DEEL 14. HICHOT TESJOEWA (IV)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 13 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

VI. Bijbel passages waarin, als straf op zeer zware zonden, de toe gang tot boete en berouw schijnt te worden versperd, betreffen bijzondere gevallen van zware of collectieve schuld. Aankondigingen van onheil over een volk laten de individuele verantwoordelijkheid en keuzevrijheid onverlet.

VII. Deze vrijheid bewijst hoe belangrijk Teshoeva is. Het is het kardinale punt van de verhouding tot God en de medemens en is voorwaarde voor de verlossing in het laatst der dagen. Zonder boetvaardigheid bereikt geen mens zijn eigenlijke bestemming.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk VI

1. In de Thora en in de woorden der profeten zijn echter veel passages die dit principe schijnen te weerspreken en waar de meeste mensen

over struikelen. Op grond daarvan komt men wel tot de gedachte, dat het de Heilige is die over de mens beslist of hij goed of kwaad zal doen, en dat ’s mensen gezindheid hem niet vrij laat om hem de kant op te laten gaan die hij wil. Maar ik zal u een belangrijk principe uitleggen, dat u de verklaring van al deze verzen zal verschaffen.

[2] Wanneer één mens zondigt, of wanneer de mensen van een land zondigen, en de zondaar bedrijft die zonde geheel uit eigen wil, zoals wij hebben uiteengezet, dan dient hij gestraft te worden. En de Heilige weet hoe te straffen.

Er zijn zonden die op de meest rechtvaardige wijze bestraft worden in deze wereld, aan iemands lichaam, zijn goederen of aan zijn kleine kinderen; want kleine kinderen die nog geen kennis hebben en zelf nog niet toe zijn aan de Geboden, gelden als bezit; er staat immers geschreven: ‘(Niet zullen vaders ter wille van hun zonen ter dood gebracht worden, noch zonen ter wille van hun vaders,) een mens zal wegens zijn eigen zonden ter dood gebracht worden’ (Deut. 24, 16), dus: pas wanneer hij een mens geworden is.34

[3] Daarnaast zijn er zonden waarvan het het rechtvaardigst is dat ze zowel in deze als in de Toekomende Wereld bestraft worden.

2. Wat tot nu toe is gezegd geldt alleen zolang men geen boete heeft gedaan. Maar indien men boete doet, is de boetedoening als het ware een scherm tegen de straf.35 En zoals de mens bewust en uit vrije wil zondigt, zo doet hij ook bewust en uit vrije wil boete.

3.[4] Het is mogelijk dat een mens zo’n zware zonde begaat of zoveel zondigt, dat de rechtvaardige Rechter tot het oordeel geraakt dat de straf over dergelijke welbewust en opzettelijk begane zonden moet zijn dat de weg tot boete en berouw wordt versperd. Hem wordt niet toegestaan om vrijelijk van zijn kwaad terug te keren, opdat hij sterve en te gronde gaat door de zonden die hij heeft begaan. Dat is wat de Heilige door middel van de profeet Jesaja heeft gezegd: ‘Maak het hart van dit volk vet (maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven … ), zodat het zich niet bekere en genezen worde’ (Jes. 6,10). Zo staat er ook: ‘Maar zij bespotten de boden Gods, verachtten Zijn woorden en hoonden Zijn profeten, totdat de toorn van de Heer zich zozeer verhief tegen Zijn volk dat er geen genezing meer was'(11 Kron. 36, 16), dat wil zeggen: Zij zondigden vrijwillig en waren steeds opstandig, zodat ze schuldig werden aan het feit dat hun de boetedoenig – dat is de genezing – onthouden werd.

[5] Daarom staat er in de Thora geschreven: ‘En Ik zal het hart van Farao verharden’ (Ex. 4, 21; 14, 4).

Omdat hij uit eigen beweging begon te zondigen en kwaad berokkende aan Israël, dat in zijn land woonde, was het gerechtvaardigd hem de boetedoening te onthouden, zodat hij gestraft zou worden. Daarom verhardde de Heilige zijn hart.

[6] En waarom werd Mozes tot hem gezonden en werd hem gezegd dat hij het volk moest laten gaan en dat hij boete moest doen, terwijl de Heilige hem al had laten weten dat hij het volk niet zou laten gaan, zoals er geschreven staat: ‘Maar gij en uw dienaren, (lk weet dat gij nog niet vreest voor de Heer God)’ (Ex. 9, 30)? ‘Doch hierom laat Ik u bestaan (om u mijn kracht te tonen, opdat men Mijn naam verkondigt op de hele aarde)’ (Ex. 9, 16), om de wereldbewoners te laten weten dat de zondaar, wanneer de Heilige hem van boetedoening uitsluit, niet tot inkeer kan komen maar zal sterven in het kwaad dat hij uit eigen beweging begon te doen.

