DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN INLEIDING 2

6. Leren is dialogeren

Dit boek heeft niet de presentie een nieuw ‘gelijk’ te bewijzen. Het is slechts een handreiking voor denken en praten over een nieuwe en onbekende, maar in feite reeds oude weg, die van de noachiden. Een ‘handreiking’, geen ‘handleiding’! Reeds Paulus had blijkbaar last van mensen die gelijk wilden hebben, want hij schrijft (1 Kor 11:16): ‘Indien iemand onder ons het erom te doen is gelijk te hebben, wij hebben die gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods (=joodse gemeenten).’

Dat wil met zeggen dat wij niet van discussiëren en argumenteren houden. Maar dan eerder in de zin dat wij de inzichten, ervaringen, commentaren en kritiek van de ander nodig hebben om zelf tot dieper inzicht te komen. Op dat punt vertelt de joodse traditie een ontroerend verhaal.

Van Rabbi Jochanan, een geleerde uit het land Israël uit de derde eeuw en samen met zijn zwager Res’ (= Rabbi Sjimon ben) Laqisj, hoofd van de leerschool in Tiberias, vertelt de Babylonische Talmoed (bBaba Metsia 84a) dat hij buitengewoon knap was:

‘Op een dag was hij aan het baden in de Jordaan, en Resj Laqisj (toen nog een gladiator) zag hem (en werd op slag verliefd op hem, denkende dat Rabbi Jochanan een vrouw was; hij droeg kennelijk geen baard!) en dook hem na in de Jordaan. Zei Rabbi Jochanan tot hem: ‘Jouw kracht zou in dienst van de Thora moeten staan!’, waarop Resj Laqis’ antwoordde: ‘Jouw schoonheid zou die van vrouwen moeten zijn!’Waarop Rabbi Jochanan zei: ‘Als jij terugkeert (tot de Thora), dan zal ik je mijn zuster (tot vrouw) geven; die is nog schoner dan ik!’ Hij nam op zich ommekeer te doen en wilde toen teruggaan naar zijn wapenrusting (als gladiator) maar die paste hem niet meer (hij was kennelijk in een oogwenk afgevallen of er lag toch enige tijd tussen!). Hij (Rabbi Jochanan) leerde hem bijbel en misjna en maakte van hem een groot man.’

– De talmoed vertelt dan dat er op een dag een scherp dispuut was in het leerhuis over de vraag wanneer een wapen onreinheid kon oplopen. Resj Laqisj heeft daar een deskundige opinie over en Rabbi Jochanan reageert dan zuur: ‘Meneer de rover weet van wanten!’ Waarop Resj Laqisj’ pareert met: ‘Dat heb ik aan jou te danken; toen was ik een meester onder rovers, nu hier.’ ‘ja, door jou onder de vleugels van de Thora re brengen.’

De discussie was zo persoonlijk en zo venijnig geworden dat Rabbi Jochanan ziek werd en als gevolg daarvan ook Resj Laqisj, zo zelfs dat hij, stierf. Rabbi Jochanan treurde diep over hem.

De rol van Resj Laqisj werd overgenomen door Rabbi El’azar ben P’dat. Een buitengewoon intelligente man, die bij elke uitspraak van Rabbi Jochanan wel een bewijs wist uit de tannaïetische literatuur (tot 200). –

‘Sprak Rabbi Jochanan: Ben jij als de zoon van Laqisj? De zoon van Laqisj, als ik een uitspraak deed, bracht hij vierentwintig tegenwerpingen, waarop ik vierentwintig antwoorden gaf. En zo verdiepte zich de halachische discussie. Maar jij weet alleen een bewijs (voor mijn gelijk!) te leveren uit de tann�ietische literatuur!

Er bestaat nogal wat belangstelling voor verhalen in de joodse traditie en in de joodse literatuur. Wat is de bedoeling daar nu van? Wat wil de verteller daar nu eigenlijk mee?

Bovenstaand verhaal is te vinden in het traktaat Baba Metsia van de Babylonische Talmoed, op bladzijde 84a. Het werd kort geleden op sappige en humoristische wijze verteld op een gastcollege aan de Rijksuniversiteit Utrecht, door de grote talmoedgeleerde, rabbijn en hoogleraar, Louis Jacobs, schrijver van een aantal belangrijke boeken op dat terrein. Iedereen lachte, maar iedereen begreep ook de pointe van het verhaal. Het is niet zomaar een anekdote. Het is een verhaal dat iets wil overbrengen op een zodanige manier dat de luisterende talmoedleerling die pointe nooit meer vergeet. Wat is de bedoeling van het bovengenoemde verhaal? Ons historische informatiegeven? Ons een blik gunnen in de leerscholen van de derde eeuw? Ons achtergrondinformatie geven over Resj’ Laqlsj’ en Rabbi Jochanan? Of wordt hier duidelijk gemaakt dat het ten diepste met moet gaan om ons gelijk, omdat we dan onvermijdelijk altijd weer in een machtsstrijd komen? En daar heeft juist het christendom zijn ongelofelijke verdeeldheid aan te danken, ondanks Paulus’ waarschuwing.

