DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2b

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 2b

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

5. Bronnen van de noachidische voorschriften

Wij noemen de bronnen niet in chronologische volgorde, maar naar belangrijkheid voor de ontwikkeling van de latere traditie. De voorschriften voor de noachiden worden in de Talmoed op diverse plaatsen genoemd, vaak bovendien in een verschillende context.15

De voorschriften komen overigens als zodanig niet voor in de Misjna. Dit is opmerkelijk. Zelfs de technische term ‘mitswot benee Noach’ ontbreekt. Guttmann meent dat de noachidische geboden weliswaar niet opgesomd, maar wel voorondersteld worden.16 Hij verwijst daarbij naar mChoellin IX,1, waar staat: Wanneer iemand (een jood) een onrein stuk vee voor een niet-jood slacht en het heeft nog stuiptrekkingen, dan kan het voedsel onreinheid overdragen, maar geen aasonreinheid tot het verstorven is of men de kop van het lichaam gescheiden heeft (mChoellin IX, I).17

Elders heeft een van de auteurs aangegeven dat achter dit Mlsjnavoorschrift echter een andere vraagstelling zit, namelijk niet meer, maar ook niet minder dan hoe een jood die een welomschreven dienst verricht voor een niet-jood, zich in dit geval heeft te gedragen.18

De belangrijkste Talmoed-passage met betrekking tot de noachidische voorschriften is bSanhedrin 56ab, waar de zeven voorschriften, één in positieve en zes in negatieve bewoordingen, worden genoemd:

Onze Rabbijnen leren: zeven voorschriften zijn opgelegd aan de zonen van Noach:

- (het scheppen van een) rechtsorde,

- (zich te onthouden) van godslastering,

- van afgodendienst,

- van bloedschande,

- van bloedvergieten,

- van beroving en

- van het eten van delen van een levend dier.

Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120): ‘Daaronder valt ook bloed van een levend dier.’

Vervolgens worden de voorschriften uitvoerig becommentarieerd (bSanh 57b, 57ab, 58b, 59ab).

Behalve in de Talmoed vinden we nog op een aantal andere plaatsen verwijzingen naar de noachidische voorschriften. Zo vinden we ook in de Tosefta – die ouder is dan de Talmoed maar ‘jonger dan de Misjna en waarvan elementen hun weg hebben gevonden naar belde Talmoedim, die van het land Israël en die van Babylonië – een opsomming van de zeven geboden.19 In het traktaat tAvoda Zara VIII,4 worden de noachidische voorschriften genoemd: Zeven opdrachten zijn de noachiden opgedragen: met betrekking tot rechtsinstellingen, afgodendienst, godslastering, bloedschande, bloedvergieten en beroving. De zevende wordt opengelaten. Ult het vervolg blijkt dat de aard daarvan op dat moment nog ter discussie stond. In tAvoda Zara VIII,6 vinden we vier aanvullende richtlijnen. Het betreft het verbod van het drinken van bloed van een levend dier, van castratie, van tovenarij en van het uitoefenen van magische praktijken zoals opgesomd in Deuteronomium 18:10-11.

Een derde, belangrijke, bron van de noachidische voorschriften is te vinden in het Nieuwe Testament. In de Handelingen der Apostelen staat in 15:20: ‘… maar hun (de heidenen) aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’. Het gaat hier om voorschriften die afkomstig zijn uit de joodse traditie en die van een oorspronkelijk karakter zijn. De apostolische oerkerk accepteerde met betrekking tot de bekering van niet-joden eenvoudigweg, zeggen Flusser en Safrai, de joodse lering.20 Naast deze geautoriseerde tekst, bekend als het decreet van de Apostelen, bestaat nog een andere tekst, de zogenaamde westelijk tekst van de Handelingen der Apostelen. Volgens deze verwante bron wordt aan hen die zich uit het heidendom bekeren, voorgeschreven zich te onthouden van aan de afgoden geofferd vlees, van bloed en van ontucht.21

Vervolgens wijzen Flusser en Safrai op het bestaan van uitspraken van rabbijnen over de zogenaamde kardinale zonden (later: hoofdzonden), die a.h.w. de oudste voorfase van de noachidische geboden zouden zijn. 22 Dit zijn overtredingen die onder geen enkele voorwaarde zijn toegestaan, zelfs niet om het eigen leven te redden. Het gaat om afgodendienst, incest ( inclusief overspel) en moord (bSanhedrin 74a).

