspanning te ondervinden. Evenzo wanneer zij zeiden dat zij kronen op het hoofd hebben, dan wil dat zeggen dat zij beschikken over de kennis waarvan zij’ weten dat zij terwille daarvan het leven van de Toekomende Wereld deelachtig zijn geworden. Dat is hun kroon, zoals ook Salomo spreekt van ‘De kroon waarmee zijn moeder hem kroonde’ (Hoogl. 3, 1 1). Er wordt immers gezegd: ‘Een eeuwige vreugde is op hun hoofd’ (Jes. 51, 1 1), maar vreugde is geen voorwerp dat op een hoofd kan rusten, dus is de vreugde waarvan zij hier spreken de kennis.

[5] Wat betekent dan de uitdrukking ‘genietend van de glans der goddelijke Tegenwoordigheid’? Dat is dat zij kennis en begrip hebben van de werkelijkheid van de Heilige, iets wat zij in hun duistere, lage lichamelijkheid niet wisten.

3.[6] De ziel (nefesh) waarvan hier sprake is, is niet de ziel (neshama) die nodig is voor het lichaam, maar het is de ‘vorm van de ziel’, die staat voor de kennis van de Schepper en van de onstoffelijke wezens en van de overige feiten, een kennis die zij zich naar de mate van haar vermogen heeft verworven. De zaak van deze ‘vorm’ hebben wij verklaard in het vierde hoofdstuk van de wetten van de Grondslagen van de Thora, en dat is wat hier de ziel wordt genoemd.45

[7] Dit leven wordt genoemd de ‘bundel des levens’, omdat het niet met dood gepaard gaat. De dood is immers iets dat alleen een lichaam kan overkomen, en lichamen zijn daar niet. ZO staat er geschreven: ‘Moge de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel des levens'(1 Sam. 25, 29). Dat is de grote beloning die ieder loon te boven gaat, en het hoogste goed, waar alle profeten naar verlangden.

4. Het heeft, bij wijze van vergelijking, vele namen gekregen, zoals: ‘Berg des Heeren’, ‘de plaats van Zijn heiligheid’, ‘de heilige weg’, ‘de voorhoven des Heeren’, ‘de tent des Heeren’, ‘de lieflijkheid des Heeren’, ‘het paleis des Heeren’, ‘het huis des Heeren’, ‘de poort des Heeren’. De Wijzen hebben dit goede dat de rechtvaardigen is toebereid bij wijze van vergelijking ook wel een maaltijd genoemd,46 maar meestal noemen zij het de ‘Toekomende Wereld’.

5. [8] De grootst mogelijke wraakneming bestaat hieruit dat een ziel wordt uitgeroeid en dit leven niet deelachtig wordt, zoals er geschreven staat:’Deze ziel zal voorzeker worden uitgeroeid, haar zonde is op haar’ (Num. 15, 31 ). Dit is de ondergang die de profeten bij wijze van vergelijking genoemd hebben ‘de put des verderfs’, ‘vergankelijkheid’, ‘hel’, ‘verslinder’ en voorts allerlei benamingen van vernietiging en verderf, omdat dit een vernietiging betreft waarna geen opstanding ooit meer mogelijk is en een teloorgang die nooit ongedaan kan worden gemaakt.

6.[9] Misschien schijnt dit goede u gering toe en meent ge dat het loon van de Geboden en de omstandigheden van een mens slechts werkelijk volmaakt zijn wanneer hij eet en drinkt van smakelijke gerechten, hij omgang heeft met schone vrouwen, geborduurde zijden klederen draagt, woont in tenten die met ivoor zijn versierd, en gebruik maakt van zilveren en gouden voorwerpen en dergelijke dingen meer, zoals de dwaze, oppervlakkige Arabieren zich in hun genotzuchtigheid inbeelden.47

[10] Maar de Wijzen en al degenen die kennis hebben, weten dat al deze dingen ijdel en nietig zijn en dat men daar zijn verwachtingen niet op kan bouwen. Het is alleen in onze wereld een groot goed, omdat wij lichamelijk zijn en omdat dit allemaal dingen zijn die nodig zijn voor het lichaam. De ziel heeft daarnaar slechts verlangen en begeren voor zover het de behoeften van het lichaam betreft, dat .. zijn deel opeist en in een goede toestand wil verkeren. Maar wanneer er geen lichaam meer is, vallen al deze dingen weg.