[7] Zo was ook Sichon er zelf schuldig aan dat hij van boetedoening over de wandaden die hij had begaan, werd uitgesloten, zoals er geschreven staat: ‘Want de Heer uw God verstokte zijn geest en stijfde zijn hart’ (Deut. 2, 30). Evenzo sloot Hij de Kana�nieten uit van boetedoening voor hun gruweldaden, zodat ze met Israël oorlog gingen voeren, zoals er geschreven staat: ‘Want vanwege de Heer geschiedde het dat hun hart werd verhard tot de oorlog met Israël, om hen met de ban te slaan’ (Jozua 11, 20). En die Israëlieten die zeer opstandig waren in de dagen van Elia werden uitgesloten van boetedoening wegens hun grote opstandigheid, want er staat geschreven: ‘En Gij hebt hun hart terugwaarts gewend’ (I Kon. 18, 37), dat wil zeggen: Gij hebt hen van boetedoening uitgesloten.36

[8] De conclusie is dat God niet over de Farao besloten heeft, dat hij Israël kwaad zou doen, noch over Sichon, dat hij in zijn land zou zondigen, noch over de Kana�nieten om gruwelijk te handelen, maar allen hebben uit zichzelf gezondigd en zijn er zelf schuldig aan geworden dat de boetedoening hen werd onthouden.

4.[9] Hier gaat het over wanneer de profeten en de rechtvaardigen in hun gebeden God vragen om hen te helpen op de weg der waarheid, zoals David zegt: ‘Leer mij, o Heer, Uw weg’ (Ps. 86, 1 1), dat wil zeggen: Laten mijn zonden mij niet afhouden van de weg der waarheid, want daaruit ken ik Uw wegen en de eenheid van Uw naam. Evenzo zegt hij: Een gewillige geest moge mij schragen’ (Ps. 51, 14), dat wil zeggen: Moge Gij mijn ziel toelaten te doen wat Gij verlangt, en laten mijn zonden er niet de oorzaak van zijn dat mij de boetedoening wordt onthouden, maar laat ik vrijheid van handelen hebben, zodat ik kan terugkeren en de weg der waarheid moge kennen en begrijpen. En op deze wijze verstaan wij alle vergelijkbare schriftverzen.

5.[10] Maar wat is het dan wat David zegt: ‘Goed en oprecht is de Heer. Daarom onderwijst Hij zondaren de weg, Hij voert de deemoedigen in het recht en leert de deemoedigen Zijn weg’ (Ps. 25, 89)? Dat gaat erover dat Hij hun profeten heeft gezonden, die hun de wegen van de Heer hebben doen kennen en hen tot inkeer brachten. Ook zegt dit vers dat Hij hun het vermogen heeft gegeven om te leren en te begrijpen. Want dat is een trek in iedere mens, dat hij,’ zolang hij zich laat meevoeren op de wegen der wijsheid en rechtvaardigheid, naar deze eigenschappen verlangt en ze najaagt. Dat is wat de Wijzen zeiden: Wie komt om zich te reinigen, hij wordt geholpen;37 dat wil zeggen: Hij merkt dat hij daarin geholpen wordt. [11] Maar staat er niet reeds in de Thora geschreven: ‘En zij [de nakomelingen van Abram] zullen hen [de Egyptenaren] dienen en die zullen hen onderdrukken’ (Gen. 15, 13), dus dat Hij over Israël besloten heeft dat ze afgoderij zullen bedrijven? Waarom worden zij dan gestraft? Omdat niet over een individuele persoon besloten is dat hij overspelig zal zijn, maar dat van ieder van deze overspeligen die afgoderij bedrijven geldt dat hij, indien hij het niet zelf gewild had, het niet bedreven zou hebben. De Schepper heeft niets meer gedaan dan aangekondigd hoe het toegaat in de wereld. Waarmee kan men dit vergelijken? Het is alsof gezegd wordt: Dit volk zal zowel rechtvaardigen als zondaars kennen. Op grond daarvan kan een zondaar niet zeggen, dat reeds over hem besloten is dat hij een zondaar zal zijn wanneer de Heilige Mozes slechts heeft aangekondigd dat er zondaars in Israël zullen zijn, zoals er ook geschreven staat: ‘Want een arme zal te midden van het land niet ontbreken’ (Deut. 15, 1 1).

[12] Dat geldt ook van de Egyptenaren. leder van deze kwaadwillige onderdrukkers had, indien hij geen kwaad had gewild, daartoe de vrijheid gehad. Want er wordt niet over een bepaalde mens beslist, er wordt hem [Abram] slechts te kennen gegeven, dat zijn nageslacht uiteindelijk tot slaaf gemaakt zal worden in een land dat niet van hen is. En reeds heb ik gezegd,38 dat de mens niet bij machte is te weten hoe de Heilige de dingen die in de toekomst te gebeuren staan, weet.