Het grappige is dat Louis Jacobs de nadruk erop legde dat men buitengewoon op zijn hoede moet zijn met het historiseren van de informatie van de Talmoed. Sommige stukken zijn architectonisch zo ongelofelijk knap geredigeerd, dat het ondenkbaar is dat het de hoofdbedoeling van de redacteur was een historisch beeld te schetsen. Ze wilden iets overbrengen. En wil men dat op het spoor komen dan moet men die architectuur nauwkeurig ontleden, want dan komt men erachter waarop de redacteur nu precies de nadruk wilden leggen. Elk onderdeeltje van het gebouw is functioneel in het geheel, maar er uitgelicht zegt het iets anders dan de redacteur bedoelde. Iets van die architectuur zullen wij ook laten zien in de hoofdstukken die de noachidische voorschriften meer in detail behandelen (hoofdstuk 4-7).

7. Halacha

Hierboven was sprake van ‘halacha’. Dat woord komt van een Hebreeuws werkwoord dat ‘wandelen’ betekent. Halacha heeft met levenswandel te maken, maar met nog veel meer.

De halacha is een systeem van bindende afspraken op alle terreinen van het leven, afspraken waaraan men elkaar houdt en die teruggaan op de Thora. ‘Thora’ betekent onderwijs’. De Thora zijn de eerste vijf boeken van de bijbel, die volgens het jodendom Gods onderwijs omvatten, dat Hij via Mozes op de berg Sinaï aan Zijn volk Israël heeft geschonken. De basis van de halacha ligt in de Thora. Maar de uitwerking vindt plaats in een rabbijnse jurisprudentie. Dat wil zeggen dat in de loop van de eeuwen voortdurend is nagedacht over de wijze waarop een bepaald voorschrift uit de Thora moet worden geïnterpreteerd om als een bindende afspraak te kunnen gaan functioneren. Deze afspraak heeft ook een verbindende werking binnen een gemeenschap, zodat mensen op elkaar aankunnen en de gemeenschap niet uit elkaar valt. Een consequentie is ook dat (rabbijnse) rechtscolleges in gevallen van overtreding, twijfel of geschillen er uitspraken over kunnen doen.

De idee dat de noachidische voorschriften in zekere mate bindend zouden moeten en kunnen zijn kan onder christenen nogal wat bezorgdheid oproepen. Daarvan getuigt ook de volgende anekdote:

Een spreker hield ergens een voordracht. Hij sprak over de betrekkingen tussen jodendom en christendom en over de plaats van de Thora in het leven van de jood. In de pauze werden vragen ingezameld en daaronder was er een over ‘de noachidische geboden’. De spreker probeerde daarop zo goed en zo kwaad als het ging een antwoord te geven. Een dame uit het publiek raakte duidelijk geëmotioneerd en zei: ‘Maar dan worden we toch juist weer gevangen in de Wet waarvan wij juist door Christus bevrijd zijn?’De spreker vroeg aan de dame: ‘Rijdt u zelf auto? En bent u van ver?’De dame antwoordde: ‘ja ik woon hier twintig kilometer vandaan. Maar wat heeft dat ermee te maken?’De spreker zei: ‘Rijdt u dan straks eens die twintig kilometer van begin tot einde aan de linkerkant van de weg!’ ‘ja, dat kan natuurlijk niet, want dan maak ik ongelukken.’ De spreker reageerde: ‘En dat is nu precies de functie van de Thora en van de noachidische regels. Verkeersregels zijn afspraken waaraan we ons naar de mate van het mogelijke houden om ongelukken te voorkomen. De noachidische voorschriften hebben het karakter van bindende afspraken die wij als niet-joden zouden kunnen maken. Maar wat ons dwars zit is de angst voor de wet, waarmee Paulus in zijn tijd geconfronteerd werd. Maar dat was niet de Thora. Dat was de romeinse ‘Lex’ of een Thora die door de mensen tot een romeinse ‘Lex’ gemaakt was. Maar als je de Thora tot een romeinse ‘Lex’ maakt, dan kan de Thora geen leven meer geven. En dat is wat de Thora wil: leven schenken en leven zijn. ‘Thora Chajjiem’ betekent:

‘De Thora is leven’ en ‘Thora Chajiem’ houdt in: ‘De Thora geeft leven

8. De opzet van het boek

In de eerste drie hoofdstukken willen wij proberen een beeld te schetsen van de fundamentele keuze die aan de halacha ten grondslag ligt. Daartoe is het nodig wat uitvoeriger aan te geven wat ‘halacha’ nu eigenlijk is en wat het (ook inhoudelijke) verschil is met ethiek. Daarna zullen wij trachten een beschrijving te geven van de keuze mogelijkheden dienaangaande waarvoor het talmoedische jodendom stond en staat. In dat verband willen wij ook toelichten wat wij onder het begrip ‘overmoed’ in de titel van het hoofdstuk verstaan. Vervolgens zullen wij enige aandacht schenken aan enkele bijbelse noties. En tenslotte zullen wij ingaan op de gevolgen voor mens en milieu die een vergelijkbare keuze als welke het talmoedische jodendom gemaakt heeft op dit moment zou kunnen hebben.

Daarnaast wordt ook door onderzoekingen als van Flusser en Safrai – in ons land geen onbekenden – duidelijk dat binnen het oudste christendom voor niet-joden is gedacht aan een soort ‘noachidisch statuut’. De beslissingen van het apostelconvent die als beleidslijn voor Paulus zouden gelden, en die in twee redacties in het boek Handelingen (15:28, 29; 21:25) voorkomen, zijn naar vorm en inhoud gelijk aan de noachidische voorschriften in een bepaalde fase van hun ontwikkeling.5

Het lijkt erop dat het oudste oosterse christendom in zijn voorpaulijnse fase een groepering binnen het jodendom is geweest dat aan niet-joden niet de verplichting wilde opleggen eerst jood te worden om christen te kunnen worden. In feite correspondeerde de houding van het oudste, oosterse christendom in dat opzicht met de houding van het jodendom toen en sindsdien, namelijk in dat opzicht dat men het toejuicht wanneer niet-joden leven naar de noachidische code, maar dat het geloofsovergangen naar het jodendom niet alleen niet stimuleert, maar zelfs probeert te ontmoedigen. Het jodendom is geen missionaire godsdienst. Dat het toch altijd een grote aantrekkingskracht op niet–oden heeft gehad, bijkt onder meer uit het aantal grafstenen van proselieten op de antieke joodse begraafplaats in Rome. Een proseliet is iemand die wel overgegaan is en die in alle opzichten geldt als een geboren jood, een jood in volle rechten.

De geschetste problematiek vraagt dus duidelijk om bezinning. Met dit boek willen we een aanzet tot deze bezinning geven.

Daarom ook willen wij in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7 proberen ons een beeld te vormen wat het leven naar de zeven noachidische voorschriften concreet zou kunnen inhouden.

Daartoe benaderen wij de noachidische voorschriften als ‘hoofdvoorschriften’, die gedifferentieerd kunnen worden in een aantal nauwkeuriger omschreven detailvoorschriften. Het is niet ondenkbaar dat de plaats in de Talmoed waar sprake is van dertig noachidische voorschriften (bChoellin 92a-b) te maken heeft met een jurisprudentiële uitwerking van de zeven hoofdgeboden. Wij komen in navolging van een aantal joodse geleerden tot een iets hoger totaal.

De idee de noachidische voorschriften zo te benaderen is beslist niet nieuw. Afgezien van de talmoedische indicaties in die richting zijn daar uitspraken als in het 13e eeuwse geschrift Sefer haChinoech (eind 13e E), dat toegeschreven wordt aan R. Aharon halevi van Barcelona (1235-1300), en dat gebaseerd is op en een uitwerking geeft van de 613 mitswot:

‘Evenzo met betrekking tot Afgodendienst hebben zij (de noachiden) één gebod, dat uiteenvalt in vele delen.6

Dat wij bij onze poging tot nadere detaillering ons, in navolging van auteurs als Lichtenstein en Clorfene/Rogalsky, hebben laten leiden door de formuleringen van Maimonides in zijn weergave van de 613 Mitswot en zijn Misjnee Thora, is geen nieuwe vorm van annexatie. Wij zijn er van overtuigd dat de uitspraak van de traditie ‘De Thora is op Sinaï gegeven’ inhoudt dat zij aan het Volk Israël is gegeven en dat het wel annexatie is als wij zouden pretenderen dat zij ook aan de niet-joodse wereld zou toebehoren. Maar wij kunnen de ‘613 Mitswot’ wel zien als een model, dat ons kan helpen bij de formulering van een mogelijke uitwerking van de noachidische voorschriften. Die uitwerking is een zaak van een noachidisch~halachische jurisprudentie. En elke hulp daarbij van joodse zijde is meer dan welkom.