[11] Op geen enkele wijze kan men in deze wereld kennis hebben van het grote goed dat de ziel in de Toekomende Wereld te wachten staat. Want in deze wereld kennen wij slechts datgene wat goed is voor het lichaam, en daar verlangen wij naar. Maar dat andere goed is zeer groot, zo zeer dat het alleen op overdrachtelijke wijze met de goede dingen van dit leven vergeleken kan worden. Wanneer wij de, geneugten van de ziel in de Toekomende Wereld waarderen als het eten en drinken in dit leven, is dat geen waarachtige vergelijking, want het is een goed dat zich niet laat beschrijven, het is onkenbaar en onvoorstelbaar. Dat is hetgeen David zei, ‘Hoe groot is Uw goed, dat Gij verborgen houdt voor degenen die U vrezen, gewrocht voor hen die bij U schuilen’ (Ps. 31, 20).

7. Hoezeer schmachtte en verlangde David naar het leven van de Toekomende Wereld, wanneer er geschreven staat: ‘Zo ik niet had geloofd het goede des Heeren te zullen zien in het land der levenden!’ (Ps. 27, 13).

[12] Reeds de vroegere Wijzen hebben ons doen weten dat de mens niet bij machte is de geneugten van de Toekomende Wereld ten volle te vatten en dat alleen de Heilige zelf de grootheid, schoonheid en kracht daarvan kent. Alle goeds dat de profeten aan Israël hebben voorzegd, heeft slechts betrekking op lichamelijke zaken die Israël zal ervaren in de dagen van de koning Messias, in de tijd dat de heerschappij aan Israël zal zijn teruggegeven.

[13] Maar de geneugten van de Toekomende Wereld zijn onvoorstelbaar en de profeten hebben daaraan geen afbreuk willen doen door vergelijkingen te gebruiken. Dat is wat Jesaja zegt: ‘Geen oog heeft gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doet voor degeen die op Hem wacht’ (Jes. 64, 3; vert. 4), dat wil zeggen: Het goede dat het oog van geen profeet heeft gezien, maar dat God doet voor de mens die op Hem wacht. De Wijzen hebben gezegd: Alle profeten hebben slechts geprofeteerd over de dagen van de Messias, maar de Toekomende Wereld ‘heeft geen oog gezien, behalve Gij, o God’.48

8.[14] De Wijzen hebben dit alles niet de Toekomende Wereld genoemd omdat ze nu nog niet zou bestaan, of dat eerst deze wereld te gronde zou moeten gaan voordat die wereld zou komen. Zo is het niet. De Toekomende Wereld bestaat, zoals er geschreven staat: ‘Hoe groot is Uw goed dat Gij verborgen hebt voor degenen die U vrezen’ (Ps. 31, 20). Zij hebben dit de Toekomende Wereld genoemd alleen omdat dit leven de mens toekomt na zijn leven op deze aarde. Hier zijn wij met lichaam en ziel en dit is het bestaan waarmee ieder mens begint.

Hoofdstuk IX

1. Het is ons aldus bekend gemaakt dat het loon voor het houden van de Geboden en het goede dat ons ten deel zal vallen indien we de weg des Heeren die in de Thora beschreven staat, volgen – dat dat het leven van de Toekomende Wereld is, zoals er staat geschreven: ‘Opdat het u goed ga en gij uw dagen zult verlengen’ (Deut. 22, 7). Ook weten wij dat de wraakneming op de boosaardigen die de paden der rechtvaardigheid waarvan de Thora spreekt verlaten hebben, de uitroeiing is, zoals er geschreven staat: ‘Die ziel zal voorzeker worden uitgeroeid, haar zonde is op haar’ (Num. 15, 3 j).49