Alle andere verboden mochten overtreden worden in het geval dat het eigen leven op het spel stond.

Er is een zekere verwantschap tussen het aposteldecreet met zijn joodse oorsprong en de hiervoor genoemde rabbijnse richtlijnen die tijdens de rabbijnse synode in Lydda zijn geformuleerd.”23

Flusser en Safrai beschouwen de twee versies van het aposteldecreet als varianten op de noachidische voorschriften ult de joodse traditie die de status van godvrezende niet-joden met betrekking tot het jodendom regelden. 24 Voor de verschillen tussen beide versies en voor de argumentatie verwijzen we naar het genoemde artikel. Beide versies stammen uit de tijd voordat de in de Talmoed genoemde zeven voorschriften gezaghebbend zijn geworden. Een vierde bron, maar wellicht wel een van de oudste, vormt het Boek der jubileeën, een boek dat tot de zogenaamde apocriefe literatuur wordt gerekend en van oudere datum is dan de Talmoed. De beschrijving in dit boek heeft het karakter van een midrasj (= een rabbijnse, actualiserende vertolking) op Genesis 9. De datering is waarschijnlijk van rond het jaar 100 voor de gewone jaartelling. Deze bron vormt een van de oudste versies van de noachidische voorschriften. In hoofdstuk zeven wordt in de verzen 20 en 21 een opsomming gegeven van zes richtlijnen die aan Noach gegeven zijn:

Men moet zorgen dat er rechtvaardigheid bestaat, de schaamte van het vlees moet men bedekken, men hoort de Schepper te zegenen, zijn ouders te eren, en de naaste lief te hebben. Tenslotte hoort men zich te wachten voor ontucht, onreinheid en alle ongerechtigheid.25

Guttmann spreekt overigens van vijf voorschriften die in het Boek der jubileeën worden genoemd: het gebod van recht en rechtvaardigheid (7:20; 7:23; 7:34), het verbod van ontucht (7:20; 7:21; 7:24), het verbod van bloedvergieten (7:23; 7:25; 7:27-29), het verbod van het nuttigen van bloed van levende dieren (7:28-32; ook: het verbod van het nuttigen van bloed zonder meer), het verbod ongerechtigheid ult te oefenen, van roof (7:23). Het verbod van godslastering en het verbod van afgodendienst ontbreken, maar zij zijn wel af te leiden ult jubileeËn 7:23.26

Een vijfde bron met hierin een verwijzing naar het boek van de jubileeën vindt men in het zogenaamde Damascusgeschrift. Het gaat hier om een in 1897 door Solomon Schechter in de geniza van Fostad (Kairo) ontdekt en in 191 0 door hem gepubliceerd document van een joodse gemeenschap die in de eerste eeuw van de gewone jaartelling haar zetel in Damascus had en die opereerde onder de naam Gemeente van het Nieuwe Verbond. In het Damascusgeschrift wordt eerst een opmerking gemaakt over het zondige verleden (ook) van de zonen van Noach en het nieuwe begin dat met Abraham een aanvang nam. Genoemd worden: ontucht, rijkdom en verontreiniging van het heiligdom (Damascusgeschrift IV,15-20).

Vervolgens worden een aantal gedragsregels gegeven voor een rechtvaardige levenshouding: zich verre te houden van de mannen des verderfs; zich te onthouden van de onreine weelde der verdorvenheid, (verkregen uit geloften en votiefgeschenken om zich zo de rijkdom van het heiligdom toe te eigenen; de arme van Zijn volk niet te beroven; niet toe te laten dat weduwen hun prooi worden en zij de wezen vermoorden; onderscheid te maken tussen onrein en rein; de mensen het verschil bij te brengen tussen heilig en profaan; de sjabbat te houden overeenkomstig de bepalingen en de feestgetijden en vastendagen, overeenkomstig hetgeen besloten is door hen die tot het Nieuwe Verbond in het land van Damascus toegetreden zijn.27

Het is overigens de vraag of wij hier echt te maken hebben met regels voor noachiden dan wel met de regels die golden binnen een groepering die zich afgescheiden hadden van de hoofdstroom van het jodendom en die als eis werden gesteld aan hen die tot die groepering wensten toe te treden.