Hoofdstuk VII

1. Aangezien dan ieder mens de vrijheid gegeven is, zoals ik heb uiteengezet, laat hij dan pogen tot inkeer te komen en zijn zonden van zijn handen af te schudden, opdat hem, wanneer hij als boeteling sterft, het leven van de Toekomende Wereld ten deel zal vallen.

2. Een mens moet er altijd van uit gaan dat hij spoedig zal sterven, opdat hij niet, wanneer zijn uur gekomen is, bemerkt dat hij’ in zondige staat verkeert. Daarom moet hij steeds onmiddellijk van zijn zonden terugkeren en niet zeggen: Wanneer ik oud ben, zal ik tot inkeer komen. Want wellicht sterft hij voordat hij oud zal zijn. Dat is wat Salomo in zijn wijsheid heeft gezegd: ‘Laten ten allen tijde uw klederen wit zijn’ (Pred. 9, 8).

3. Zeg niet dat er alleen ommekeer is van overtredingen die metterdaad worden begaan, zoals hoererij, roof of diefstal. Evenzeer als de mens daarvan terug moet komen, zo moet hij ook zijn slechte eigenschappen onderkennen en daarvan terugkomen, zoals toorn, nijd, naijver, wedijver en spotternij, het najagen van geld en eer en het najagen van voedsel, enzovoort. Van dit alles moet men berouwvol tot inkeer komen en deze zonden zijn zelfs zwaarder dan die in daden worden begaan. Want zolang de mens daarin verzonken is, is het moeilijk om ervan los te komen. Zo zegt de Schrift: ‘Laat de zondaar zijn weg verlaten, maar een kwaadwillig mens zijn overleggingen’ (Jes. 55, 7).

4. Laat een boetvaardig mens niet denken dat hij ver beneden het niveau van de rechtvaardige staat vanwege het feit dat hij overtredingen en zonden heeft begaan. Zo is het niet, want voor het aangezicht van de Schepper is hij even geliefd en bemind, alsof hij nooit gezondigd had. Zijn loon is zelfs groter, want hoewel hij de smaak van de zonde heeft geproefd, heeft hij die de rug toegekeerd en zijn neiging onderdrukt. De Wijzen zeiden: Op de plaats waar de boetelingen staan, kunnen zelfs de volmaakte rechtvaardigen niet staan;39 dat wil zeggen: Hun niveau is hoger dan dat van hen die nooit hebben gezondigd, omdat zij hun neigingen veel sterker moeten onderdrukken.

5. Alle profeten hebben opgeroepen tot boete en berouw en het is alleen door berouw dat Israël kan worden verlost. Reeds de Thora heeft verzekerd dat Israël uiteindelijk tot inkeer zal komen aan het eind van de ballingschap en dan onmiddellijk verlost zal worden, want er staat geschreven: ‘En het zal geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen komen…. en gij zult terugkeren tot de Heer uw God…. dat de Heer God een keer zal brengen in uw lot…’ (Deut. 30, 1-3). 6. Groot is de boetedoening, want zij brengt de mens dichtbij Gods tegenwoordigheid, want er staat geschreven: ‘Keer om, Israël, tot de Heer uw God’ (Hosea 14, 2), en: ‘Maar gij keerdet u niet tot Mij om, zegt de Heer’ (Amos 4, 6), en: ‘Indien gij omkeert, o Israël, zegt de Heer, zult gij u tot Mij omkeren’ (Jer. 4, 1), dat wil zeggen: Indien gij omkeert in boete en berouw, dan zult gij Mij aankleven.