[2] Maar waarom staat dan overal in de Thora geschreven: Indien gij luistert, zal u dit gebeuren, indien ge niet luistert, zal u dat overkomen, en wel in deze wereld: verzadiging of honger, oorlog of vrede, heerschappij of onderworpenheid, bewoning van het Land of ballingschap, welslagen of verlies en alle overige voorwaarden van het verbond?50

[3] Die dingen zijn altijd waar geweest en zullen alsnog uitkomen. Want wanneer wij alle Geboden van de Thora doen, zal alle goeds van dit leven ons toevallen, en wanneer wij ze overtreden, zal ons alle kwaad dat daar beschreven is overkomen. Maar toch is dat goede niet het totale loon voor [het houden van] de Geboden, noch het kwaad de volledige bestraffing waarmee de overtreding van de Geboden gewroken wordt, maar het gaat aldus voor de goede orde der dingen.51

[4] De Heilige heeft ons deze Thora gegeven, een Boom des Levens, en ieder die doet al hetgeen daarin staat geschreven en die het allemaal op de juiste manier weet, die verdient daarmee het leven van de Toekomende Wereld en wel naar de mate van zijn daden en naar de mate van zijn wijsheid. Hij heeft ons in de Thora toegezegd dat Hij alle belemmeringen om de Thora te doen, zoals ziekte, honger, oorlog, etc., van ons zal wegnemen, indien wij haar met vreugde en welgevallen doen en indien wij de wijsheid van de Thora steeds blijven overdenken. Hij zal al het goede dat ons de kracht geeft om de Thora te doen, zoals verzadiging, vrede, voldoende zilver en goud, ons doen toevallen, zodat wij niet al onze dagen bezig hoeven te zijn met de noden van het lichaam, maar vrij kunnen gaan zitten om wijsheid te leren en de Geboden uit te voeren, waarmee wij het leven van de Toekomende Wereld kunnen verdienen. Zo zegt Hij het in de Thora, nadat hij ons het goede van dit leven heeft toegezegd: ‘Gerechtigheid zal het ons zijn wanneer wij dit gebod gehoorzaam zullen doen’ (Deut. 6, 25).

[5] Ook dit heeft Hij ons in de Thora laten weten: Indien wij de Thora uit eigen beweging verlaten en we ons met vergankelijke ijdelheden gaan bezighouden – zoals er geschreven staat: ‘Toen Jessurun vet werd, schopte hij’ (Deut. 32, 15) – dan zal de waarachtige Rechter al het goede van deze wereld, dat hen in staat stelde te schoppen, van deze trouwelozen wegnemen en over hen doen komen al het kwaad dat hen zal verhinderen de Toekomende Wereld te verwerven, zodat zij in hun boosaardigheid zullen omkomen. Dat is wat in de Thora geschreven staat: ‘Omdat gij de Heer, uw God, niet hebt gediend (vanwege al uw overvloed) …. zult gij uw vijanden dienen, die de Heer over u zal zenden…’ (Deut. 28, 47-48).

[6] Wij zien dus dat we deze zegeningen en vervloekingen op de volgende wijze moeten uitleggen: Indien gij de Heer in vreugde dient en u aan Zijn wegen houdt, doet Hij u de uitwerking van deze zegeningen toevallen en houdt Hij de vervloekingen verre, zodat gij vrij zult zijn om u te verdiepen in de wijsheid van de Thora en u daarmee kunt bezighouden, zodat gij het leven van de Toekomende Wereld kunt verdienen. Dan zal het u goed gaan in de Wereld die een en al goed is, en zult gij uw dagen verlengen in de Wereld die geen einde heeft. De uitkomst is dan dat gij u twee werelden hebt verworven, een goed leven in deze wereld en een toegang tot het leven in de Toekomende Wereld. Want wie zich heden geen wijsheid en goede daden verwerft, heeft niets waarmee hij het nog kan verdienen, want er staat geschreven: ‘Er is daad noch overleg, kennis noch wijsheid in het dodenrijk’ (Pred. 9, 10).

