Notities

EERBETOON AAN DE JAMMER GENOEG TE VROEG OVERLEDEN WILLEM
ZUIDEMA

De keuze om het boek, En G’D sprak tot Noach en zijn zonen, een
joodse code voor niet-joden
, te gebruiken als leidraad voor onze
cursus De Zeven Noachidische Geboden was geen toeval.
Ik kende Willem Zuidema zeer goed en kan daar van uit stellen dat hij in alle
opzichten en naar mijn weten een rechtvaardige noachiet was. Vandaar dat dit
boek, wat reeds vele jaren niet meer is te verkrijgen en geschreven is in
samenwerking met Jos op ‘t Root, van een uiterst hoog gedetailleerd gehalte
is.
De wijze overbrenging van de Joodse Traditie door Willem Zuidema naar een
niet-joods publiek is uniek te noemen.
Al dat heeft bijgedragen tot de keuze van dit boek.
Omdat het geboden materiaal zeer uitgebreid is, is elk hoofdstuk in tweeën
gedeeld, soms in drie, bestudering wordt anders te veel en te gecompliceerd.
Beth HaMidrash geeft de originele tekst weer, maar geeft naar haar inzicht
aanvullende verduidelijkingen, die zij markeert met BHM.
Ik wens u veel studievreugde en hoop door deze studie vele vragen te mogen
beantwoorden.
JUDA GROENTEMAN
BETH HAMIDRASH.

Aantekeningen

Bij Inleiding 1 + 2
1 .Beide auteurs zijn reeds tien jaar werkzaam als begeleiders van
leergroepen bij de Stichting Leerhuis Limburg te Maastricht. De thuisbasis van
dit leerhuis is de enkele jaren geleden gerestaureerde (voormalige) synagoge re
Meerssen. Het leerhuis is gegroeid uit een gedurende enkele jaren in het kader
van een Studium Generale door hen beiden geleide en begeleide leergroep aan de
Rijksuniversiteit Limburg, waaraan ook de plaatselijke joodse voorganger, wijlen
Jaap van Gelder, zichrono liv’racha, deelnam.
2. Met betrekking tot het citeren van Misjna-, Tosefta- en Talmoedplaatsen in
dit boek zij het volgende opgemerkt:
m – Misjna; na m volgt de naam van het Misjna-traktaat, vaak in afkorting. De
hoofdstukken zijn met romeinse cijfers aangegeven, gevolgd door een komma,
waarna de individuele misjnajot zijn aangegeven met Arabische ciifers.
Bijvoorbeeld: mBer II,1, d.w.z. Misjna-traktaat Berachot, hoofdstuk II, misjna
1.
t – Tosefta, verder als bij de Misjna.
b – Babylonische Talmoed; na b volgt de naam van het Talmoedtraktaat, vaak in
afkorting (bv. bBer = Babyl. Talmoed, traktaat Berachot) met daarna het nummer
van het blad met a (= recto)
of              
b(=verso) volgens de zogenaamde Wilna-editie uit 1902, die ook in andere
Talmoeduitgaven, zoals o.m. die van Warschau 1863, gehanteerd wordt, evenals in
vertalingen van de Talmoed zoals de hier gebruikte Soncino-uitgave.
J – Jeruzalemse Talmoed; na het bladnummer volgt een aanduiding van de kolom
(a, b, c of d) in de Zhitomir-edities.
3. Flusser, David, Ontdekkingen in het Nieuwe Testament. Woorden van jezus en
hun overlevering. Ten Have, Baarn 1988, 55ev; Wij houden voor aannemelijk dat
men in deze kringen leefde naar de Thora, maar dan niet naar de volle 613
mitswot van de Thora omdat die in hun totaliteit de tempeldienst en het land
Israël vooronderstellen. Voorzover men zich in deze kringen met als het ‘nieuwe
Israël’ zag, maar als gelovigen uit de volkerenwereld, zal men naar die geboden
geleefd hebben die golden voor de volkeren- wereld, dat wil zeggen de
noachidische voorschriften. Daarmee is de gedachte dat Israëls prerogatief
vervallen was, of aan hen toegewezen, zeer wel te combineren (zie ook oc, 59).
Het aantal noachidische voorschriften waarnaar zij geleefd zouden hebben zal
eerder groter dan kleiner dan zeven geweest zijn. Wellicht zijn de 30 van jAvoda
Zara II1/4c,r 22-23 daarvan een late herinnering (zie ook bChoellin 92a-b).
4. Dorothee Sölle, Denken over God, inleiding in de theologie. Baarn,Ten
Have, 1990 (nederlandse vertaling: Bert van
Rijswijk).
5. Zie: Flusser, David en Safrai, Shmuel, Das Aposteldekret und
die Noachitischen Gebote, in: ‘Wer Tora vermehrt, mehrt Leben’, Festgabe fair
Heinz Kremers zum 60. Geburtstag, herausgegeben von Edna Brocke und Hans-joachim
Barkenings, Neukirchen-Vluyn, Neukirchener Verlag, 1986, p173-192. De zgn.
westelijke tekst van Hand 15:28-29, waarvan de Codex Bezae de belangrijkste
getuige is, stemt niet alleen sterk met 21:25 overeen, maar ook met de zgn. drie
hoofdgeboden, die geen jood op straffe des doods, zelfs om zijn eigen leven te
redden, mag overtreden. Deze ge-/verboden stemmen op hun beurt weer overeen met
een van de oudste varianten van de noachidische geboden. Ze wijzen af wat het
jodendom het diepste verafschuwt.
6. Sefer hachinoech, ed. Chavel, Jerusalem, Mosad harav Kook,
1952, p543.
7. Op dit punt zijn wij grote dank
verschuldigd aan de grote Talmoedgeleerde Louis Jacobs, die zowel in zijn boeken
als ‘The Talmudic Argument, A study in Talmudic reasoning and methodology’,
Cambridge, Cambridge University Press, 1984, als ook in de colleges die hij nog
dit voorjaar (1990) gaf aan de Universiteit van Utrecht, ons voortreffelijk
gereedschap in handen geeft.