[7] Boetedoening brengt hen die veraf zijn, nabij. Gister nog was iemand gehaat bij de Alomtegenwoordige, verafschuwd, ver bij Hem vandaan en een gruwel [in Zijn ogen], vandaag kan hij geliefd en bemind zijn, een goede vriend. En gij bemerkt dat de Heilige met dezelfde uitdrukkingen de zondaren op een afstand houdt als waarmee hij de boetvaardigen naderbij brengt, zowel de enkeling als de gemeenschap, zoals er staat geschreven: ‘En het zal geschieden op de plaats waar hen gezegd zal worden: Gij zijt Niet-mijn-volk, dat hun gezegd zal worden: Zonen van de levende God’ (Hosea 2, 1). Ook staat er geschreven aangaande Nechonja in zijn zonde: ‘Schrijf deze man op als kinderloos, een man die in zijn dagen niet zal slagen, (want geen van zijn nakomelingen zal erin slagen te zitten op de troon van David)’ (Jer. 22, 30), ‘AI ware Chonja, de zoon van Jehojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, (toch zou ik u daarvan afrukken)’ (Jer. 22, 24). Maar toen hij tot inkeer kwam in zijn ballingschap, staat er geschreven over zijn nakomeling Zerubbabel: ‘Op die dag, spreekt de Heer der heerscharen, zal ik u nemen Zerubbabel, zoon van Shealtiël, mijn knecht, spreekt de Heer, en Ik zal u als een zegelring aan Mijn rechterhand doen’ (Haggai 2, 23; vert. 24). 7. [81 Hoe een hoog en verheven iets is het doen van boete! Gister nog was men van de Heer, de God van Israël, gescheiden, zoals er ook geschreven staat: ‘Uw zonde maakte scheiding tussen u en uw God’ (Jes. 59, 2). Men was een roepende die geen antwoord kreeg, zoals er geschreven staat: ‘Ook al vermeerdert gij het gebed, Ik luister niet’ (Jes. 1, 15). Men verrichtte de Geboden, maar dat werd openlijk gehekeld, zoals er staat: ‘Wie heeft dit uit uw hand verlangd, Mijn voorhoven plat te treden?’ (Jes. 1, 12), ‘Was er onder u maar iemand die de deuren sloot, (opdat gij niet vergeefs Mijn altaar zoudt ontsteken! … In een offer van uw hand heb Ik geen behagen)’ (Mal. 1, 10), ‘Voeg uw brandoffers bij uw slachtoffers en eet het vlees maar op’ (Jer. 7, 21).

Vandaag echter is men één met de goddelijke Tegenwoordigheid, zoals er staat geschreven: ‘Gij die de Heer uw God aankleeft’ (Deut. 4, 4). Men roept en wordt meteen verhoord, zoals er geschreven staat: ‘En het zal geschieden dat Ik u zal antwoorden nog voordat gij roept’ (Jes. 65, 24). Men doet de Geboden en neemt die rustig en met blijdschap op zich, omdat er staat: ‘Want reeds heeft God welgevallen gehad aan uw daden’ (Pred. 9, 7). Ja zelfs verlangt men ernaar ze te doen, want er staat geschreven: ‘Het offer van Juda en Jeruzalem is de Heer aangenaam geworden als in de dagen van eeuwigheid, als in de vroegere jaren’ (Mal. 3, 4).

8. [9] De weg van hen die berouw hebben is een weg van grote nederigheid en bescheidenheid. Indien dwazen hen beschimpen door [te herinneren aan] hun vroegere daden en tegen hen zeggen: Gisteren nog deed je zo-en-zo, gisteren nog zei je dat-en-dat, laten zij zich daarover dan niet opwinden, maar het aanhoren en blij zijn dat ze weten dat hierin juist hun verdienste bestaat en dat hun verdienste toeneemt en hun waardigheid stijgt, zolang ze zich schamen voor de daden die ze fout gedaan hebben en daarvoor beschimpt worden.

[10] Het is een grote zonde om tegen een boeteling te zeggen: Denk maar eens aan wat je vroeger gedaan hebt, of om zijn daden te noemen met het doel hem te schande te maken, of om vergelijkbare zaken op te sommen om hem te herinneren aan wat hij gedaan heeft. Dat alles is verboden en dat wordt ons voorgehouden in de regels over bedrieglijk taalgebruik, waarvoor de Thora ons waarschuwt wanneer er geschreven staat: ‘Gij zult elkander niet benadelen en gij zult voor uw God vrezen, Ik ben de Heer’ (Lev. 25, 17).40

Noten:

34. Deze in zijn compactheid misleidende uitspraak baseert Maimonides op een (overigens ook weer omstreden) rabbijnse interpretatie van het onderhavige vers; zie bv. Sifre, Ki Tetse, par. 280 (p. 297): ‘Een mens zal wegens zijn eigen zonden ter dood gebracht worden’: volwassenen sterven door hun eigen zonden, kleine kinderen door de zonden van hun vaders (andere Iezing: door hun eigen zonden).

35. Vgl. Avot IV, 1 1.

36. Meestal wordt dit vers op grond van de context in positieve zin opgevat, maar taalkundig gezien is Maimonides’ Iezing ook zeer wel mogelijk.

37. Joma 38b.

38. Boven V, 5.

39. Berachot 34b.

40. Vgl. ook vs. 14 en 27, 17-18, waar staat dat men de waardevermindering van goederen en land in verband met een nabij Jubeljaar moet vermelden. Het bedrieglijk taalgebruik (honajat devarim), door Maimonides behandeld onder de Regels voor Verkoop (Hilchot Mechira), wordt meestal toegepast op het maken van exorbitante winsten, maar krijgt in onze passage een betekenis uitbreiding.

Geef een reactie