Daarnaast is het echter zinvol aan de noachidische voorschriften, ook wel genoemd de geboden voor (van?) de noachiden of de ‘zonen van Noach’, een plaatsbepaling te geven.

Dat is de achtergrond van de laatste hoofdstukken. Hierin wordt, vanuit de vraag welke historische achtergronden daarbij een rol hebben gespeeld, uitvoeriger dan in de voorgaande hoofdstukken ingegaan op de verhouding van de verschillende versie reacties die van de zeven noachidische voorschriften bestaan.

Deze hoofdstukken zijn een bewerking van een voordracht die een van beide auteurs in 1978 heeft gehouden op een Colloquium van het institutum Iudaicum in België en die geen andere pretentie had dan een bescheiden bijdrage te willen zijn aan de discussie over de noachidische geboden in het raam van dat Colloquium. De vraag die eraan ten grondslag ligt is, of het wellicht mogelijk is het beschikbare traditiemateriaal te plaatsen binnen het halachische proces voorzover dit betrekking had op de relaties tussen jodendom en niet-joden in de Tweede Tempelperiode en daarna tot de afsluiting van de Talmoed, en binnen die periode dan vooral van rond 150 voor tot 300 na het begin van onze jaartelling. De vraag die methodisch daarmee samenhangt) is dan of van daaruit wellicht ook iets te zeggen valt over de datering van bepaalde teksten. Wij hebben ons dus geconcentreerd op die teksten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de procesmatig ontwikkeling van de halacha op dit punt.

Een laatste terminologische verduidelijking is op zijn plaats. In de volgende hoofdstukken, met name hoofdstuk 4 tot 7 zullen wij nogal eens het woord ‘soegia’ laten vallen.

Het woord ‘soegia’ stamt uit het talmoedisch aramees en kan ‘wandeling’ betekenen, maar vandaaruit ook ‘halacha’ (van HaLaCH = wandelen). En vervolgens ook studie of les, met name een min of meer afgesloten Talmoedgedeelte dat zich met één halachische probleem bezighoudt.

Een ‘soegia’ kan relatief lang zijn, zoals in hoofdstuk 6 zal blijken, maar ook heel kort. De lengte bepaalt echter niet het belang, al wordt deze vaak wel bepaald door de hoeveelheid materiaal dat in verband met een probleem is overgeleverd.

Wat belangrijk is, is het onderkennen van de methodische opbouw van een ‘soegia’, de architectuur ervan.

Daartoe zullen wij in de hoofdstukken 4 en 7 ook een poging ondernemen. Door die methodische opbouw te onderkennen komt men ook de betekenis op het spoor en krijgt men ook een inzicht op welke wijze de soegia in de geschiedenis heeft gewerkt.7

Aantekeningen:

5. Zie: Flusser, David en Safrai, Shmuel, Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote, in: ‘Wer Tora vermehrt, mehrt Leben’, Festgabe fair Heinz Kremers zum 60. Geburtstag, herausgegeben von Edna Brocke und Hans-joachim Barkenings, Neukirchen-Vluyn, Neukirchener Verlag, 1986, p173-192. De zgn. westelijke tekst van Hand 15:28-29, waarvan de Codex Bezae de belangrijkste getuige is, stemt niet alleen sterk met 21:25 overeen, maar ook met de zgn. drie hoofdgeboden, die geen jood op straffe des doods, zelfs om zijn eigen leven te redden, mag overtreden. Deze ge-/verboden stemmen op hun beurt weer overeen met een van de oudste varianten van de noachidische geboden. Ze wijzen af wat het jodendom het diepste verafschuwt.

6. Sefer hachinoech, ed. Chavel, Jerusalem, Mosad harav Kook, 1952, p543.

7. Op dit punt zijn wij grote dank verschuldigd aan de grote Talmoedgeleerde Louis Jacobs, die zowel in zijn boeken als ‘The Talmudic Argument, A study in Talmudic reasoning and methodology’, Cambridge, Cambridge University Press, 1984, als ook in de colleges die hij nog dit voorjaar (1990) gaf aan de Universiteit van Utrecht, ons voortreffelijk gereedschap in handen geeft.

Geef een reactie