Bij Hoofdtuk 1
1. Men zie hiervoor het
overzicht van de positieve en negatieve Mitswot – zoals die uit de
Thora zijn afgeleid in een halachische jurisprudentie van meer dan
vijfentwintig eeuwen – dat Willem Zuidema heeft weergegeven in een
Aanhangsel bij de vijfde druk van zijn ‘Gods Partner, Ontmoeting met
het jodendoom’, Baarn, Ten Have 1988, blz 242-271, en dan hier in het
bijzonder de verboden 315, 316.
2. Zie: ‘Gods Partner’,
de positieve mitswa 207 (blz 252).
3. Misjna Sanhedrin
VIII 7; Maimonides, Mlsjné Thora, Hilchot Rotzeach 1, 9; vgl.
Feldman, Rabbi Dr David M., Marital Relations, Birth Control and
Abortion in Jewish Law, New York, Schocken Books 1988, blz 275. Het
voorschrift met betrekking tot de achtervolger is door generalisatie
uit onder meer Deut 22:27 ontwikkeld: men mag eigen of andermans
leven redden door de vervolger te doden mits men deze – indien
mogelijk – gewaarschuwd heeft.
4. Zie het verweer
tegen deze voorstelling van zaken in Willem Zuidema, ‘Op zoek naar
Thora’, verkenningen in de rabbijnse traditie, Baarn, Ten Have 1986,
blz 37vv, en de referenties op blz 42.
5. Het moet ons van het
hart dat wij de engelse overheersing niet alleen maar als positief
beleven: onze straten zien er soms uit als die van een engelse
kolonie! Een van de ministers ging enige tijd terug in zij’n
subkoloniale attitude zelfs zover dat hij het engels tot voertaal aan
de universiteiten wilde maken. Voor de oorlog wisten de Duitsers het
al:’Holland annexiert sichselbst!’
6. Op zoek naar Thora,
t.a.p.
7. Zie voor dit
fenomeen in de bijbel, in de joodse en andere verhaal- culturen
Willem Zuidema, ‘De vergeten taal van het verhaal’, Baarn, Ten Have,
1989, passim.
8. Zie voor dit aspect:
Burggraeve, Roger, ‘Van zelfontplooiing naar verantwoordelijkheid,
een ethische Iezing van het verlangen, ontmoeting tussen
psychoanalyse en Levinas’, Leuven/Amersfoort, Acco, 1981, blz 30 et
passim.
9. Zie: ‘Op zoek naar Thora’, hfdst 4, 5, blz 43-65, waar
de auteur verslag heeft gedaan van eigen onderzoek op dit gebied en ver-wezen
heeft naar andere publikaties op dit punt.
10. Soloveitchik, Joseph B., ‘De creativiteit van de Halacha’, inleiding
en samenstelling Reinier Munk, Hilversum, Gooi&Sticht, 1989.
11. a.w., blz 39.
12. Zie hiervoor: ‘De vergeten taal van het verhaal’, waarin uitvoerigstilgestaan
wordt bij het verhaal van Genesis 1 en getoond wordt uit welke elementen
dit verhaal is opgebouwd (blz 68-77). Zie voorts over metaforen en parabels
als verhalen in beeldtaal: blz 19ev, 38. Dit bock beschrijft een door een
van beide auteurs aan de Theater-school in Kampen ontwikkelde methode om
verhalen en metaforen re verstaan en ermee te werken.
13. Zie in dit verband: ‘Gods Partner,, blz 2lev., 57.