Een zesde bron vormt de Midrasj. In Beresjiet Rabba XXXIV,8 wordt gezegd dat de kinderen van Noach zich voor zeven zaken dienen te hoeden: afgodendienst, incest, moord, vervloeking van de Goddelijke Naam (godslastering), (geen) wetten voor de burgers (in te stellen), en te eten van een lid dat is afgereten van een levend dier. Er wordt aan toegevoegd dat volgens Rabbi Chanina ook het eten van bloed van een levend dier is verboden; volgens Rabbi L’azar ook kruisbevruchting. En Rabbi Simeon zei: ook tovenarij. Rabbi jochanan zel: ook castratie. Rabbi Issi (Assi) zei: de kinderen van Noach hebben zich te houden aan de volgende passage: Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of dochter door het vuur doet gaan, enz. (Deut. 18:10-11). Een vergelijkbare opsomming is te vinden in de Midrasj Sifra, een midrasj verzameling op Leviticus (Sifra, Lev. 18:4).

Een zevende bron tenslotte, is weer te vinden in de Talmoed. Overigens wordt hier niet uitdrukkelijk over voorschriften voor noachiden gesproken. Het gaat echter wel om verwante richtlijnen. In het traktaat Joma staat:

‘Onze rabbijnen leerden: mijn verordeningen zult gij volbrengen (Lev. 18:4); dit zijn die voorschriften die, als ze niet zouden zijn opgeschreven, eigenlijk opgeschreven hadden moeten worden; dit zijn ze: (de voorschriften die betreffen) afgodendienst (aanbidding van hemellichamen), onzedelijke handelingen en bloedvergieten, diefstal en godslastering’. (bJoma 67b).

Wat in de verschillende kolommen als ontucht danwel als incest wordt weergegeven wordt in de bronnen in het algemeen weergegeven als ‘gilloej arajot’ of kortweg ‘arajot’.

‘Gllloej’ betekent ‘ontbloting’ en ‘arajot’ is meervoud van ‘erwa’ dat geslachtsdeel’ betekent. ‘Gilloej arajot’ is de technische term voor alle verboden sexuele handelingen. Het omvat zo alle verboden relaties en dus ook incest en ontucht.28

Op basis van ons onderzoek zijn de voorschriften die na het zevende voorschrift in de verschillende kolommen worden vermeld naar ons oordeel geen variante mogelijkheden, die de verschillende tradenten hebben voorgedragen, maar deelaspecten van het zevende voorschrift.

6. Afleidingen

De noachidische voorschriften waar de rabbijnse traditie over spreekt hebben een geschiedenis en ontwikkeling doorgemaakt. De oudste vorm ervan is wellicht reeds in de Thora te vinden, namelijk in Genesis 9:1-7.

De rabbijnen merken op dat zes van de zeven voorschriften reeds aan Adam geopenbaard zijn. (Beresjiet Rabba XVI,6; XXIV,5). De zevende richtlijn, het verbod van het eten van vlees dat is afgescheurd van een levend dier, kan eerst bekend zijn gemaakt aan Noach. (id., XXXIV,8).

Voorafgaand aan de grote vloed was het eten van vlees geheel en al verboden. De midrasj vertelt verder dat Abraham vandoen kreeg met acht voorschriften (de besnijdenis), Jacob met negen (het verbod van het eten van de lendespier) en het volk Israël tenslotte met alle (Sjemot Rabba XXX,9).

In Mara (zle Ex. 15:25), zegt de Talmoed, kregen de Israëlieten tien voorschriften. Zeven ervan waren reeds door de nakomelingen van Noach geaccepteerd. In Mara werden toegevoegd: de instelling van sociale wetten en de sjabbat en de plicht de ouders re eren. De toevoeging was nodig vanwege de ordening van het leven en vanwege een goede rechtsorde (bSanhedrin 56b).

De Amora’lm (Talmoedische wijzen in de derde tot de zesde eeuw) vroegen zich af waarom bepaalde voorschriften wel en anderen niet zijn genoemd, zoals de plicht tot voortplanting, de besnijdenis en het verbod van het eten van de lendespier. Immers, zo redeneerden zij, dit zijn toch ook wetten uit de tijd van voor Sinaï. Als verklaring gaven zij dat de afwezigheid van het voorschrift van de besnijdenis en van het verbod van het eten van de lendespier voortkomt uit het feit dat het voor-Slnaïtische regels zijn die niet zijn herhaald op Sinaï en dat de regels die niet zijn herhaald van die tijd af slechts geldig zijn voor joden (bSanhedrin 59ab).31 Voortplanting is volgens Rabbi Jochanan (bar Nappacha, Pal.-279) ook een plicht voor niet-joden (bJevamot 62a;vgl. Gen. 9: 1), maar deze regel is desondanks niet opgenomen bij de noachidische voorschriften.