[7] Maar indien gij de Heer verlaat en verkeerd gaat handelen met eten, drinken en hoererij en dergelijke dingen meer, brengt Hij al deze vervloekingen over u en neemt Hij alle zegen van u weg, zodat uw dagen ten einde zullen gaan in verwarring en angst. Uw hart is niet vrij en uw lichaam is niet in staat om de Geboden te doen, met het gevolg dat het leven van de Toekomende Wereld u ontgaat en gij twee werelden verliest. Want zolang de mens in dit leven geplaagd wordt door ziekte, oorlog en honger, kan hij zich niet druk maken om de wijsheid en de Geboden waarmee hij het leven van de Toekomende Wereld kan verdienen.

2.[8] Om deze reden heeft heel Israël, zijn profeten en zijn Wijzen, altijd verlangd naar de dagen van de koning Messias, wanneer zij rust zullen krijgen van een heerschappij die hun niet de gelegenheid geeft om zich naar behoren met de Thora en de Geboden bezig te houden. Dan zullen zij ontspanning ervaren en toenemen in wijsheid, zodat hun het leven van de Toekomende Wereld ten deel zal vallen.

[9] In die dagen zullen namelijk kennis en wijsheid toenemen, zoals er geschreven staat: ‘Want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren’ (Jes. 11, 9), en: ‘En men zal zijn naaste en zijn broeder niet meer hoeven leren’ (Jer. 31, 33; vert. 34), en: ‘En Ik zal het stenen hart uit uw lichaam wegnemen’ (Ezech. 36, 26). Want die koning, die zal opstaan uit het nageslacht van David, zal een grotere wijsheid bezitten dan Salomo en hij zal een groot profeet zijn, bijna zoals Mozes. En daarom zal hij heel het volk onderwijzen en hen de weg des Heeren leren en alle volkeren zullen naar hem komen luisteren, zoals er geschreven staat: ‘En het zal geschieden in het laatst der dagen dat de berg van het huis van de Heer gevestigd zal zijn boven de andere bergen’ (Jes. 2, 2).

[10] Maar het uiteindelijke loon en het laatste goed dat geen onderbreking of vermindering zal kennen, is het leven in de Toekomende Wereld. De dagen van de Messias daarentegen zullen in deze wereld zijn wanneer alles nog gewoon is, afgezien van het feit dat Israël opnieuw de heerschappij zal hebben. Want de vroegere Wijzen hebben reeds gezegd: Het enige verschil tussen deze wereld en de dagen van de Messias is de dienstbaarheid [van Israël] aan de volkeren.52

Hoofdstuk X

1.Laat geen mens denken: Zie ik doe de Geboden van de Thora en houdt mij bezig met de, wijsheid daarvan om de zegeningen die daarin vermeld staan te ontvangen of om het leven van de Toekomende Wereld deelachtig te worden, en ik houd mij verre van de overtredingen waarvoor de Thora waarschuwt, om de vervloekingen die daarin staan te ontgaan of om niet verstoken te blijven van het leven van de Toekomende Wereld.

[2] Het is onjuist om de Heer op deze wijze te dienen. Want wie op deze wijze dient, dient uit vrees en dat is niet in overeenstemming met de waardigheid van profeten en Wijzen. Op deze manier dienen alleen de onwetenden, de vrouwen en de kinderen die men onderricht in de dienst uit vreze, totdat hun kennis toeneemt en zij gaan dienen uit liefde.

2.[3] Hij die dient uit liefde, verdiept zich in de Thora en de Geboden en bewandelt de paden der wijsheid, niet terwille van enig ding ter wereld of vanwege vrees voor het kwaad of om het goede te beërven, maar hij doet de waarheid enkel en alleen omdat het de waarheid is, en terwille daarvan zal het goede uiteindelijk vanzelf komen.

