DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 3

DEZE STUDIE WORDT GEDONEERD DOOR AÄRON GROENTEMAN

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 3

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie en als levensordening
(een nadere specificatie)

1. Een mogelijke onderverdeling

In de inleiding hebben wij gewag gemaakt van de behoefte aan zingeving en vormgeving van het leven zoals die in toenemende mate door velen wordt ervaren en tot uitdrukking wordt gebracht en die blijkt te bestaan zowel bij mensen die geen binding met het christendom meer voelen als bij mensen die nog kerkelijk meeleven. In het voorgaande hoofdstuk hebben wij ons rekenschap gegeven van de rol die de noachidische voorschriften zouden kunnen spelen bij de vormgeving van het leven. Wij hebben ons reeds enigszins georiënteerd in de betreffende literatuur en daarbij’ de verschillende tradities op een rijtje gezet, zonder echter ons te zeer te verdiepen de historisch context en achtergrond van de verschillende redacties van deze voorschriften. Daartoe zullen wij in de laatste twee hoofdstukken van dit boek een poging ondernemen. Hier, op deze plaats, zullen we de inhoud van de noachidische voorschriften nader omschrijven en hun betekenis weergeven.

De ‘noachidische’ geboden omvatten, zoals we gezien hebben, volgens de meeste tradities zeven voorschriften. Dit ondanks het feit dat er nogal wat verschil bestaat tussen de verschillende bronnen. Enerzijds stellen sommige dat er zeven zijn, maar geven er zes, anderzijds lopen wat de invulling van enkele betreft de bronnen enigermate uiteen, zoals te zien valt in het schema in het vorige hoofdstuk. Tegelijk blijkt uit een aantal recente rabbijnse publikaties dat men van mening is dat men ze moet opvatten niet als enkelvoudige geboden, maar als aanduidingen van categorieën van voorschriften of als ‘randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven’. In iedere categorie zouden dan weer meerdere gedetailleerde voorschriften kunnen worden ondergebracht. Of ult elk hoofdgebod zouden dan weer andere meer gedetailleerde voorschriften kunnen worden afgeleid. Dit zou, zoals ook reeds gezegd, naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In de volgende hoofdstukken zullen wij proberen ons een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden. We kunnen ons daarbij baseren op recente publikaties van joodse zijde, zoals van Lichtenstein, Clorfene en Rogalsky.

Misschien zouden we op het punt van nadere uitwerking en concreet toespitsing kunnen denken aan het model van de 39 soorten werk die op sjabbat verboden zijn die afgegeleld woorden uit Ex 31:12~16 en 35:1-3, waar de werkzaamheden vermeld worden die aan de tabernakel verricht worden en die op sjabbat onderbroken dienen te worden. Deze worden in de joodse traditie opgevat als aanduidingen van categorieën, aangeduid als ‘vader’-werkzaamheden (av-mel’acha, mv. avot-mel’achot), die weer gedifferentieerd worden in ‘afstammeling’-werkzaamheden (toladot). Anders gezegd: waaronder allerlei op welke grond dan ook op sjabbat verboden werkzaamheden geclassificeerd werden.1 (bsjabbat 7b) .

Op dezelfde wijze zouden wij dan de zeven noachidischevoorschriften kunnen zien als ‘avot mitswot’, die dan weer gedifferentieerd en gespecificeerd kunnen worden in ‘toladot mitswot’.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen daar later nog op terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan een dergelijke mogelijkheid van een Jurisprudentiële differentiëring en verfijning van de zeven noachidische voorschriften, vergelijkbaar met de differentiatie die de bovengenoemde auteurs hebben toegepast. Het zou kunnen zijn dat wij, in die lijn, in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Anders gezegd: voorschriften die wij’ op de wijze van ‘toladot’ onder zouden kunnen brengen in de aanvaarde zeven categorieën van noachidische ‘vader’-geboden. Wij’ zullen in de hoofdstukken 4-7 proberen een beeld daarvan te krijgen.

2. Verankering in de Thora

Evenals de op sjabbat verboden werkzaamheden vinden op hun beurt de zeven noachidische voorschriften weer hun basis in de Thora.2

1. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen en daarmee ook het instituut van rechters in het leven te roepen, is gebaseerd op Genesis 18:19, waar staat: “… door gerechtigheid en recht te doen’. Ook wordt verwezen naar Genesis 34:13 waar de zonen van Jakob (om recht te doen) bedrieglijk spraken omdat hun zuster Dina verkracht was.

2. Het verbod van godslastering is gebaseerd op Leviticus 24:16: ‘Wie de Naam des Heren lastert zal zeker ter dood gebracht worden”. (bSanhedrin 56b). We merken op dat het hier om een post-Sinaïtische verwijzing gaat die toch is opgenomen in de noachidische voorschriften.

3. Het verbod van de dienst aan afgoden wordt afgeleid van de tekst: “Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, waarvoor zij zich hebben nedergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw God, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd”. (Ex. 32:8; zle bSanhedrin 56b). Ook hier gaat het om een post-Sinaïtische verwijzing die toch noachidisch is (geacht wordt).

4. Het verbod van ontucht is af te leiden uit de instelling van het huwelijk in Genesis 2:22-24 en uit de geschiedenis van Abraham en Abimelech in Genesis 20. Het is voorts te vinden in Leviticus 20:10-21, waar diverse vormen van ontucht en bloedschande streng veroordeeld worden. Ook wordt wel verwezen naar Jeremia 3:1.

