DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN – INLEIDING 1

INLEIDING EN EERBETOON AAN DE JAMMER GENOEG TE VROEG OVERLEDEN WILLEM ZUIDEMA

De keuze om het boek, En G’D sprak tot Noach en zijn zonen, een joodse code voor niet-joden, te gebruiken als leidraad voor onze cursus De Zeven Noachidische Geboden was geen toeval.

Ik kende Willem Zuidema zeer goed en kan daar van uit stellen dat hij in alle opzichten en naar mijn weten een rechtvaardige noachiet was. Vandaar dat dit boek, wat reeds vele jaren niet meer is te verkrijgen en geschreven is in samenwerking met Jos op ‘t Root, van een uiterst hoog gedetailleerd gehalte is.

De wijze overbrenging van de Joodse Traditie door Willem Zuidema naar een niet-joods publiek is uniek te noemen.

Al dat heeft bijgedragen tot de keuze van dit boek.

Omdat het geboden materiaal zeer uitgebreid is, is elk hoofdstuk in tweeën gedeeld, soms in drie, bestudering wordt anders te veel en te gecompliceerd.

Beth HaMidrash geeft de originele tekst weer, maar geeft naar haar inzicht aanvullende verduidelijkingen, die zij markeert met BHM.

Ik wens u veel studievreugde en hoop door deze studie vele vragen te mogen beantwoorden.

JUDA GROENTEMAN

BETH HAMIDRASH.

Inleiding 1

Geloven of niet-geloven en de behoefte aan vormgeving van het leven.

In dit boek willen wij proberen een antwoord (niet hét antwoord!) te geven op vragen die nogal eens op ons afkomen. Een toenemend aantal mensen beeft het gevoel dat zij met de antwoorden die het westerse christendom hun aanreikte en waarmee men sinds eeuwen beeft kunnen leven, niet meer uitkomen. Het kan zijn dat zij zichzelf niet meer als christenen (willen) zien, terwijl de boodschap van de bijbel hun toch nog wel aanspreekt. Het kan zijn dat zij zich nog wel christenen voelen, maar dat de kerk zoals die onze maatschappij in vele vormen en richtlijnen manifesteert, hun niet meer zoveel zegt. Het kan zijn dat zij nog actief zijn in allerlei’ kerkelijk werk en toch het gevoel hebben iets te missen. En dat iets ligt dan op het vlak van de vormgeving van hun leven. Ze kunnen niet zo goed uit de voeten met wat als (christelijke) ethiek wordt aangeboden, omdat op dat punt het aanbod zo groot is en de verschillende ‘ethieken’ elkaar op allerlei punt lijken te weerspreken.

1. Richting en vorm

Veel mensen zijn op zoek naar iets dat hun leven richting en zin cq. vorm kan geven. Dit geldt voor veel christenen evenzeer als voor veel niet-christenen.

Een aantal van hen tracht tot verdieping te komen door zich te oriënteren op de joodse traditie en het joodse gedachtegoed. Tegen deze achtergrond zijn met name in Nederland op vrij grote schaal leerhuizen ontstaan.

Nu is een leerhuis van oudsher een joods begrip en een joodse instelling. Het instituut leerhuis hangt nauw samen met de geheel eigen wijze waarop het jodendom omgaat met de Hebreeuwse Bijbel. Het leerhuis is een instelling waar ‘geleerd’ wordt. Dit ‘leren’ in historische en traditionele zin omvat niet alleen wat wij tegenwoordig weergeven met ‘memoriseren, discussiëren, op haalbaarheid en uitvoerbaarheid toetsen’, maar ook wat wij tegenwoordig vatten onder bronnenonderzoek, fundamenteel onderzoek en filosofische, zo men wil theologische, ordening. Dit ‘leren’ betreft studie zowel van de schriftelijke (de vijf boeken van Mozes) als van de zogenaamde mondelinge Thora (de traditie).

2. Twee typen leerhuizen

Hoewel in Nederlands-joodse kring de traditie van het Bet hamidrasj (Leerhuis) nog steeds wordt voortgezet, bestaat er een tweede vorm van Nederlands leerhuis werk dat overwegend een zaak van niet-joden is. In een aantal situaties zijn overigens wel joden hierbij betrokken. We kunnen ons echter niet aan de indruk onttrekken dat er bij deze tweede vorm globaal beschouwd twee typen leerhuizen bestaan.

In het ene type wordt binnen de eigen christelijke traditie en met het oog op de eigen verdieping als christen kennis genomen van de ‘joodse wortels van het christendom cq. wordt in de context van wat men leerhuis noemt aan studio van de bijbel gedaan. Het tweede type leerhuis stelt meer expliciet de ‘joodse traditie en het ‘joodse gedachtegoed aan de orde vanuit de optiek van de traditie zelf en vanuit de rabbijnse wijze van werken.