Bij Hoofdtuk 2
1.Vgl. ook de verklaringen van Rasji op bAvoda Zara 5 1
a. Met betrekking tot wijze van citeren van beide talmoedim zij verwezen naar
aantekening 1 van de inleiding.
2. Midrasj Tanchoema (ed. Lublin 1893), parasjat Noach
II, 8b; zie: Zlotowitz, Rabbi Meir & Scherman, Rabbi Nossom, A traditional
commentary on the Books of the Bible. Artscroll Series, Vol.I, Bereshis. New
York, Mesorah Publications Ltd., 1977, p222. Hier verder aan te halen als
‘Artscroll’. Vgl. ook: Leibowitz, Nehama, Studies in Bereshit (Genesis).
Jerusalem, World Zionist Organisation, Department for Torah Education &
Culture in the Diaspora, 1976, p59-66.
3. Beresjiet Rabba XXX,6. – De Midras’ Rabba bestaat uit
een verzameling aggadische (= verhalende) literatuur op de vijf boeken van de
Tora (Beres)’let, Sjemot, Waj’jiqra, Bamidbar, Devarim) en op de vijf Megillot
(de zgn. ‘rollen’: Roct, Ester, Sjier hasjlerim, Kohelet,
Eecha).
4. Midrasj Tanchoema, ed. Buber, Wilna, z.’., Repr.
Jerusalem 1964, p31; vgl. Artscroll, p222-224.
5. Op deze talmoedplaatsen is echter geen sprake van de
technische term ‘Ben Noach’, (noachide). Wel is sprake van ‘geer’ (vreemdeling),
kennelijk in de zin van ‘geer- tosjav’ (inwonende of bijwonende vreemdeling van
niet-joodse huize, en dus noachide).
6. Flusser, David, Het schisma tussen jodendom en
Christendom. In: id., Tussen oorsprong en schisma. Artikelen over jezus,
het jodendom en het vroege christendom. B. Folkertsma-stichting voor Talmudica.
Hilversum 1978 4, p327; Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de joodse
gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed. B. Folkertsma- stichting voor Talmudica. Hilversum 1978,
p277.
7. Berman, Encyclopaedia Judaica. Keter Publishing
House. Jerusalem 19784. Artikel van Saul Berman, in dl 12, p1190/91, hierna
geciteerd: 12:1190/91.
8. Gershuni, Yehuda, Minority Rights in Isra21. In:
Crossroads, Halacha and the Modern World. Zomet, Torah and Science Research
Teams, Alon Shvut-Gush Etzion. Jerusalem 1987, p19-34.
9. Rabbi jomtov ben Avraham Isibili (Spanje, 1250-1330),
de Ritva, in zl’n kommentaar op bMakkot 9a).
10. Aldus R. Avraham van Wllna, geciteerd door Gershuni,
a.w..
11. In: Sefer hamitswot leRasag, Mitswot As@
35~37.
12. Vgl. Clorfene & Rogalsky, p41,42; zie hieronder
aantekening 31.
13. In: Mlsj’n6 Tora, Hilchot Avoda Zara (= Regels met
betrekking tot afgodendienst).
14. M6iri, geciteerd door Gershuni,
a.w..
15. Talmoed-passages, waarin direct
of indirect wordt gesproken over de noachidische voorschriften of over de zonen
van Noach: Eroevin 62a; joma 67b; jevamot 47b, 48b (2x), 62a; Baba Kamma 92a;
Baba Metsia 90b; Sanhedrin 56ab, 57ab, 58b, 59ab, 74b; Avoda Zara 2b, 3a, 5b,
6b, 15a, 24b, 51a, 64b, 71b, 72a; Horajot 8b; Makkot 9ab; Choelhn 90a, 91a,
92ab, 100b, 101b, 102ab, 114b, 121b, 129ab.
16. Guttmann, M., Das Judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der
religibsen und rechtlichen Bezichungen zwlschen juden und Nicht-juden mit
besonderer Beriicksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin,
Philo Verlag 1927, p100.