5. Het verbod van het vergieten van bloed, gaat terug op Genesis 9:6, waar staat: ‘Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden’.

6. Het verbod van diefstal en roof is af te leiden uit de opdracht:

‘(Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten), maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.’ Een opdracht die te vinden is in Genesis 2:16-17.

7. Het verbod vlees te eten van een nog levend dier is afgeleid uit Genesis 9:4. Hier wordt gezegd: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’. Ook wordt verwezen naar Genesis 2:16, waar staat: “Van alle bomen in de hof moogt gij’ vrij’ eten”. De rabbijnen wijzen erop dat dit een verbod van het eten van vlees inhoudt. De mens mocht datgene eten dat gereed was om te eten. In Genesis 9:3 krijgt de mens verlof ook dierlijk voedsel te gebruiken, maar hij moet er voorzichtig mee omgaan en zich beperken.

3. Betekenis van de noachidische voorschriften

We hebben al opgemerkt dat de zeven noachidische voorschriften hoofdgroepen zijn die hun parallellen hebben in de ‘hoofdgeboden’ die in de rabbijnse traditie voorkomen. Die hoofdgroepen zijn op hun beurt gespecificeerd in een groot aantal voorschriften en consequenties (zie bsanhedrin 56a-60b). We noemen onder andere het brengen van verboden offers, het verbod op tovenarij, het verbod van castratie bij mens en dier, het verbod van het vermengen van zaad. Dit laatste is bijvoorbeeld in onze tijd van belang bij zaken als kunstmatige bevruchting en in vitro fertilisatie. Naar dat model zou elk van de noachidische geboden nader uitgewerkt kunnen worden in een noachidisch-halachische jurisprudentie. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen houdt bijvoorbeeld in dat er sociale stabiliteit bestaat. Dit wil echter niet zeggen dat men blind moet gehoorzamen aan de overheid. Het ‘jodendom komt primair op voor de belangen en het recht van de individu.

Onrecht moet worden voorkomen. Dit kan in nadere bepalingen worden gespecificeerd.

Ook het verbod van afgoderij draagt bij tot een goede ordening van het leven. Tevens wordt van iemand die valse goden afzweert diens persoonlijke integriteit en redding benadrukt.3

Het gebod zich te onthouden van wat door afgoden bezoedeld is of aan hen geofferd, is een gebod om zich verre te houden van al wat in contact staat met de wereld der afgoden, met andere woorden van een maatschappelijk leven dat doordrenkt is van heldendom.4 Dit betekent overigens net dat per definitie andere godsdiensten als ‘heidendom’ gebrandmerkt worden. Het jodendom heeft geen behoefte aan verkettering en missionering van de wereld vanuit het gezichtspunt dat zij de enig ware religie zouden zijn.

Het is eerden zo – zoals reeds in vorige hoofdstukken ’s aangeduid dat andere godsdiensten wegen kunnen zijn tot kennis van de Eeuwige. Wat onder afgoderij valt zijn afgodische praktijken die te kort doen aan de waardigheid van de mens als schepsel en beelddrager van God.

Tot het verbod van diefstal horen ook zaken als militaire veroveringen en oneerlijkheid in het economisch verkeer.5

Maar ook een christen die de Hebreeuwse bijbel als ‘Oude Testament’ annexeert en primair als zijn erfdeel beschouwt, zondigt tegen het noachidische verbod om te roven.6

Een andere – meer aanvullende – benadering van het verbod van bloedvergieten vinden we in de Talmoed: Een schriftgeleerde zegt tot Rav Nachman bar Jitzchaq (Bab. -356): wie in het openbaar zijn naaste beschaamt wordt het aangerekend alsof hij bloed vergiet. Waarop deze opmerkte: dat heb je mooi gezegd, want ik heb het (zulk een schaamte) gezien, het bloed trok weg uit het gelaat en die mens werd dodelijk bleek. (bBaba Metsia 58b. Iemand in het openbaar voor gek zetten, op een zodanige wijze dat zijn zelfrespect wordt ondermijnd, geldt dus als bloedvergieten.

Het eten van een deel van een levend dier betekent ook dat het verboden is het bloed van een levend dier te nuttigen, zegt Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120) in de Talmoed als aanvulling op de zeven voorschriften (bSanhedrin 56b).

Aantekeningen

1. Zuidema, Willem, Gods Partner. Ontmoeting met het jodendom, Baarn, Ten Have 1988 (5e dr), p97-103, 154.

2. Schwarzschild, Encyclopaedia Judaïca. Keter Publishing House. Jerusalem 19784 . Artikel van Malcolm Schwarzschild, in dl 12, p 1 189, hierna geciteerd: 12:1189; wij geven hier de volgorde van de zeven noachidische voorschriften, zoals bSanh 56a die geeft. Lichtenstein, in The Seven Laws of Noah’ begint met ‘diefstal’, omdat die in de nummering van de 613 mitswot voorop komt en in de Talmoedscholen (jesjivot) als eerste bestudeerd wordt (p19); Clorfenc/Rogalsky beginnen met afgodendienst (p40, 48).

3. Schwarzschild, a.w., 1189.

4. Boon, Rudolf, Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, 16-30, hier: p 22.

5. Schwarzschild, a.w., 1189.

6. Guttmann, M., Das judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religi�sen und rechtlichen Beziehungen zwischen Juden und Nicht-juden mit besonderer Ber�cksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p191-192.

Geef een reactie