Dit nu roept de vraag op of er, ook weer zeer in het algemeen gesteld, twee typen of groepen mensen zijn die de leerhuizen bezoeken. Het is wellicht juister te spreken van een schaal met twee uitersten. Op de ene helft van de schaal staan de christenen die als christen naar hun joodse wortels zoeken teneinde het eigen geloof meer diepgang te kunnen geven of dit doen als een vorm van heroriëntatie binnen hun christen-zijn. Op de andere helft van de schaal staan de (wat men zou kunnen aanduid als:) randkerkelijkenen en buitenkerkelijken die een oriëntatie in hun leven zoeken. Om deze laatste groep nu gaat het ons niet in de laatste plaats.

Het tweede type leerhuis wordt in een aantal gevallen ook globaal gekenmerkt door een andere wijze van werken: er is geen leraar die een inleiding houdt, aan wie vervolgens vragen kunnen worden gesteld. De lerenden zelf bereiden de stof voor en helpen elkaar kritisch tot verstaan van de bestudeerde tekst te komen.

Vooral aan de lerenden in dit type leerhuis, waarbij beide auteurs zich sterk betrokken voelen, is dit boek in verbondenheid en respect opgedragen.1

3. Een derde weg?

Wat heeft ons ertoe gebracht om dit boek te schrijven, cq. in te gaan op de vragen die op ons afkwamen?

Wij’ hebben ons, op grond van onze ervaringen in het leerhuis, de vraag gesteld of het denkbaar is te spreken van een derde weg of een derde statuut, naast dat van ‘jodendom en christendom, maar wel verbonden met en gelegitimeerd door de Thora en de ‘joodse traditie. Deze gedachte werd mede ingegeven door de overweging dat vóór het begin van de gewone jaartelling en dus voor het ontstaan van het Christendom er mensen of wellicht zelfs gemeenschappen moeten zijn geweest die zich, ofschoon niet-joods, hebben laten lelden door de levensrichting van de joodse traditie. Het gaat dan om mensen en gemeenschappen die zeer dicht bij het jodendom stonden, in elk geval dichter dan het huidige christendom. De volgende vraag was of een dergelijk apart statuut relevant is of relevant zou kunnen zijn voor die mensen die zich momenteel niet meer thuis voelen in de kerk, maar wel in het jodendom oriëntatiepunten vinden voor de vormgeving van hun leven.

Een dergelijke statuut bleek en blijkt inderdaad te bestaan in de vorm van de geboden of voorschriften van (voor???) de ‘zonen van Noach’. De basis van dit statuut is te vinden in de Thora. In de eerste hoofdstukken van Genesis is sprake van voorschriften die gelden voor de hele mensheid, voor Noach en zijn zonen’.

AI eeuwen lang, van vóór het begin van onze jaartelling, blijken mensen contact te hebben gezocht met bet ‘jodendom om nader geïnformeerd te worden op het punt van de vormgeving van hun leven. Zij deden dat door aan te sluiten bij de noachidische voorschriften. Ook de eerste christenen uit de niet-joodse wereld leefden naar de noachidische voorschriften en zij gingen met die voorschriften om zoals het jodendom omgaat met de Thora.

4. Een Thora voor Noach en zijn zonen?

Voor de jood is niet alleen de schriftelijke Thora bindend, maar in nauwe samenhang hiermee ook de mondelinge Thora of traditie die zich – in zekere zin – ult de schriftelijke Thora ontwikkeld heeft. De studie ervan gebeurt met het oog op het leven van alledag. Niet voor niets heeft Franz Rosenzweig (1886-1929) het leerhuis ooit betiteld als het ‘middel- en kiempunt bij’ uitstek van bet joodse leven’.

Het centrum van het dagelijkse leven en van de vormgeving van het leven rond de Thora hebben de ‘joodse traditie doen leven en voortleven. Het is een wijze van leven die tot op de dag van vandaag doorgaat. Er wordt zoveel waarde aan ontleend, dat juist hierin de bestemming van het leven en van het mens-zijn ligt. De Misjna leert: ‘Groot is de Thora, want zij’ geeft leven’ (mAvot VI, 7).