[4] Deze houding is buitengewoon prijzenswaardig en een die niet iedere wijze ten deel valt. Het is de houding van onze vader Abraham, die door de Heilige ‘mijn vriend’ genoemd werd (Jes. 41, 8), omdat hij Hem slechts uit liefde diende, en het is ook de houding die de Heilige ons door middel van Mozes geboden heeft, zoals er geschreven staat: ‘En gij zult de Heer uw God liefhebben’ (Deut. 6, 5). En zolang men de Heer met de juiste liefde liefheeft, doet men als vanzelf ook alle Geboden uit liefde.

3.[5] Wat is de juiste liefde? Dat is wanneer men de Heer met een grote, zeer sterke liefde liefheeft, zozeer dat de ziel in liefde aan de Heer gebonden is en men zich daarin geheel verliest. Het is alsof men ziek van liefde is voor een vrouw en geen gedachte vrij heeft dan voor de liefde tot haar aan wie men voor altijd zijn hart verloren heeft, bij liggen en bij staan, bij eten en bij drinken. Nog sterker is in het hart van hen die Hem liefhebben de liefde tot God, in Wie zij zich geheel en al verliezen, zoals ons ook geboden is: ‘(Gij zult de Heer uw God liefhebben) met geheel uw hart en met heel uw ziel’ (Deut. 6, 5), en dat is ook hetgeen Salomo bij wijze van vergelijking zei: ‘Want ik ben ziek van liefde’ (Hoogl. 2, 5). Het hele Hooglied is overigens een gelijkenis over dit onderwerp.

4. [6] De vroegere Wijzen hebben gezegd: Men zou kunnen denken: Welaan, laat ik de Thora leren om rijk te worden, om Rabbi genoemd te worden, om het loon van het leven in de Toekomende Wereld te ontvangen! Maar de Schrift zegt: ‘… zodat gij de Heer liefhebt, (Deut. 11, 13): al hetgeen gij doet, zult ge dus alleen doen uit liefde.53

[7] Bovendien hebben de Wijzen gezegd: ‘(Welgelukzalig de mens) die ten zeerste welgevallen heeft aan Zijn Geboden’ (Ps. 1 1 2, l): aan Zijn Geboden, dus niet aan het loon van Zijn Geboden.54 En zo plachten de grootsten onder de Wijzen het hun verstandigste en wijste leerlingen speciaal55 in te prenten: Weest geen dienaren die de meester dienen om het goede te ontvangen; maar weest dienaren die de meester dienen zonder iets te ontvangen,56 maar die, alleen omdat Hij de Meester is, het passend vinden om Hem te dienen. Kortom: Dient uit liefde.

5.[8] leder die zich met de Thora bezighoudt om daarvoor loon te ontvangen of om te voorkomen dat hij gestraft wordt, die doet dat niet terwille van de Thora zelf.57 Ieder die zich daarmee bezighoudt niet uit vrees, niet om loon te ontvangen, maar alleen uit liefde voor de Heer van heel de aarde die het bevolen heeft, zie deze houdt zich met de Thora bezig terwille van haar zelf. De Wijzen zeiden: De mens dient zich altijd bezig te houden met de Thora, zelfs indien hij dat niet terwille van de Thora zelf doet. Want al doet hij het terwille van iets anders, het brengt hem ertoe dit terwille van de Thora te doen.58

[9] Wanneer men dan ook kinderen of vrouwen of onwetenden in het algemeen onderwijst, dan leert men hen het dienen uit vrees of om er loon voor te ontvangen, net zolang tot hun begrip toeneemt en hun wijsheid zich steeds meer verdiept. Dan begint men hun langzaam aan dit geheim te onthullen en hen rustig aan deze zaak te gewennen, totdat zij er begrip voor krijgen en weten dat men Hem uit liefde dient.