17. m – Misjna. Het oudste deel van de Talmoed, ook apart uitgegeven.
De hoofdstukken worden met romeinse cijfers aangegeven, de aparte uitspraken
(misjna’ot – enkelvoud: mlsj’na) worden aangegeven met Arabische cijfers,
bijvoorbeeld: Toharot 1,3. Overigens bevat de misjna Toharot 1,3 cen indirecte,
voor ons verder niet van belang zijnde verwijzing met betrekking tot
noachiden.
18. Zuldema, Willem, Op zoek naar Tora; verkenningen in de rabbijnse
traditie. Baarn, Ten Have 1986, p125-126.
19. t – Tosefta. Apart uitgegeven commentaren van de Tanna’im
(Schriftgeleerden) in verband met de Misjna. Guttmann, a.w., 99; Berman, a.w.,
12:1190.
20. Flusser, David und Shmuel Safrai, Das Aposteldekret und die
Noachitischen Gebote. In: E. Brocke und H.J. Barkenings (Hrsg.) Wer Tora
Vermehrt Mehrt Leben. Heinz Kremers zum 60. Geburtstag. Neukirchen, Neukirchener
Verlag 1986, p173-195, hier p100. Zie ook Boon, R., Messlaanse gemeenschap in
eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, p16-30.
21. Flusser-Safrai, a.w., p174-175.
22. Flusser-Safrai, a.w., p178-182,186.
23. Flusser-Safrai, a.w., p175.
24. Flusser-Safrai, a.w., p186.
25. Berman, a.w., 12:1190.
26. Guttmann, a.w., p105.
27. Flusser-Safral, a.w., p183; voorts:
Damascusgeschrift, in: H.A. Brongers (vert.), De Gedragsregels der
Qoemraan-gemeente. Amsterdam, Proost & Brandt 1958, p19-58, hier:
p15-19.
28. Cohn, EJ 14:1207ev.
29. Zie daartoe hieronder hoofdstuk 7G.
30. Berman, a.w., 12:1190; Leibowitz, a.w., 76-77.
Volgens sommige autoriteiten zou het Adam wel toegestaan zijn geweest
vlees te eten maar niet zelf te slachten. Wat dus al dood was, door een ongeluk
of door een wild dier, mocht hij opeten. Is dit een herinnering aan een tijd dat
de mens ook aas at?
31. Berman, a.w., 12:1191.
32. Whitlaul Willem, Over de Noachitische geboden. In: Levend joods
Geloof 33/8, Tammoez 5747-juni/juli 1987, 17-18. Zie voor een uitwerking in deze
zin: Lichtenstein, Aaron, The Seven Laws of Noah (1981) en: Clorfene, Chaim, and
Rogalsky, Yakov, The path of the Righteous Gentile
(1987).

Bij Hoofdtuk 3
1. Zuidema, Willem, Gods Partner. Ontmoeting met het jodendom, Baarn, Ten
Have 1988 (5e dr), p97-103, 154.
2. Schwarzschild, Encyclopaedia Judaïca. Keter Publishing House. Jerusalem
19784 . Artikel van Malcolm Schwarzschild, in dl 12, p 1 189, hierna geciteerd:
12:1189; wij geven hier de volgorde van de zeven noachidische voorschriften,
zoals bSanh 56a die geeft. Lichtenstein, in The Seven Laws of Noah’ begint met
‘diefstal’, omdat die in de nummering van de 613 mitswot voorop komt en in de
Talmoedscholen (jesjivot) als eerste bestudeerd wordt (p19); Clorfenc/Rogalsky
beginnen met afgodendienst (p40, 48).
3. Schwarzschild, a.w., 1189.
4. Boon, Rudolf, Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In:
Ter Herkenning 14/1986/1, 16-30, hier: p 22.
5. Schwarzschild, a.w., 1189.
6. Guttmann, M., Das judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der
religiösen und rechtlichen Beziehungen zwischen Juden und Nicht-juden mit
besonderer Berücksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin,
Philo Verlag 1927, p191-192.

Geef een reactie