De traditie leert dat Mozes op de berg Sinaï de Thora heeft ontvangen. Op het moment dat de Thora werd geopenbaard moest het volk Israël er al direct mee leven. Op dat moment begon dan ook de interpretatie van de Thora (zie Deut 31:12). Zo ontstonden er twee met elkaar verweven vormen van studie: de actuele vragen van het leven werden en worden voortdurend getoetst aan de Thora, en aan de reeds ontstane, eerdere interpretaties en commentaren en omgekeerd worden de Thora en de literatuur rondom haar voortdurend bestudeerd om het leven en het mens-zijn richting en vorm te kunnen geven. Het weten dat zo tot stand komt wordt de mondelinge Thora of traditie genoemd. Uitgangspunt is dat zonder de mondelinge Thora de schriftelijke niet kan worden verstaan en geleefd. Belde horen bij elkaar en constitueren elkaar tot één Thora.

De auteurs zijn te rade gegaan bij de joodse traditie om zich en beeld te vormen wat een ‘noachidische halacha’ zou kunnen inhouden. Deze oriëntatie leverde al direct een punt van discussie op over de titel van dit boek. Gezien onze vraagstelling is een titel als ‘De Thora spreekt tot Noach en zijn zonen’, of: ‘De Thora spreekt tot heel de mensheid’, of: ‘De Thora spreekt tot de rechtvaardigen onder de mensen’ voor de hand liggend. Immers ‘De (concreet aanwezige) Thora spreekt (tegenwoordige tijd!) geeft minstens zo direct weer waarom het hier gaat als een voor velen niet (meer) concrete God, die ooit, vroeger, heeft gesproken. Maar de Thora spreekt ook vandaag nog als volgt: ‘En God sprak tot Noach en z”n zonen’.

De Thora en de joodse traditie zijn een leerboek van blijvende actualiteit voor heel de mensheid. Voor de joden gelden meer bijzondere en aparte richtlijnen dan voor de niet-joden, maar een relatief groot aantal voorschriften, de noachidische voorschriften, zijn er ook voor de laatsten.

We hebben ons de vraag gesteld of voor de mensen die geen deel uitmaken van een christelijk gemeenschap of gemeente cq. die een marginale positie hierin innemen – op zijn minst voor de eigen beleving – er niet een geheel eigen perspectief zou kunnen bestaan, een perspectief dat wordt aangereikt vanuit de in de Talmoed beschreven, als een eigen-statuut-voor-niet-joden erkende, noachidische opdrachten of geboden (bSanhedrin 56a).2

Het gaat hierbij inzoverre om een belangrijke zaak omdat ook uit de psychotherapie steeds meer geluiden naar voren komen dat kwesties van zinvolheid, zingeving en vormgeving – levensbeschouwelijke dimensies van de bestaansnood – ofschoon van cruciaal belang, al te lang zijn veronachtzaamd.

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie bieden mogelijk niet alleen een perspectief voor individuele noachiden, maar ook voor gemeenschapsverbanden van deze ‘zonen van Noach’.

Een utopische cq. idealistische gedachte?

In leder geval lijkt het ons een gedachte die verdere studie en bezinning waard is, temeer waar er reeds voor het begin van onze jaartelling in Noord-Oost Syrië gemeenschappen hebben bestaan die naar de noachidische voorschriften leefden, maar waarvan de leden geen jood wensten cq. meenden te moeten worden. 3

5. Elke theologie haar eigen ethiek

Aan het begin van de christelijke geschiedenis staat de monumentale figuur van Paulus, die in zijn brieven de geniale vertaalslag heeft gemaakt waardoor het christendom de Europese wereld kon veroveren. Echter niet de ‘Semitische’ wereld, die pas in de zevende eeuw met succes door een Semitische’ godsdienst, de Islam, kon veroverd worden, waarbij’ slechts hellenistisch-christelijke ‘eilandjes’ als kopten en maronieten voor het christendom gespaard bleven. Bijgevolg heeft in de europese cultuur de theologie en daarmee de systematische theorie de overhand gekregen en kan methodisch ult elke theologie een ethiek worden afgeleid. Zoals in de oudheid elke filosofie haar eigen ethiek had. In de Hebreeuwse bijbel echter gaat en ook in het oudste christendom ging de halacha als gedragscode altijd aan elke geloofsuitspraak vooraf. En zo werd ook de uitspraak van de Thora (Exodus 24:7) verstaan: ‘Wij zullen het doen (!) en horen’ (niet andersom). Het is zelfs zo dat de halacha de geloofsuitspraken bepaalt.