De noachidische voorschriften, zoals zij uiteindelijk worden opgevat als zeven in getal, moet men niet opvatten als enkelvoudige geboden, maar als hoofdgroepen van voorschriften. Het zijn randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven, merkt Whitlau op.

Uit ledere categorie kunnen weer meerdere gedetailleerde voorschriften worden afgeleid.32 Dit zou naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In een van de volgende hoofdstukken willen wij proberen ons alvast een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen hierop later nog terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan de mogelijkheid van een jurisprudentiële differentiëring en verfijnlng van de zeven noachidische voorschriften. Het zou kunnen zijn dat wij in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Wij’ zullen daar in hoofdstuk 4 en volgende proberen een beeld van te krijgen.

Aantekeningen

15. Talmoed-passages, waarin direct of indirect wordt gesproken over de noachidische voorschriften of over de zonen van Noach: Eroevin 62a; joma 67b; jevamot 47b, 48b (2x), 62a; Baba Kamma 92a; Baba Metsia 90b; Sanhedrin 56ab, 57ab, 58b, 59ab, 74b; Avoda Zara 2b, 3a, 5b, 6b, 15a, 24b, 51a, 64b, 71b, 72a; Horajot 8b; Makkot 9ab; Choelhn 90a, 91a, 92ab, 100b, 101b, 102ab, 114b, 121b, 129ab.

16. Guttmann, M., Das Judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religibsen und rechtlichen Bezichungen zwlschen juden und Nicht-juden mit besonderer Beriicksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p100.

17. m – Misjna. Het oudste deel van de Talmoed, ook apart uitgegeven. De hoofdstukken worden met romeinse cijfers aangegeven, de aparte uitspraken (misjna’ot – enkelvoud: mlsj’na) worden aangegeven met Arabische cijfers, bijvoorbeeld: Toharot 1,3. Overigens bevat de misjna Toharot 1,3 cen indirecte, voor ons verder niet van belang zijnde verwijzing met betrekking tot noachiden.

18. Zuldema, Willem, Op zoek naar Tora; verkenningen in de rabbijnse traditie. Baarn, Ten Have 1986, p125-126.

19. t – Tosefta. Apart uitgegeven commentaren van de Tanna’im (Schriftgeleerden) in verband met de Misjna. Guttmann, a.w., 99; Berman, a.w., 12:1190.

20. Flusser, David und Shmuel Safrai, Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote. In: E. Brocke und H.J. Barkenings (Hrsg.) Wer Tora Vermehrt Mehrt Leben. Heinz Kremers zum 60. Geburtstag. Neukirchen, Neukirchener Verlag 1986, p173-195, hier p100. Zie ook Boon, R., Messlaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, p16-30.

21. Flusser-Safrai, a.w., p174-175.

22. Flusser-Safrai, a.w., p178-182,186.

23. Flusser-Safrai, a.w., p175.

24. Flusser-Safrai, a.w., p186.

25. Berman, a.w., 12:1190.

26. Guttmann, a.w., p105.

27. Flusser-Safral, a.w., p183; voorts: Damascusgeschrift, in: H.A. Brongers (vert.), De Gedragsregels der Qoemraan-gemeente. Amsterdam, Proost & Brandt 1958, p19-58, hier: p15-19.

28. Cohn, EJ 14:1207ev.

29. Zie daartoe hieronder hoofdstuk 7G.

30. Berman, a.w., 12:1190; Leibowitz, a.w., 76-77.

Volgens sommige autoriteiten zou het Adam wel toegestaan zijn geweest vlees te eten maar niet zelf te slachten. Wat dus al dood was, door een ongeluk of door een wild dier, mocht hij opeten. Is dit een herinnering aan een tijd dat de mens ook aas at?

31. Berman, a.w., 12:1191.

32. Whitlaul Willem, Over de Noachitische geboden. In: Levend joods Geloof 33/8, Tammoez 5747-juni/juli 1987, 17-18. Zie voor een uitwerking in deze zin: Lichtenstein, Aaron, The Seven Laws of Noah (1981) en: Clorfene, Chaim, and Rogalsky, Yakov, The path of the Righteous Gentile (1987).

Geef een reactie