6.[10] Het is een welbekende en duidelijke zaak, dat de liefde tot de Heilige zich pas in het mensenhart nestelt, wanneer hij er geheel en al in opgaat, zoals het hoort, en al het andere, wat ter wereld het ook zij, achter zich laat, zoals Hij bevolen heeft: ‘Met heel uw hart en met heel uw ziel’ (Deut. 6, 5), en wel door de kennis waarmee men Hem kent. Want uit de kennis ontstaat de liefde; als die weinig is, weinig, als die veel is, veel.

[11] Daarom moet de mens zich er speciaal op richten zich de wijsheid en het inzicht te verwerven die hem in staat stellen zijn Schepper te leren kennen, in de mate waarin de mens begrip en inzicht vergund is, zoals wij bij de wetten van de Grondslagen van de Thora hebben uiteengezet.59

Noten:

41. Kiddushin 39b; Chullin 142a.

42. Sanhedrin 64b; 90b; Shavuot 13a.

43. In de halacha is karet gewoonlijk het gevolg van de straffende hand van God, die een onverwachte dood brengt als straf op overtredingen waar een menselijke rechter niet over kan oordelen. Maimonides, gesteund door de letterlijke tekst van de geciteerde passages, gaat hier iets verder en vat karet op als het verloren gaan van de, in principe onsterfelijke, ziel. Zie ook boven 1, 2 [7].

44. Vgl. Berachot 13a.

45. In Hilchot Jesode ha-Thora IV, 8-9 heeft Maimonides zijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel gegoten in de vorm van de aristotelische voorstelling, dat al het bestaande is samengesteld uit materie en vorm. Om te kunnen leven heeft het menselijke lichaam een ziel nodig. Deze ziel vergaat met het lichaam, maar heeft wel een mogelijkheid tot onsterfelijkheid in zich. Onsterfelijkheid komt haar toe in de mate waarin zij haar abstractie, haar ‘vorm’ gerealiseerd heeft. Dat gebeurt wanneer de mens kennis verwerft van hogere, abstracts dingen, van de hemelsferen, de separate intelligenties, de engelen en, voor zover dat voor het menselijke verstand te vatten is, van God zelf. Zie ook Inleiding, pp. 22, 38-39.

46. Zie bv. Bava Batra 75a: Rava zei uit naam van rabbi Jochanan: In de toekomst zal de Heilige voor de rechtvaardigen een maaltijd maken van het vlees van de Leviathan.

47. Maimonides doelt hier ongetwijfeld op islamitische paradijsvoorstellingen.

48. Berachot 34b.

49. Zie boven VIII, 1 en 5.

50. Zie bv. Deut. 28.

51. Deze zin kan zowel op het voorafgaande als op het volgende slaan. De gangbare edities lezen hier hechra’ kol ha-devarim: deze dingen geven uiteindelijk de doorslag. Qafih leest op grond van de handschriften hessea’ ha-devarim: letterlijk: de voortgang, beweging der dingen, en verklaart het in de zin als boven is vertaald. Hij vermeldt met instemming een Iezing hetzea’ ha-devarim: een voorstel voor deze dingen. Indien dit laatste juist is zou men de zin ook kunnen opvatten als: Het volgende is een voorstel om deze stand van zaken te verklaren.

52. Berachot 34b; Shabbat 63a; 1 1 1 b; Sanhedrin 99a. Uitvoeriger zet Maimonides zijn nuchtere opvattingen over de dagen van de Messias uiteen in de twee laatste hoofdstukken van de Mishne Thora, Hilchot Melachim XI en XII.

53. Vgl. Sifre, Ekev, par. 48 (p. 113); Nedarim 62a.

54. Avoda Zara 19a.

55. De uitdrukking be-jichud is ambivalent. Waarschijnlijk is het Maimonides’ bedoeling aan te duiden dat deze hoogste vorm van dienst aan God alleen werd besproken met diegenen die daar ontvankelijk voor waren en er geen verkeerde ideeën uit af zouden leiden.

56. Avot I, 3 in iets afwijkende bewoording.

57. De talmudische term is Thora lishmah: belangeloze Thorastudie.

58. Pesachim 50b.

59. Hilchot Jesode ha-Thora IV en XII.

Geef een reactie