In onze tijd lijkt aan die alleenheerschappij van de theologie een einde te komen. Dorothee Sölle heeft in haar boek ‘Denken over God’4 duidelijk gemaakt dat de vrijzinnigheid in de negentiende eeuw een reactie was op de orthodoxie. Maar ook al is zij een reactie, zij blijft binnen de door Paulus in aansluiting bij het hellenistische denken gezette kaders. Pas in de radicale theologie – en op dat punt stoot Sölle dan toch als theologe nog te weinig door begint zich iets van een andere wijze van denken te manifesteren, een wijze van denken die spreekt van noodzakelijke veranderingen van gedrag. Mensen willen elkaar herkennen aan hun gedrag. Er ontstaat een behoefte aan gedragsafspraken.

Misschien niet primair met betrekking tot huis, tuin en keuken, maar wel tot menselijke relaties en omgang met de natuur en meer in het algemeen in relatie tot politieke en maatschappelijke keuzes.

We komen met het oude theologie-ethiek schema niet meer uit.

Aantekeningen

1 .Beide auteurs zijn reeds tien jaar werkzaam als begeleiders van leergroepen bij de Stichting Leerhuis Limburg te Maastricht. De thuisbasis van dit leerhuis is de enkele jaren geleden gerestaureerde (voormalige) synagoge re Meerssen. Het leerhuis is gegroeid uit een gedurende enkele jaren in het kader van een Studium Generale door hen beiden geleide en begeleide leergroep aan de Rijksuniversiteit Limburg, waaraan ook de plaatselijke joodse voorganger, wijlen Jaap van Gelder, zichrono liv’racha, deelnam.

2. Met betrekking tot het citeren van Misjna-, Tosefta- en Talmoedplaatsen in dit boek zij het volgende opgemerkt:

m – Misjna; na m volgt de naam van het Misjna-traktaat, vaak in afkorting. De hoofdstukken zijn met romeinse cijfers aangegeven, gevolgd door een komma, waarna de individuele misjnajot zijn aangegeven met Arabische ciifers. Bijvoorbeeld: mBer II,1, d.w.z. Misjna-traktaat Berachot, hoofdstuk II, misjna 1.

t – Tosefta, verder als bij de Misjna.

b – Babylonische Talmoed; na b volgt de naam van het Talmoedtraktaat, vaak in afkorting (bv. bBer = Babyl. Talmoed, traktaat Berachot) met daarna het nummer van het blad met a (= recto) of b(=verso) volgens de zogenaamde Wilna-editie uit 1902, die ook in andere Talmoeduitgaven, zoals o.m. die van Warschau 1863, gehanteerd wordt, evenals in vertalingen van de Talmoed zoals de hier gebruikte Soncino-uitgave.

J – Jeruzalemse Talmoed; na het bladnummer volgt een aanduiding van de kolom (a, b, c of d) in de Zhitomir-edities.

3. Flusser, David, Ontdekkingen in het Nieuwe Testament. Woorden van jezus en hun overlevering. Ten Have, Baarn 1988, 55ev; Wij houden voor aannemelijk dat men in deze kringen leefde naar de Thora, maar dan niet naar de volle 613 mitswot van de Thora omdat die in hun totaliteit de tempeldienst en het land Israël vooronderstellen. Voorzover men zich in deze kringen met als het ‘nieuwe Israël’ zag, maar als gelovigen uit de volkerenwereld, zal men naar die geboden geleefd hebben die golden voor de volkeren- wereld, dat wil zeggen de noachidische voorschriften. Daarmee is de gedachte dat Israëls prerogatief vervallen was, of aan hen toegewezen, zeer wel te combineren (zie ook oc, 59). Het aantal noachidische voorschriften waarnaar zij geleefd zouden hebben zal eerder groter dan kleiner dan zeven geweest zijn. Wellicht zijn de 30 van jAvoda Zara II1/4c,r 22-23 daarvan een late herinnering (zie ook bChoellin 92a-b).

4. Dorothee Sölle, Denken over God, inleiding in de theologie. Baarn,Ten Have, 1990 (nederlandse vertaling: Bert van Rijswijk).

2 reacties op “DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN – INLEIDING 1

  1. Geachte Rabbijn Juda Groenteman,

    Na het boek “Gods Partner, ontmoeting met het jodendom” gelezen te hebben, is een nieuwe wereld voor mij opengegaan.

    Het is dan ook een vreugde voor mij, om via uw publicatie “De Zeven Noachidische Geboden” kennis te kunnen nemen van hetgeen Willem Zuidema naar voren gebracht heeft in zijn boek
    “En G’D sprak tot Noach en zijn Zonen”.
    Met vriendelijke groet, Ad Ras

    • Bedankt voor uw hartelijke ondersteuning, ik denk dat Willem Zuidema hier heel blij mee geweest zou zijn.

      Met vriendelijk groet en Shalom,

      Juda Groenteman

Geef een reactie